Solisten

Weer boog zij niet naar links

Aflevering 1: Het podiumincident

 

© Albert van der Schoot, juni 2020

 

In het boekje Kapitein Walther Boer en het galaconcert (elders op deze site besproken) heb ik verslag gedaan van de weigering van Peter van Anrooy, om bij het galaconcert ter gelegenheid van het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard (1937) het Horst Wessellied te dirigeren. Dat kostte hem de sympathie van koningin Wilhelmina, die de opdracht tot het spelen van deze nazi-hymne had gegeven. Kapitein Walther Boer nam die taak van hem over.

De weigering van Van Anrooy was een moedige verzetsdaad geweest in het vooroorlogse, oranjegezinde Nederland, waar het ingaan tegen de wens van de vorstin door velen als een zwaarder vergrijp werd beschouwd dan het publiekelijk spelen van het nazilied. Dat heeft Van Anrooy dan ook te horen gekregen, drie jaar voordat ook in ons land de nazi’s het heft in handen namen.

Slechts weinig musici hebben de moed opgebracht, ook tijdens de bezetting openlijk van hun uitgesproken weerzin tegen het nazidom blijk te geven. Ik wil in dit tweedelige artikel de context belichten van één gebeurtenis, die in de jaren veertig als ‘het podiumincident’ bekendheid heeft gekregen. Opnieuw weigerde een musicus te buigen voor het gezag, maar nu in letterlijke zin – en wel op dezelfde plaats waar Peter van Anrooy dat in figuurlijke zin had gedaan: het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen in Den Haag.

De Kultuurkamer
In 1942 werd voor alle kunstenaars het lidmaatschap van de ‘Kultuurkamer’ verplicht. Zonder dat lidmaatschap was publiceren of optreden in het openbaar uitgesloten. De meeste kunstenaars voldeden aan die verplichting; een minderheid meldde zich niet aan, en moest zien te overleven van particuliere opdrachten, of verzorgde illegale publicaties.

In de muzieksector werden de ‘zwarte avonden’ beroemd, de semi-illegale bijeenkomsten die door particulieren werden verzorgd en die niet publiek werden aangekondigd. Het waren huisconcerten waarbij optredende kunstenaars geld of (later vooral) levensmiddelen inzamelden bij het publiek. Ze traden letterlijk op voor een appel en een ei. Aardappelen waren ook zeer gewild.

We weten precies wie zich voor de Kultuurkamer hebben aangemeld, want de administratie wordt op het NIOD zorgvuldig bewaard en is, onder voorwaarden, voor onderzoek toegankelijk. In het betreffende archief is ook een lijstje te vinden van vijftig musici, die de aanmeldingspapieren wel hebben aangevraagd, maar niet hebben teruggestuurd. (1) Dat lijstje bevat vrij veel bekende namen. Dat we daaronder zowel Willem Mengelberg (1871-1951) als ook de sopraan Jo Vincent (1898-1989) aantreffen is wel verrassend. Groter tegenstelling dan tussen deze twee musici leek, waar het hun houding tegenover de bezetter betrof, nauwelijks denkbaar. Mengelberg stond wat dit soort zaken betreft onder en boven de wet: hij stond algemeen bekend als deutschfreundlich, hij was in korte tijd het symbool geworden van de probleemloos met de ‘nieuwe orde’ meebuigende kunstenaar, en hij kon een potje breken bij de Duitsers. Dat deed hij dan ook: zijn protest tegen het ontslag van de joodse orkestleden heeft in ieder geval voor enkelen tot een vertraging daarvan geleid, de wel ontslagen orkestleden kregen een betere behandeling dan andere joden, hij bleef op eigen aandringen nog een paar maal Mahler dirigeren toen dat eigenlijk al verboden was, en later in de oorlog heeft hij voorkomen dat orkestleden voor de Duitsers moesten ‘wachtlopen’. (2) Meestal was bij zulke interventies het belang van het orkest in het geding, maar niet altijd.

In 1941 bemoeide hij zich (zonder succes) bij Seyss-Inquart voor een uitreisvisum voor de in Nederland werkzame joodse violist Carl Flesch. (3) En toen de joodse moeder van componiste Henriëtte Bosmans in 1944 werd opgepakt om naar Westerbork te worden vervoerd, vroeg de componiste aan Mengelberg om zich voor haar in te zetten. Mengelberg deed dat, en zij kwam vrij. (4)

 

Voor Jo Vincent daarentegen werd, ook in sommige officiële Duitse
stukken, de aanduiding deutschfeindlich gebruikt.

Zij verscheen al voor de oorlog op de Duitse radar. Haar medewerking aan een weldadigheidsavond voor de uit Duitsland gevluchte joden leverde haar in 1939 een verbod op om nog in Duitsland op te treden, wat ze in eerdere jaren graag en veel gedaan had. (5) Het telegram laat zien dat de Duitsers al voor de oorlog goed bijhielden wie zich in Nederland voor de joodse vluchtelingen inzette. Toen ze echter, slechts een week na de Duitse inval in ons land, toch weer een uitnodiging kreeg voor een grote concerttoernee in Duitsland, ging ze daar niet op in: ze liet in haar reactie weten deze uitnodiging als een belediging te beschouwen. (6)

Mengelberg kon zich veroorloven de aanmeldingspapieren voor de Kultuurkamer niet terug te zenden; Jo Vincent daarentegen weigerde het, onomwonden en openlijk. Dat betekende dat zij vanaf 1 april 1942 niet meer in het openbaar mocht optreden. Die datum viel midden in het Matthäus-seizoen. Zo zong zij haar rol nog wel op 29 maart in het Concertgebouw, maar zegde ze de beide uitvoeringen in de Grote Kerk in Naarden, op 2 en 3 april, af. In de drie jaren daarna was ze een veelgevraagd soliste bij de ‘zwarte avonden’. Ook zelf organiseerde ze zulke concerten in haar grote huis in Overveen, huize Tetterode.

 
 

Jo Vincent
(1898-1989)

Later zou blijken dat de Matthäus op 29 maart ook haar allerlaatste optreden samen met Willem Mengelberg is geweest. Maar op de dag daarna was er nog een solorecital voor haar georganiseerd in Den Haag, in Diligentia. De impresario had dat breed aangekondigd als haar ‘Afscheidsconcert’, en de zaal zat dan ook stampvol. In allerlei bronnen vinden we de herinnering aan de toegift die ze die avond gaf: Schuberts aangrijpende ‘An die Musik’. En dat onder die omstandigheden ... je kunt je niet voorstellen dat er nog wangen droog zijn gebleven bij het aanhoren van ‘Du holde Kunst, ich danke dir!’

Het incident
Ook in haar eigen memoires (in feite op schrift gesteld door haar tweede echtgenoot, de huisarts Cor G.J. Bos) beschrijft ze dit laatste concert vóór haar gedwongen afscheid van het openbare muziekleven, waarin ze zulke grote triomfen had gevierd. (7) Maar een andere, eerdere gebeurtenis uit de oorlog is in haar memoires niet te vinden, terwijl die toch bij uitstek haar moed en onverzettelijkheid tegenover de bezetter illustreert. Is dat alleen uit bescheidenheid, of speelt er nog een andere overweging mee? Oorlogshistoricus Loe de Jong vond het gebeuren belangrijk genoeg om het in Deel 5 van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog te vermelden. Ik geef hier eerst zijn relaas:

‘In december '41 was zij in Den Haag als soliste opgetreden met het Concertgebouw-orkest. Zij hoorde toen dat Seyss-Inquart in de zaal zat en zag hem, toen zij opkwam, aan de linkerkant zitten.Toen zij buigend dankte voor haar verwelkoming, liet zij opzettelijk na, naar links te buigen. Onder het applaus na afloop van haar optreden voegde Mengelberg haar toe: ‘Je moet ook naar links buigen, daar zit je regering!’ ‘Mijn regering zit in Londen’, was het antwoord van de zangeres, en weer boog zij niet naar links.’ (8)

Hier zijn een paar opmerkingen bij te maken.

Allereerst de datering. ‘December 1941’, zegt De Jong zonder een precieze datum te noemen. Veel andere boeken, tijdschriften en websites geven dezelfde datering; het ziet ernaar uit dat veel daarvan het verslag van De Jong als hun bron hebben gebruikt. Maar dit kan niet kloppen. Het is waar dat zowel Jo Vincent als het Concertgebouworkest in de laatste maanden van 1941 regelmatig in Den Haag hebben opgetreden, maar het orkest deed dat niet onder leiding van Mengelberg. Toen Jo Vincent op 15 november 1941 in Den Haag een aria van Weber zong, stond het orkest onder leiding van Eugen Jochum. Bij andere Haagse optredens in die periode werd het orkest gedirigeerd door Ernest Ansermet en Eduard van Beinum. Willem Mengelberg vertoonde zich na het eerste oorlogsjaar nog maar af en toe in Nederland, en in het najaar van 1941 is hij daar helemaal niet geweest! Een concert onder zijn leiding in december 1941 in Den Haag is dus uitgesloten.

Hoe kwam De Jong dan aan deze informatie?

Ook hij las de memoires van Jo Vincent. Die waren verschenen in 1955, het jaar waarin hij van de regering de opdracht had gekregen in een groots geschiedwerk de geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog te belichten. En ook hem is het ontbreken van het podiumincident in haar memoires opgevallen – terwijl hij er al in de oorlog van gehoord had, toen hij in Londen werkte voor Radio Oranje.

Waarom ontbrak dit verhaal dan in haar memoires – was het misschien een broodje aap-verhaal geweest? De Jong wil er het fijne van weten en schrijft op 26 september 1957 een brief aan Jo Vincent. Onder verwijzing naar zijn regeringsopdracht tot het schrijven van het geschiedwerk vraagt hij haar hoe de vork precies in de steel zat. Hij formuleert zorgvuldig en geeft alvast een voorzetje dat de zangeres als handvat kan gebruiken voor het geval het allemaal toch niet waar mocht zijn:`

‘Nu was in de bezettingstijd de neiging groot, allerlei sterke verhalen te verbreiden, eventueel zelfs min of meer te verzinnen en gezien de algemene verspreiding die deze verhalen omtrent U gekregen hebben (..) zou ik het wel zeer op prijs stellen indien U zich de moeite wilde geven, mij te schrijven, wat er nu eigenlijk aan de hand is geweest dat tot die verhalen aanleiding gegeven kan hebben’. (9)

De zangeres laat de geschiedschrijver niet lang wachten op een reactie. Maar kennelijk voelt ze er niet voor om zelf zijn brief te beantwoorden, en ze draagt deze taak, net als het schrijven van haar memoires, over aan haar man. Die beschrijft het incident in zijn antwoord aan De Jong ongeveer zoals deze dat later in zijn boek zou doen, maar op het zinnetje ‘Mijn regering zit in Londen’ laat hij volgen: ‘Maar mijn vrouw heeft er bezwaar tegen, dat Mengelberg nu nog publiekelijk aan de kaak wordt gesteld en dus moest u dit maar niet vermelden’. (10) Aan dat verzoek is De Jong dus niet tegemoet gekomen. Daarentegen laat hij een saillant detail, dat dokter Bos zonder een dergelijk voorbehoud vermeldt, achterwege: op een bepaald moment ‘kreeg het publiek het in de gaten, zoodat zij voortdurend werd teruggeroepen, steeds enthousiaster, en steeds boog zij slechts naar voor en naar rechts.’ Daarom was de ovatie zo langdurig: het publiek wilde deel uitmaken van deze verzetsdaad!

En nog voor Seyss-Inquart eventueel in de pauze de solistenkamer zou kunnen bezoeken, was de zangeres alweer verdwenen. Met nog een laatste aanwijzing aan de suppoost: ‘Als S.I. naar mij vraagt, zeg dan maar, dat mevrouw in haar broek staat!’ Ook dit vindt Cor Bos ‘niet voor publicatie geschikt’, en daar heeft De Jong zich aan gehouden. Aan dit verslag wordt dan tussen haakjes het jaartal (1941) toegevoegd, kennelijk opgediept uit de niet meer zo accurate herinnering.

Het concert van 7 december 1940
We kunnen De Jong moeilijk kwalijk nemen dat hij die datering niet nader heeft onderzocht: hij kreeg z’n informatie immers uit de eerste hand. Verbazingwekkender is, dat van veel publicaties die zich op De Jongs verslag baseerden, geen enkele auteur zich kennelijk heeft afgevraagd wat voor concert dit eigenlijk was, wat Jo Vincent dan wel zong, en wat er nog meer op het programma stond. En niet in de laatste plaats: waarom de Rijkscommissaris nu juist bij dit concert aanwezig was. Dat zal toch zeker niet uit bewondering voor Jo Vincent zijn geweest ... Het concert waar het in werkelijkheid om ging vond al in het eerste oorlogsjaar plaats, op 7 december 1940. Het wordt in De Maasbode van 5 december 1940 als volgt aangekondigd:

Het concert eindigde dus met Tsjaikovski’s Notenkrakersuite – ook al een aanwijzing dat dit optreden niet in december 1941 plaatsvond, want toen was het uitvoeren van Tsjaikovski en andere Russische componisten al door de Duitsers verboden. Alsof de onderdanen van het Russische tsarenrijk iets van doen hadden met het sovjet-communisme! Mengelberg kon zich overigens ook ten aanzien van Tsjaikovski wat meer veroorloven dan andere dirigenten. Nog in 1944 kreeg hij zelfs, als enige, toestemming om in Amsterdam en Den Haag enkele uitvoeringen te geven van de Symphonie Pathétique. Dit laatste op aandringen van mevrouw Gertrud Seyss-Inquart, een uitgesproken fan van dit stuk ... (11)

De andere solist op het concert van 7 december 1940 was Carel van Leeuwen Boomkamp. Hij introduceerde voor het Haagse publiek het Tweede Celloconcert van Henk Badings, dat hij eerder al in Amsterdam had gespeeld. De recensies in de kranten konden natuurlijk niet expliciet zijn over de minachting die Seyss-Inquart ten deel was gevallen, maar het lijkt wel alsof sommige recensenten toch een poging wagen om degenen die erbij waren nog even extra te laten nagenieten: er zijn opvallend veel verwijzingen naar de bijval die Jo Vincent ten deel viel. Zo vermeldt de Haagsche Courant van 9 december: ‘Het publiek reageerde met groote warmte (...) en de zangeres moest meermalen voor den bijval komen danken’. De Residentiebode: ‘Natuurlijk groot en hartelijk succes voor de zangeres.’ De Tijd contrasteert met zoveel woorden het ‘langdurig applaus’ voor Jo Vincent met het ‘beleefdheidsapplaus’ waarmee Badings, Van Leeuwen Boomkamp en Mengelberg werden gehuldigd. Recensent A. de Wal geeft de lezer van Het Vaderland nog een extra knipoog tussen de regels door: ‘Mozart is een Italiaansche Oostenrijker (..), en dat was in dien tijd een in-muziek heel-nobele-levenshouding. (...) Jo Vincent vertolkt noten en ziel volkomen. Dies zijn wij haar dankbaar. Het publiek heeft de zangeres “op de handen gedragen”.’

Het Nationale Dagblad, de krant van de NSB, brengt op 10 december een tegenovergestelde opinie naar voren: de opvatting van Jo Vincent was ‘niet bezield genoeg’. Van de bijval die de soliste ten deel viel maakt deze krant geen melding. Daarentegen is het blad vol lof over het nieuwe celloconcert van Henk Badings. En nu begrijpen we waarom Seyss Inquart juist bij dit concert aanwezig was: een nieuwe compositie van zijn favoriete Nederlandse componist werd uitgevoerd onder leiding van zijn favoriete dirigent. Volgens een in de oorlog circulerende Duitse lijst van Nederlandse componisten was Badings ‘der bedeutendste Komponist in Holland seit 1600. (...) Die besten germanischen Prinzipien eines Bach, Bruckner, sind in zeitgenoss. Sprache weitergeführt’. (12) De voorkeur van Seyss-Inquart wordt echter niet alleen door de ‘Germaanse beginselen’ in het notenbeeld bepaald, maar misschien nog wel meer door de ‘Germaanse beginselen’ in Badings’ denkwijze. In het artikel ‘De ivoren toren van den componist’ had Badings kort na de Duitse inval de kloof tussen componist en publiek bekritiseerd, en opgemerkt dat ‘de dramatische gebeurtenissen van onzen tijd’ de omstandigheden hebben geschapen waardoor componist en volksgemeenschap zich meer op elkaar aangewezen zullen voelen. (13)

Dat sluit perfect aan bij wat Seyss- Inquart zelf voor ogen stond. De druk die in de oorlog op de Nederlandse orkesten is uitgeoefend om méér Nederlandse muziek te spelen getuigt daarvan: het volk moet vertrouwd raken met de eigen traditie, en niet meer overspoeld worden door exotische, joodse of anderszins volksvreemde elementen in de concertprogramma’s. Met Badings heeft Seyss-Inquart grootse plannen, die hij voor een deel ook heeft kunnen uitvoeren. Twee weken voor het concert van 7 december was Sem Dresden, als jood, ontheven van zijn functie van directeur van het Koninklijk Conservatorium. Kapitein Walther Boer nam vanaf dat moment zijn functie waar maar in 1941 zou Badings tot directeur worden benoemd.

Dit op aandringen van Seyss-Inquart, die daarmee tegen de wens van het conservatoriumbestuur in ging. (14) De Rijkscommissaris zou Badings ook graag als leider van het op te richten Muziekgilde hebben gezien, maar Badings houdt de boot af omdat hij vreest dat dat te zeer een politiek instrument gaat worden. Wel wordt hij lid van de Kultuurraad. Dit instituut stond in de hiërarchie boven de Kultuurkamer, waar alle kunstenaars lid van moesten worden, en was erop gericht de Nederlandse cultuur- en wetenschapsbeoefening in nationaal-socialistische zin te hervormen.(15) In de praktijk heeft de Kultuurraad nauwelijks invloed gehad, maar het lidmaatschap is Badings na de oorlog zwaar aangerekend. Dat gold ook voor Willem Mengelberg. Hij was, als een soort boegbeeld, wel als lid van de Kultuurraad geïnstalleerd, maar had nooit een bijeenkomst bijgewoond. In de volgende aflevering zal ik nader ingaan op de beoordeling van zijn gedrag na de oorlog.

Zie ook aflevering 2.

Ingezonden:
Met veel belangstelling las ik Van der Schoots artikel - deel een,
‘Het Podiumincident’ - over de moedige sopraan Jo Vincent.

De rol van Mengelberg illustreert Van der Schoot o.a. met de pianist/componist Henriëtte Bosmans, die Mengelberg vroeg te interveniëren om haar 83-jarige moeder uit Westerbork te bevrijden. Moeder Bosmans mocht inderdaad terug naar Amsterdam. Zijn bron is mijn artikel ‘Henriëtte Bosmans’ in Vervolgde componisten
in Nederland (Amsterdam 2015), pp. 47-53.

Zoals vaker het geval is, ligt de gang van zaken iets ingewikkelder. Moeder Bosmans behoorde tot de 200 à 300 Amsterdamse gemengd gehuwden, veelal weduwen en weduwnaars, die in het voorjaar van 1944 naar Westerbork werden afgevoerd. De meesten van hen werden echter weer vrijgelaten. Dit kon Henriëtte Bosmans niet weten, zij wendde zich tot Mengelberg om hulp. Misschien ging zij persoonlijk bij hem langs, in ieder geval de dag na haar moeders vrijlating schreef zij Mengelberg een briefje met haar grote dank. Zie mijn biografie over haar, Zonder muziek is het leven onnodig, Henriëtte Bosmans (1895-1952), Zutphen 2002, pp. 120-1. Amsterdam, 17 maart 2020
Helen Metzelaar
_________________
(1) NIOD, Nederlandsche Kultuurkamer (104), inv.nr. 201. Lijst met namen van kunstenaars die zich al dan niet aangemeld hebben bij het Muziekgilde.
(2) F. Zwart, Willem Mengelberg – een biografie 1920-1951, Amsterdam 2016, p. 503.
(3) Zwart, pp. 451/52.
(4) H. Metzelaar, ‘Henriette Bosmans’, in C. Alders & E. Pameijer (red.), Vervolgde componisten in Nederland, Amsterdam 2015, pp. 51/52.
(5) P. Micheels, Muziek in de schaduw van het Derde Rijk. De Nederlandse symfonieorkesten 1933-1945. Zutphen 1993, p. 86.
(6) J. Vincent, Zingend door het leven, Amsterdam 1955, p. 85.
(7) Vincent, p. 86.
(8) L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, Deel 5 tweede helft, Amsterdam 1974, p. 776.
(9) NIOD, Instituutsarchief (700), inv.nr. 1030. Brief van L. de Jong aan Jo Vincent, 26 september 1957.
(10) Ibidem. Brief van C.G.J. Bos aan Loe de Jong, 29 september 1957.
(11) Micheels, p. 208.
(12) Micheels, p. 211.
(13) In De Wereld der Muziek, 1940, nr.7, pp. 1-4. Micheels, p. 125.
(14) A. van der Schoot, Kapitein Walther Boer en het galaconcert, Enschede 2019, p. 15.
(15) De termen worden nog wel eens verward, onder andere door Ellie Bijsterus Heemskerk in haar verdediging van Mengelberg: E. Bijsterus Heemskerk, Over Willem Mengelberg, Amsterdam 1971, p. 132.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links