Actueel (archief)

Gergiev Festival in Rotterdam

 

© Aart van der Wal, 26 oktober 2004

 

Het (inmiddels negende) Gergiev Festival in Rotterdam was weer een eclatant succes met niet minder dan 20.000 bezoekers, wat neerkomt op 2800 per dag, 500 meer dan in het voorgaande jaar. Ook voor de randactiviteiten (films, lezingen e.d.) bleek grote belangstelling en werden er 5000 bezoekers geregistreerd. Hoopgevend is ook dat het aantal jongeren sterk stijgt en dat zo'n 30% van de mensen het Festival voor het eerst bezocht.

Dat Valery Gergiev ook bij een dergelijk groot evenement dé grote publiekstrekker is staat buiten kijf en dat de grote populariteit van de muziek van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-93) daarbij evenzeer een belangrijke factor is geweest spreekt welhaast vanzelf, maar dat neemt niet weg dat in deze tijden van forse bezuinigingen en 'de euro als gulden' het publiek niet verstek liet gaan en zich met overgave koesterde aan de romantische warmte van De wereld van Tsjaikovski.

Het uitvoeringsniveau was onverminderd hoog en de toon werd al in het openingsconcert op zaterdag 16 oktober gezet met een sfeervolle en zeer dramatische fantasieouverture Romeo en Julia, gevolgd door Nikolaj Znaiders zeer geïnspireerde en evenwichtige lezing van het Vioolconcert (met slechts incidenteel geringe lacunes in het samenspel met het orkest) en als kroon op dit werk een magistrale weergave van de Vierde symfonie.

Philips, dé grote sponsor van het Festival die Gergiev en het Kirov onder contract heeft, liet deze keer geheel en al verstek gaan en dat had vanzelfsprekend gevolgen voor de aankleding: het aanbod was iets minder dan in de voorgaande jaren en moesten we het stellen zónder Tsjaikovski-opera en -ballet, maar gelet op wat er wèl was - en hoe! - moet daarover maar niet al te veel worden gezeurd. Het publiek werd gul getrakteerd op een zeer hoog uitvoeringsniveau waarin volop plaats was voor romantische hartstocht en  bevlogenheid. Gergiev, de man die nooit tijd heeft, er een agenda op nahoudt die vrijwel niemand kan volgen en wiens tomeloze energie soms uitgesproken confronterend kan zijn, speelde het ook nu weer klaar, door die zo bijzondere combinatie van groot vakmanschap en geloof in eigen kunnen en dat van anderen.

De festivalorganisatie had gekozen voor een fraai decorum met tot de verbeelding sprekende Russische sfeertekeningen, waardoor de bezoekers althans een glimp werd gegeven van het Rusland van de negentiende eeuw. Maar uiteindelijk ging het toch vooral om de ruim dertig voorstellingen waarin ook aandacht werd geschonken aan tijdgenoten van Tsjaikovski, zoals Michail (1804-57), de grondlegger van de Russische opera, Anton Rubinstein (1829-94), de eerste Russische componist die pianoconcerten en symfonieën schreef, en natuurlijk het componerende vijfmanschap dat verenigd onder de naam Het machtige hoopje een 'waarachtig' nationale muziekstijl op basis van de Russische volksliedkunst nastreefde: de chemieprofessor en arts Aleksandr Borodin (1833-87) die zijn spaarzame vrije tijd vooral stak in het componeren van opera's,  de ingenieur César Cui (1835-1918), de pianist Mili Balakirev (1837-1910), dé katalysator van de nationale stijl, de van vrijwel alle markten thuis zijnde marineofficier Rimski-Korsakov (1848-1919) en de uiteindelijk aan drankzucht bezweken luitenant Modest Moesorgski (1839-81). Dat ook Igor Stravinsky in deze festivalcaleidoscoop niet mocht ontbreken spreekt bijna vanzelf.

Interessante films waren er ook: Tsjaikovski (1997) van Simon Broughton uit de BBC-serie Great Composers, en Looking East, looking West (2001), deel 5 uit de serie All the Russias van dezelfde regisseur die door de NPS al eerder werd uitgezonden; Balanchine lives! (1997) van Michael Blackwood; Russian Ark (2002), hét cinematografische epos van Alexander Soekorov dat drie eeuwen Russische geschiedenis omspant met ruim tweeduizend acteurs en figuranten, waarin een Franse markies de kijker als het ware aan de hand meeneemt naar 33 zalen van de Hermitage in Sint-Petersburg en waar belangrijke historische personages hun opwachting maken in een fraaie muzikale omlijsting waarin Gergiev drie orkesten leidt; Tsjaikovski in Italy (2004) van Adam Sébire dat is opgebouwd uit van kenmerkende passages uit ettelijke brieven tussen Nadjezjda von Meck en Tsjaikovski die - uitgeblust en gedreven door neerslachtigheid - het warme en zonnige Italië opzocht om nieuwe inspiratie op te doen; de tweedelige documentaire van Christopher Nupen over het leven van de componist: Tsjaikovski's Women (1988) en Fate (1989); en dan tenslotte de nogal speculatieve Who killed Tsjaikovski? (1993) van John Purdie.

In de tot 'Grand Salon' omgedoopte Jurriaanse Zaal werden voordrachten gehouden waarin werd getracht om een zo scherp mogelijk beeld van Tsjaikovski en zijn omgeving te schetsen. Veel nieuws kwam daaruit voor de kenners niet naar voren maar voor menigeen zal het stellig een eye-opener zijn geweest. Een uitschieter vormde de inleiding van Francis Maes over het thema Tsjaikovski als leraar, rolmodel en inspirator.

Hoogtepunten waren er dusdanig in overvloed dat het - en dat bedoel ik hier dan als groot compliment! - bijkans routine werd. Door zóveel vocale en instrumentale schoonheid voelde men zich allicht even zoals Stendhal in 1817 in Florence.

Om er dan tóch enige uit te lichten: de spectaculaire uitvoering van de Derde symfonie, de Poolse, die geheel ten onrechte slechts mondjesmaat op de concertprogramma's verschijnt en waarvoor Gergiev en het orkest een gloedvol en zeer overtuigend pleidooi hielden; de bariton Sergej Leiferkus in een fraai uitgebalanceerd programma met liederen van Borodin, Balakirev, Cui, met als apotheose Moesorgski's zeer aangrijpende cyclus Liederen en dansen van de dood; en later in de week drie intens door de bariton voorgedragen en perfect uitgewerkte liederen van Borodin en 's avonds al even formidabel in drie aria's uit Rubinsteins De demoon, met als klapstuk Gergievs verbluffende en zeer energieke vertolking van de Tweede symfonie, de Klein-Russische, waarin zowel lyriek als drama in pure schoonheid waren gevat in vele grootse momenten met fantasierijk spel.

Zelden vertoond en zeer aantrekkelijk vormgegeven en gespeeld was ook Rimski-Korsakovs Mozart en Salieri naar de tragedie van Alexander Poesjkin, waarin de vergiftigingstheorie centraal staat die we ook kennen uit de film Amadeus. Naast de uitstekende presentatie door Hans Nieuwenhuis was er alle ruimte voor het geweldige poppenspel van Feike Boschma en Guy Sonnen, de uitstekende vocale bijdragen van de bariton Hubert Claessens in de rol van Salieri en de tenor Charles Hens die Mozart uitbeeldde. Irina Sisojeva bleek een fantasievolle pianiste die de muzikale touwen stevig in handen hield.

De beide balletavonden in de Grote Zaal lijken mij niet voor herhaling vatbaar: de akoestiek was onbarmhartig voor de danspassen, die overluid waren en een hinderlijke barrière vormden tussen de muziek (Serenade voor strijkers en Stravinsky's Apollon musagète) en de toehoorders. Het orkest moest zich uiteraard aan deze entourage aanpassen wat duidelijk ten koste ging van de balans. In dit geval was dat extra jammer want het Kirov-ensemble zien en horen we per slot van rekening ook niet iedere dag. Enfin, men had het van tevoren ook kunnen bedenken.

De Vijfde symfonie kreeg een als uit graniet gehouwen verklanking, in de fraaist denkbare kleurschakeringen en met een zeldzaam spannende finale, met Gergiev en het orkest op hun best, maar de vóór de pauze uitgevoerde Vierde symfonie (oorspronkelijk de Eerste) van Sergej Tanejev (1856-1915) mist oorspronkelijkheid en ook Gergiev kon van deze nogal doorzeurende muziek geen meesterwerk maken.

Dan was er de in Amsterdam wonende Let Naum Grubert die met een bijzonder recital zijn reputatie weer eens bevestigde in o.a. drie Préludes uit op. 32 en de Elegie in es-klein uit de fantasiestukken op. 3 van Rachmaninov, met de zegepalm voor de weergaloze, fraai gestructureerde vertolking van Skrjabins Derde sonate, waarin het verbluffende technische raffinement niet meer dan een onderdeel was van het indrukwekkend gestalte gegeven muzikale discours.

De slotavond was na de pauze gewijd aan Tsjaikovski's symfonische zwanenzang: de Pathétique. Soms oorverdovend, maar ook onverbiddelijk en martiaal leverden Gergiev en de orkesten uit Rotterdam en Sint-Petersburg een bijna dwingend eerbetoon aan de componist die eens werd beschouwd als een 'verachtelijk voorbeeld van burgerlijke decadentie'. Nadat de laatste maten van het zuchtende adagio lamentoso waren verklonken bleef het een halve minuut doodstil in de zaal, men kon de figuurlijke speld horen vallen. Maar toen gingen de handen op elkaar en werd het festival uitgeluid met een even oorverdovende ovatie, omgeven door gejoel, gejuich en gestamp, een absoluut verdiend dankgebaar waarin allen die dit festijn tot zo'n succes hadden weten te maken, van harte mochten meedelen. Een hevig rondzingend en maar niet tot zwijgen te brengen gehoorapparaat dat de ouverture Hamlet aan het begin van de avond grotendeels aan het gevoelige oor had ontrokken was toen allang vergeten...

Kortom, een succes, het negende Gergiev Festival. Of beter nog: het eerste en waarschijnlijk daarmee tevens enige Tsjaikovski Festival in ons land. Volgend jaar gaat het roer om, van de Russische muziek naar het Weense fin-de-siècle met de uitlopers naar de schisma's van het begin van de twintigste eeuw, met vooral muziek van Richard Wagner en Richard Strauss, waaronder een concertante Elektra. Het Festival vindt volgend jaar plaats van 10 t/m 17 september.

Of dit een gelukkige keuze is weten we pas na afloop, maar vooralsnog zal Gergiev toch nog maar eens stevig moeten werken aan een goede balans tussen zangstem(men) en orkest, want tijdens het slotconcert ging de sopraan Sue Patchell in Isoldes Liebestod herhaaldelijk de mist in, overstemd als zij werd door de zich luidkeels manifesterende en zichtbaar enthousiaste orkesten uit Rotterdam en Sint-Petersburg. Bovendien: hárd is niet altijd móói. Grosse und nobele Ton is iets anders dan luidheid! Een slechts marginale smet op een grootse gebeurtenis: het negende Gergiev Festival , een muzikale verbintenis ook tussen twee havensteden: Rotterdam en Sint-Petersburg.

Gergiev heeft ondanks beperkte repetitietijd en zijn mobieltje vrijwel altijd binnen oorbereik, met om hem heen een constante stroom mensen die van alles van hem willen, een onuitwisbaar muzikaal stempel op zowel de festivals als vele concerten in de Maasstad en Amsterdam gezet. De wervelwind kwam, zag en overwon, maar de vraag doemt op hoe lang hij het bijna moordende tempo nog kan volhouden, hoeveel energie er daarvoor nog over is. Soms lijkt het wel op Russische roulette met zijn gezondheid als inzet.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links