Actueel (archief)

 Klassieke-muziekcultuur gaat ten onder (1)

Orchesterdämmerung of het einde van het klassieke symfonieorkest

 

© Kees Vlaardingerbroek, 27 september 2005

(Kees Vlaardingerbroek is artistiek manager van muziekcentrum de Doelen in Rotterdam).

 

Alwéér was er een symposium, vorige week, dat was gewijd aan de vraag of er een toekomst is voor de westers-klassieke muziek in het algemeen, en de symfonieorkesten in het bijzonder. Het symposium maakte deel uit van het vermaarde Gergiev Festival in Rotterdam en de organisatoren hadden enkele belangrijke sprekers weten te strikken, onder wie dirigent Valery Gergiev, Pierre Audi (artistiek directeur van De Nederlandse Opera), Ivo Opstelten (burgemeester van Rotterdam) en Winnie Sorgdrager (voorzitter van de Raad voor Cultuur).

Ik werd er niet vrolijk van. De waarschuwingen waren opnieuw niet van de lucht: het publiek vergrijst in hoog tempo; allochtonen zijn bij klassieke concerten nergens te bekennen; thuis en in het onderwijs komen kinderen niet meer in aanraking met klassieke muziek; de stijve mores van het concertritueel (stilzitten en luisteren) staan haaks op deze individualistische tijd; er is visueel niets te beleven - tegenwoordig een doodzonde.

Minder pessimistische geluiden waren ook nu weer niet volledig afwezig: de bevolking vergrijst, waardoor de klassieke muziek in ieder geval de komende decennia nog op een potentieel groot publiek kan rekenen; de mensen zullen in deze tijd van vervlakking opnieuw op zoek gaan naar diepgang en inhoud; de intellectuele en sociale bovenlaag zal zich ook in de toekomst willen onderscheiden van de massa en alleen al om die reden de klassieke muziek hooghouden.

Gergiev is bezorgd

Was ik na het horen van alle onheilsprofeten al depressief, dan was ik het na het beluisteren van de optimistische tegengeluiden nog meer. Want nog afgezien van het feit dat inhoudelijke, sociale en marketingoverwegingen zoals gebruikelijk bij dergelijke gelegenheden een onontwarbaar kluwen vormden, het punt waar het uiteindelijk om draait, kwam niet aan de orde: welke betekenis hecht de hedendaagse cultuur nog aan de klassieke muziek en de waarden die zij belichaamt? Of misschien beter: welk belang hecht de intellectuele en sociale elite, de traditionele drager van de klassieke muziekcultuur, er nog aan? De enige die naar dit probleem verwees, was Valery Gergiev, die zijn bezorgdheid uitte over de tendens in Nederland ,,de kunst en de muziek minder te ondersteunen’’.

Het werkelijke verschil tussen nu en vier, vijf decennia geleden is volgens mij hierin gelegen, dat het toen nog vanzelfsprekend was de klassieke muziek een bijna religieuze betekenis toe te kennen, terwijl het nu gangbaar is haar als slechts één van de vele verschijningsvormen van kunst en cultuur te beschouwen. Als onze tijd ergens hartgrondig een hekel aan heeft, dan is het wel aan het maken van onderscheid: alles is in principe gelijk, low culture, high culture, klassiek, wereldmuziek, jazz en pop.

Zo automatisch als men vroeger aannam dat de klassieke muziek op het hoogste puntje van de Parnassus zetelde, zo vanzelfsprekend is het vandaag de dag om principieel alles op één lijn te stellen. Die hedendaagse visie heeft met tal van factoren te maken, van politiek-correct denken - ‘alle culturen zijn op alle gebieden gelijkwaardig’, hoe verzin je het - tot pure onverschilligheid. In ieder geval zelden of nooit met innig gevoelde overtuiging, want de mens die alles even mooi vindt, hecht nergens betekenis aan.

Cultuurrelativisme

Werd het kunstdebat dus vroeger gedomineerd door een hiërarchisch denken dat door velen (wellicht te) klakkeloos werd geaccepteerd, tegenwoordig is het omgekeerde het geval: het cultuurrelativisme en de postmoderne ‘waarde(n)loosheid’ hebben het artistiek debat vast in de greep. Mevrouw Sorgdrager, voorzitter van de Raad voor Cultuur, haalde tijdens genoemd symposium fel uit naar de Nederlandse orkestcultuur, door te stellen dat eventueel extra geld voor de kunst in ieder geval niet zou mogen verdwijnen in de richting van de orkesten, die het publiek - ik citeer - ,,dingen door de strot duwen’’. In een klimaat waarin de Sorgdragers van deze wereld tot in de Raad voor Cultuur de toon van het debat bepalen, zal diegene voor wie Bach, Mozart en Beethoven de hoogste kunstnorm belichamen, zich er wel voor wachten dat standpunt te ventileren, tenminste als hij/zij in beleidskringen serieus genomen wil worden.

Maar hoe kan de overheid in deze tijd van cultuurrelativisme onderscheid maken tussen die kunstvormen die steun verdienen en die deze niet (meer) verdienen? Het antwoord is eenvoudig: dat kan zij niet, althans niet op inhoudelijke gronden. Kwaliteit en belang kunnen immers niet wetenschappelijk vastgesteld worden. Artistieke autoriteit, op wier woord men vroeger afging, geldt niet meer. De richtlijnen van de eigen traditie worden gewantrouwd. En dus beroepen beleidsmakers - en in hun kielzog de kunstwereld zelf - zich steeds nadrukkelijker op sociale en economische overwegingen. Kan kunst voor sociale cohesie zorgen in onze gesegmenteerde maatschappij? Levert kunst een bijdrage aan het vestigingsklimaat in een land, stad of streek? Voor de beantwoording van dergelijke vragen heb je geen Raad voor Cultuur nodig en dus is het niet verwonderlijk dat de rol van de Raad steeds kleiner wordt. In de nieuwe kunstenplanperiode wordt de bevoegdheid van de Raad voor Cultuur, als het aan staatssecretaris Medy van der Laan ligt, dan ook drastisch ingeperkt.

Ik pleit hier overigens niet voor het standpunt dat kunst alleen een esthetische betekenis heeft. Maar het esthetisch-inhoudelijke debat vervangen door sociaal-maatschappelijke overwegingen betekent het einde van de kunst. Als het om sociaal-economisch rendement gaat, is een investering in kunst op zijn zachtst gezegd een risico. Vroeg of laat wordt een duurbetaalde onderzoeker ingehuurd die aantoont dat kunstsubsidies beter richting buurthuizen en sportpaleizen kunnen worden ongebogen wanneer direct sociaal nut als beleidsdoel vooropstaat. Want kunst reflecteert weliswaar de sociale werkelijkheid, maar vaak op een onvoorspelbare, eigenzinnige manier die beleidsmatige manipulatie nauwelijks toelaat.

Maar mag er dan nooit wat veranderen in het wereldje van de klassieke symfonieorkesten? Integendeel: in principe moeten allerlei aspecten van het orkestbedrijf voortdurend opnieuw bekeken worden. Een modernere wijze van presentatie? Meer educatieve activiteiten? Meer betrokkenheid bij de gemeenschap? Ja, zeggen de meeste orkesten en ik zeg het hun na.

Artistieke kernopdracht

Maar al die activiteiten, oud en nieuw, moeten verankerd zijn in de artistieke kernopdracht van een symfonieorkest: het op het hoogste niveau vertolken van de klassieke meesterwerken. Er is niets tegen verbreding van het repertoire, ook niet in de richting van crossovers, maar dat moet wel vanuit kennis van en liefde voor de aard van het symfonieorkest en zijn repertoire gebeuren. Beleidsmakers die a priori hosanna roepen als een orkest rappers gaat begeleiden, verdenk ik er vaak van niet te begrijpen wat er nodig is om een hoogstaand symfonieorkest in stand te houden. En met het verdwijnen van de symfonieorkesten verdwijnt een werelderfgoed dat naar mijn overtuiging op één lijn staat met de Franse kathedralen en de Egyptische piramiden. Gergiev zinspeelde er al op tijdens het symposium: als het zo doorgaat, moeten wij straks naar China of Japan reizen om westers-klassieke muziek te horen. De ondergang van onze eigen klassieke-muziekcultuur lijkt onafwendbaar, als onze mentaliteit niet verandert.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links