Actueel (archief)

Bernard Haitink dirigeert zijn eerste (en laatste?)

Matthäus-Passion in Boston

 

© Maarten Brandt, maart 2008

 

 
  Bernard Haitink
   

Twee Nederlandse journalisten waren er afgelopen Goede Vrijdagavond bij toen Bernard Haitink het Boston Symphony Orchestra – waarvan hij ‘Emeritus conductor’ is – leidde in een uitvoering van Bach’s monumentale Matthäus-Passion, de eerste in zijn bijna tachtig jaar omvattende leven. Als het aan de dirigent zelf had gelegen, was het er nooit van gekomen. Niet dat het geen vrome wens was Bachs onvolprezen passie eens te dirigeren, dat zeker, maar Haitink doet niets waar hij niet voor wordt gevraagd. Hij is er de man niet naar zelf het initiatief te nemen tot onverschillig welk repertoire. Daarom bezitten we geen Turangalîla-symfonie van Messiaen onder deze nestor der Nederlandse dirigenten en al evenmin vastleggingen van de grote orkestwerken van Schönberg, Webern en Berg, muziek waar Haitink, blijkens een aantal verpletterende live-uitvoeringen met het Koninklijk Concertgebouworkest in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, een eclatante affiniteit mee bezit. Maar men vraagt hem alleen om Bruckner en Mahler en dat doet hij dan. Dit in weerwil van het feit dat hij in menig interview te kennen geeft dat de wereld overvoerd raakt met Mahler en dat men daar dus voorzichtig mee moet zijn.

De muziek van Bach prijkte bij Haitink betrekkelijk weinig op de lessenaars en de Matthäus-Passion dus al helemaal niet. Dat wil zeggen, op het slotkoor van het tweede deel ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder’ na, dat hij op 18 april 1959 dirigeerde in het kader van het aan de dood van Eduard van Beinum gewijde herdenkingsconcert. Zelf herinner ik me een uitvoering van de Hirtenmusik uit het Weinachtsoratorium die Haitink op een van zijn eerste kerstconcerten leidde. Uit de op kleine schaal uitgegeven en zeer omvangrijke Haitinkbijbel van Nico Steffen (‘Bernard Haitink, statistiek van een dirigentencarrière’) blijkt dat vooral het Vioolconcert in a en de Eerste orkestsuite met een zekere regelmaat door Haitink zijn uitgevoerd. Voorts heeft hij in zijn KCO-tijd een viertal cantates gedirigeerd waaronder ‘Weichet nur, betrübte Schatten’(BWV 202). De Matthäus-Passion kwam der traditie getrouw altijd voor rekening van anderen.

Amsterdamse Palmzondagtraditie

Willem Mengelberg heeft de befaamde Palmzondagtraditie in deze geïnaugureerd en de jonge Haitink heeft deze op en top romantische en zwaar gecoupeerde uitvoering gehoord. Deze traditie werd door Eduard van Beinum voortgezet die het werk in tegenstelling tot Mengelberg zonder coupures uitvoerde en een aanzienlijk lichtere toets nastreefde. Trouwens ten tijde van Mengelberg waren er reeds pogingen Bach’s grote Passie stijlzuiver uit te voeren, getuige de vertolkingen van Evert Cornelis in Utrecht, die met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ook voor Van Beinum een voorbeeld moeten zijn geweest en zijn veeleer onopgesmukte benadering hebben beïnvloed. Ook de interpretaties onder Bertus van Lier horen in die categorie thuis. In Arnhem heeft Hans Brandts Buys pioniersarbeid op dit terrein verricht, door de Matthäus zowel in de gangbare grote als – wat zeker toen revolutionair mocht heten – kleine bezetting uit te voeren. In de jaren zestig, toen Haitink chefdirigent was van het KCO, een post die hij deelde met Eugen Jochum, werd de laatste belast met het voortzetten van de Palmzondaguitvoeringen van de Matthäus. Jochums benadering was er een van een ongekende monumentaliteit, flamboyant, vervoerend en soms ook dwingend langzaam, maar oerspannend, en niet te vergeten met grote en in de goede zin bij deze visie passende solisten als bijvoorbeeld de tenor Ernst Haefliger en de bas Walter Berry.

Harnoncourt

In 1975 ging het roer om, en hoe! Want toen kwam de destijds alom furore makende oude muziek-specialist Nikolaus Harnoncourt de Amsterdamse Bach-traditie opfrissen. De grootte van de ensembles werd behoorlijk uitgedund, het tot nu toe in zwang zijnde klavecimbel afgeschaft ten gunste van twee orgels en de tempi werden niet alleen sneller, maar wat nog het meest belangrijk is, voorzien van een ritmisch reliëf waardoor er opeens een expressiviteit aan het licht trad die men tot op dat moment niet voor mogelijk had gehouden. Toch was Harnoncourt geen havik, ook al zou men dat op grond van zijn eerste opname (Teldec) - waarop hij met louter mannelijke solisten werkte en de sopraanaria’s voor rekening liet komen van jongensstemmen - wel verwachten.

Stellig zullen sommigen zich de (helaas niet meer verkrijgbare) tweede en live vastgelegde opname van de Matthäus-Passion met het KCO onder Harnoncourt herinneren waarin de onvergetelijke sopraanpartij voor rekening kwam van de veel te vroeg heengegane Arleen Augér. Wie mocht denken dat Haitink na Harnoncourt de kans kreeg zijn visie op Bach passie te etaleren heeft het mis, want nu kregen bij toerbeurt verschillende barokdirigenten de kans hun ideeën over de Matthäus- Passion op het KCO uit te proberen. Wat onder meer imposante uitvoeringen heeft opgeleverd onder vooraanstaande coryfeeën op dit gebied als Philippe Herreweghe en Ton Koopman. Dat het niet allemaal goud is wat er blinkt bleek afgelopen Palmzondag, toen Iván Fischer voor een nogal ongenuanceerde weergave van Bach’s meest gespeelde partituur zorgde. Wat eigenlijk hogelijk bevreemdt, omdat dezelfde dirigent eertijds bij De Nederlandse Bachvereniging in Naarden voor een wel degelijk buitengewoon geslaagde en stijlzuivere uitvoering tekende. De enige chefdirigent sedert Mengelberg en van Beinum die bij het KCO een Matthäus heeft gedirigeerd is Riccardo Chailly en of Mariss Jansons het ooit zal doen is maar zeer de vraag.

Zijlijn

Hoe dan ook, Haitink heeft bij de Matthäus-Passion altijd aan de zijlijn gestaan, tot afgelopen Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Paaszaterdag toen hij driemaal de Matthäus-Passion verklankte met het Boston Symphony Orchestra. Merkwaardig is dat noch Kasper Jansen (NRC) noch Peter van der Lint (Trouw) in hun euforie over deze uitvoering hebben verwezen naar de internetsite van de Bostonse radio (WGBH) waarop afgelopen zondagavond Haitink’s Bach-odyssee tussen 19.00 en 22.00 uur kon worden beluisterd. Wel een ernstige omissie bij een, om het even hoe men ook tegen Haitinks lezing aankijkt, evenement van een dergelijke historische importantie. Schrijver dezes heeft deze gebeurtenis via de hoofdtelefoon van zijn pc gevolgd, dat betekent natuurlijk geen superHifi-geluid, maar wel een stereoweergave op basis waarvan het prima mogelijk bleek Haitink’s intenties te achterhalen.

Mijn verwachtingen waren redelijk hoog gespannen omdat Haitink met name door zijn spraakmakende Beethovenvertolkingen met het London Symphony Orchestra klinkend heeft bewezen (zie de bespreking van Aart van der Wal) dat het mogelijk is de inzichten van weleer te verbinden met de verworvenheden op het gebied van de historiserende uitvoeringspraktijk. Dat dit in Londen zo fabuleus is gelukt valt natuurlijk mede toe te schrijven aan de omstandigheid dat het om meerdere concerten ging, waaraan tal van grondige repetitieperiodes vooraf zijn gegaan, zodat het orkest met Haitink als het ware een uitvoeringspraktijk echt tot een tweede natuur kon maken. Deze situatie valt in de verste verte niet met die van het Boston Symphony Orchestra te vergelijken. Bach’s Matthäus-Passion is er bepaald geen traditie zoals bij ons, waar – om een oud criticus van het niet meer bestaande platenblad Disk te citeren – de meeste uitvoeringen per vierkante kerkplavuis ter wereld plaatsvinden. Nee, dit werk bezit dezelfde status als bijvoorbeeld de Missa Solemnis van Beethoven, die ook om de tien, twaalf jaar wordt uitgevoerd. De laatste uitvoering van de Matthäus vóór Haitink was onder Seiji Ozawa, nu alweer tien jaar geleden, die er trouwens met zijn Saito Kinen Orchestra een gedegen maar ook heel saaie opname (Philips) van maakte.

Voortvarend

Welnu, saai was het allerminst wat Haitink liet horen. Anders dan men wellicht zou vermoeden op grond van een musicus die uitblinkt in Bruckner, Mahler en Wagner, klonk hier een Matthäus waarvoor het predikaat voortvarend de lading geheel dekt. De lengte van Haitinks vertolking wijkt niet noemenswaardig af van die van Koopman en Herreweghe en bedraagt ongeveer twee uur en veertig minuten. Het was meteen duidelijk wat de dirigent in het openingskoor voor ogen stond: een licht-wiegende cadans en een optimaal doorzichtig klankbeeld. Orkestraal kwam dit alles prima uit de verf. Het probleem is echter het koor (het traditionele jongenskoor was door meisjes bezet), dat nogal oratoriumachtig van leer trekt. Die indruk kon Haitink ternauwernood wegnemen, gewoon omdat de barokke zangpraktijk zoals wij die in Nederland bij nagenoeg alle professionele gezelschappen kennen, bij orkestkoren als deze schittert door afwezigheid. Dat wiel valt uiteraard niet in drie a vier repetities uit te vinden. Maar jammer was dus wel dat het plastische klankbeeld dat Haitink beoogde – waaruit overigens duidelijk zijn vertrouwdheid met de historiserende inzichten blijkt - en dat hij instrumentaal een eindweegs waarmaakte niet sluitend in vocale termen kon worden vertaald.

Vaart was er zeker, ook en niet in de laatste plaats tijdens het evangelieverhaal. Ook de recitatieven, aria’s en koralen volgden dikwijls snel op elkaar. Behalve op die momenten waarop bezinning aan de orde was; dan aarzelde Haitink niet de tijd te nemen. In de koralen wist het koor vaak beter te overtuigen, speciaal in ‘O Haupt voll Blut und Wunden’ dat extra aangrijpend overkwam doordat Haitink het tweede couplet in een mooi ingehouden pianissimo liet zingen.

Onidiomatische uitspraak

Voor de continusectie maakte Haitink gebruik van twee orgels, zoals dat thans meestal te doen gebruikelijk is. Fraaie instrumentale bijdragen waren er ook te bewonderen, getuige bijvoorbeeld het gamba-aandeel in de aria’s ‘Geduld’ en ‘Komm, Süßes Kreuz’ en dat laatste is iets dat je niet meteen bij een allesbehalve in de barok doorwintert Amerikaans symfonieorkest zou verwachten. Op het aandeel van de solisten valt wel het nodige af te dingen. Van de superlatieven voor de tenor/evangelist Ian Bostridge begrijp ik niet veel. Zijn stem heeft in het middengebied een mooie klank maar is in het hoog dikwijls net onzuiver en bezit bovendien larmoyante trekjes. Wat me vooral hindert is de onidiomatische uitspraak van het Duits met de neiging medeklinkers dermate te benadrukken dat het resultaat soms bijna lachwekkend overkomt. Dat het ook anders kan met Engelse zangers leren de voorbeelden van Howard Crook (Franse Harmonia Mundi, evangelist in Herreweghe 1) en Anthony Rolfe-Johnson (DG, evangelist in Gardiners opname). De Christuspartij van Thomas Bauer is wat anoniem, verdrukt als hij soms wordt door de over acterende Bostridge.

Ruimtelijke opstelling

De hoogste troeven werden uitgespeeld door Christianne Stotijn, met onder meer een diep doorleefd ‘Erbarme dich’ zonder dat het geheel ook maar bij benadering sentimenteel werd. Ook in de andere aria’s wist zij sterk tot de verbeelding te spreken, zoals bij voorbeeld in ‘Sehet, Jesus hat die Hand’. Adembenemend mooi was ook de sopraan Marlis Petersen met een zeer subtiel en ontroerend ‘Aus Liebe’, terwijl de tenor Steve Davislim een dramatisch pleidooi hield voor de ‘Geduld’-aria. De basaria’s van Peter Harvey waren zonder meer goed, maar misten voor mij het raffinement van een Peter Kooy of een Klaus Mertens.

Opvallend was ook dat Haitink de kleine rollen niet door leden van het koor maar door solisten liet zingen, maar de meerwaarde daarvan is me niet duidelijk, want echt bijzonder vond ik de stemmen niet. Wel trof me – zelfs via de pc – de mooie ruimtelijke opstelling van de koren en solisten. En Haitinks concentratie die, tot aan het slotkoor, geen knik vertoonde. Maar het slotkoor zelf was een deceptie, niet alleen door het snelle tempo (Koopman is ook snel, maar wat een raffinement klinkt er bij hem!) maar ook door de conventionele dikke klank die in geen verhouding stond tot wat Haitink in het openingskoor van deel 1 liet horen.

Voortouw

Samenvattend: Haitink dirigeerde een Matthäus waarin hij de kloof tussen de romantische en de historiserende traditie trachtte te dichten, wat hem deels wel en deels niet lukte, hetgeen in het kader van de mogelijkheden ook niet anders viel te verwachten. Maar de aanzetten waren er en daarom zou het jammer zijn als deze eerste gelijk ook Haitinks laatste Matthäus zou zijn. Welnu, zo lang Haitink zelf geen initiatief neemt in Nederland een Matthäus te dirigeren zal dat niet gebeuren, dus moet iemand anders het voortouw nemen. Mijn voorstel: laat De Nederlandse Bachvereniging, het Amsterdam Baroque Orchestra of het Orkest van de Achttiende Eeuw Haitink uitnodigen de Matthäus te dirigeren, let wel met solisten die hun reputatie in de baroktraditie hebben verdiend. En ik durf er haast vergif op in te nemen dat het resultaat weleens heel indrukwekkend zou kunnen worden. Net zo indrukwekkend als de Londense Beethovens!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links