Solisten

In memoriam Jon Vickers (1926 ~ 2015)

 

© Paul Korenhof, juli 2015

 

 

Met Jon Vickers verloor de operawereld niet alleen een heldentenor die stemschoonheid en stem kracht paarde aan een uitzonderlijke muzikaliteit, maar ook een van de grootste en markantste vertolkers van de tweede helft van de vorige eeuw, een zanger die bereid was schoonheid van klank op te offeren aan expressie. Zelf hoorde ik hem voor het eerst in de titelrol in Samson van Handel, een schijnbaar onlogische partij voor zijn volumineuze, sterk dramatische stem, maar ook een rol waarin hij zichzelf als gelovig mens vol innerlijke conflicten en onzekerheden meer kon uiten dan in enige andere rol. Daarop volgden enkele van zijn grootste rollen, waaronder Otello, Tristan en Canio (Pagliacci), maar door omstandigheden liep ik steeds weer de vertolking mis waarin ik hem het liefste had willen horen: de titelrol in Peter Grimes van Benjamin Britten. Als eerbetoon volgt hier een artikel dat ik in 1979 schreef na de presentatie van de complete opname die Philips van deze opera maakte met het ensemble van de Royal Opera onder leiding van Colin Davis.

* * * * *

Een nieuwe Peter Grimes
Toen Benjamin Britten in 1976 overleed, had hij vijftien opera's op zijn naam staan waarvan er dertien compleet op de plaat waren verschenen. Elf daarvan werden door de componist zelf gedirigeerd. Noye's Fludde werd opgenomen onder leiding van Norman del Mar opgenomen onder supervisie van de componist, en Death in Venice werd wegens ziekte van de componist gedirigeerd door Steuart Bedford, maar eveneens onder toeziend oog van Britten. Bovendien werkte Britten's vriend en meest toegewijde interpreet Peter Pears, voor wie vrijwel alle belangrijke tenorpartijen geschreven waren, mee aan al deze opnamen met uitzondering van Noye's Fludde. Die artistieke en commerciële hegemonie is nu doorbroken met de opname die Phllips maakte van Peter Grimes onder leiding van Colin Davis en met de Canadese tenor Jon Vickers in de titelrol. Die opname vormt bovendien de neerslag van een van de belangrijke artistieke samenwerkingen van de afgelopen decennia. Vickers en Davis hebben samen aan hun interpretatie gewerkt sinds hun eerste gezamenlijke voorstellingen van deze opera aan de Metropolitan Opera te New York in 1967. Meestentijds gebeurde dat aan de Covent Garden in Londen, waar Vickers sinds 1957 tot de regelmatig terugkerende gastsolisten behoort en waar Davis sinds 1971 de muzikale scepter zwaait. Twee van hun vaste partners daarbij waren de sopraan Heather Harper als Ellen en de bariton Geraint Evans als Balstrode, die beiden eveneens in de Metcast van 1967 zaten.

Jon Vickers en Heather Harper (foto: Phonogram)

Over de combinatie Vickers-Evans vertelde Colin Davis tijdens de persconferentie in de Covent Garden waarbij de nieuwe opname van Peter Grimes ten doop werd gehouden: 'Toen ik Peter Grimes voor het eerst gedaan had, met Jon Vickers aan de Metropolitan Opera in 1967, kwam ik naar huis met een band van de radio-uitzending, en ik ging toen naar Erik Smith en zei hem: "Luister eens naar dit duet van Vickers en Geraint Evans, want dat is zo ongeveer het meest adembenemende wat ik ooit gehoord heb," maar Erik had de opera indertijd opgenomen met de componist zelf en was niet erg onder de indruk. In verband hiermee is het wel aardig even te vermelden dat de nieuwe Philips-opname niet werd geproduceerd door Erik Smith, die meestal het 'grote' operawerk voor Philips doet, maar door Vittono Negri. Ook de Ellen van Heather Harper is in deze nieuwe uitvoering te horen, maar Geraint Evans was door contractuele verplichtingen verhinderd in Londen te zijn om Balstrode op te nemen. In zijn plaats werd Norman Bailey aangetrokken, maar deze zanger werd kort voor het begin van de opnamesessies door ziekte geveld, zodat zijn rol werd overgenomen door de jonge Australische bariton Jonathan Summers.

Een andere interpretatie
De eerste complete opname van Peter Grimes verscheen in 1959 en bood de authentieke visie van de componist en van de zanger voor wie de titelrol geschreven was. Het kenmerk van grote kunst is echter dat er meerdere interpretaties mogelijk zijn, zeker als het gaat om uitvoerende kunst, en het is bepaald niet gezegd dat de visie van de schepper de 'enig goede' of de 'beste' is. Ik twijfel er niet aan dat niemand bet werk beter kende dan Benjamin Britten en evenmin bestrijd ik dat geen tenor sinds de jaren vijftig zo vergroeid was met de titelrol als Peter Pears, maar hun interpretatie was 'een' interpretatie, ontstaan in een bepaalde tijd en in een bepaald kader. Extra kleuring daarbij gaf ongetwijfeld het feit dat Britten afkomstig was uit de streek waarin het verhaal van Crabbe zich afspeelde, maar dat vormde mogelijk zelfs een beperking van de 'universaliteit' van een echt groot kunstwerk.

 
  Jon Vickers en Colin Davis (foto: Phonogram)

Gevraagd naar het verschil tussen zijn opvatting en die van Britten verklaarde Colin Davis:
"Lang geleden heb ik Britten's eigen opname wel gehoord, maar ik gaf er de voorkeur aan onafhankelijk daarvan mijn eigen visie te ontwikkelen. Wel weet ik dat Britten op een vreemde manier over het werk zelf sprak. Hij noemde het 'that little piece', ik weet niet waarom want voor mij is het zijn grootste werk. Als ik zie hoeveel energie hij in de partituur heeft gelegd, krijg ik de indruk dat hij er misschien zelf een beetje bang van geworden is. Of het waar is weet ik niet. Ik kende Britten niet erg goed en ik heb er nooit met hem over gesproken, maar het zou voor hem wel een reden geweest kunnen zijn om die overweldigende energie in dit werk een beetje af te zwakken."
"Dit is gewoon een losse theorie van mij, meer niet, maar het verschil tussen Peter Pears en Jon Vickers is natuurlijk evident. Vickers is van zichzelf al een man met een gevaarlijk fysieke kracht. Eén klap met zijn rechtervuist zou voor mij 'goodbye forever' betekenen. De kracht die hij op die twee toch vrij kleine stembanden weet te leggen is verbijsterend en daarbij belichaamt hij gewoon al die energie in dit werk".

De symboliek in Peter Grimes
Dichter bij de Davis-Vickers-interpretatie brengt ons een interview met Jon Vickers in de persmap bij deze uitgave, waaruit ik dankbaar enkele uitspraken citeer. Vickers' visie op de opera "(.) heeft te maken met de filosofie van het leven, met het wezen van kunst en in het bijzonder van de uitvoerende kunsten. Als opera geen morele daadkracht heeft, is het voor mij niets waard, onbenullig amusement. Maar ik geloof dat er Peter Grimes aan de zangers, de regisseur en iedereen die erbij betrokken is een uitstekend gelegenheid biet om tegen het publiek te zeggen: 'Stop! Kijk, luister en denk na, want dit gaat over jullie, net zo goed als over ons hier op het toneel.' Deze opera is één aaneengesloten veroordeling van vooroordelen en sociaal onrecht. Met betrekking tot de huidige samenleving zien wij hier een profetische schildering van de manier waarop onze maatschappij in haar collectieve rechtlijnigheid de banvloek uitspreekt over het individu dat zich buiten die collectiviteit opstelt, zich op een positieve wijze niet wenst te conformeren, de man die zelf in het leven wil slagen. Grimes slaagde niet, maar hij is het symbool van iedereen die op grond van vooroordelen door de collectiviteit verstoten wordt. Je kunt hem ook zien als de antiheld van iedere generatie, en het wonder van alle grote kunstwerken is juist dat ze tijdloos en universeel zijn in hun boodschap; dat is wat mij van begin af aan in Grimes aangetrokken heeft, die mogelijkheid om van Grimes mijn geloofsbrief te maken aangaande de functie van kunst en van de opera als kunstvorm in het bijzonder."

Over de symboliek in Peter Grimes : "De zee in Peter Grimes is niets anders dan een groot symbool voor de elementaire krachten in de mens, van de kwellingen en stormen die de mens inwendig kan voelen. De kwellingen die Grimes voelt betreffen ook meer zichzelf dan zijn dorpsgenoten. Hij neemt de dorpelingen niets kwalijk, met uitzondering natuurlijk van Boles en Mrs. Sedley, de symbolen voor een mensensoort dat we in iedere gemeenschap vinden: mensen die zo verschrikkelijk goed het verschil tussen goed en kwaad kennen en met dat 'rechtsgevoel' alleen maar schade toebrengen."

George Crabbe
"Ik kan over Grimes eigenlijk alleen maar in metafysische termen praten omdat het werk voor mij in alle opzichten symbolisch is. Het gaat niet over Aldeburgh. Het gaat ook niet over een visser. Ik zou een keppeltje op mijn hoofd kunnen zetten om hem als jood te spelen. Ik zou ook mijn gezicht zwart kunnen verven om hem daarna in een blanke maatschappij te plaatsen. Het is misschien ook jammer dat de opera naar Peter Grimes is genoemd, want in het gedicht The Borough van George Crabbe is Grimes simpelweg een bruut, meer niet. Maar toen ik de rol studeerde ben ik alles over Crabbe gaan lezen, in het bijzonder de door zijn zoon geschreven biografie, en toen herkende ik plotseling het werkelijke verhaal van Peter Grimes. Crabbe was een estheticus, arm, en met weinig fysieke kracht. Bij de dorpelingen lag hij eruit en hij heeft het aan de kerk te danken dat hij kon gaan studeren. Na zijn studie keerde hij als arts terug naar zijn dorp, in de hoop dat hij nu wel geaccepteerd zou worden, maar hij werd nooit geaccepteerd, hij stond overal buiten. En toen ik dat las kreeg ik opeens een ingeving: dit is niet het verhaal van Peter Grimes, dit is het verhaal van Ben Britten. Helemaal autobiografisch. Ook Ben was tot op zekere hoogte een bui tenstaander en zijn werken aan Peter Grimes was volgens mij vooral een manmoedige poging om zich waar te maken. Hij nam de bruut Peter Grimes uit het gedicht, die terecht door de dorpelingen wordt buitengesloten, en draaide de hele verhouding een slag om. Van de dorpelingen maakte hij bruten en van Peter Grimes een estheticus. De naam Peter Grimes en zijn visserskleding zijn louter een vermomming. Britten heeft misschien onbewust zo gehandeld, maar ik ben ervan overtuigd dat ik gelijk heb."

In de hele opera is geen enkele aanwijzing voor het vermeende brute karakter dat de dorpelingen Grimes in de schoenen schuiven. Wel slaat hij Ellen als zij denkt dat een schram in de hals van de leerjongen door Grimes veroorzaakt is. Over die scène:
"Een van de vreemdste huwelijksaanzoeken waarvan ik ooit gehoord heb is het huwelijksaanzoek van Peter Grimes en veel mensen realiseren zich dan ook niet dat het een huwelijksaanzoek is. Als Ellen hem vraagt: "What peace will your hard profits buy?" zegt hij voor het eerst in de hele opera: "Buy us a home, buy us respect, and buy us freedom from paine, of grinning at gossip's tale. Believe in me, we shall be free". Dit is wat hij haar biedt, maar op het moment waarop hij zegt "we shall beftree" wijkt zij achteruit en vraagt: "Peter, where did the boy get that bruise?" Voor hem betekent dat het einde. Zij was voor hem zijn laatste strohalm in zijn hoop om geaccepteerd te worden'.

Moment van de waarheid
Over de waanzinscène die centraal staat bij een vertolking: "Het is ontzettend knap hoe het publiek als jury bij de opera betrokken wordt. Voortdurend krijgt het publiek één bepaald facet van Grimes toegeschoven, maar in de laatste akte wordt plotseling het perspectief verschoven en wordt de waarheid getoond. In zijn waanzin liegt Grimes niet. Er is ook niets om over te liegen. Hij zegt: 'The first one died, just died ... The other slipped and died.' In zijn waanzin toont hij de waarheid die de hele opera door ter discussie heeft gestaan zodat het publiek eigenlijk misleid wordt. Ik doe daar zelf bewust aan mee en lok bij het publiek een bepaalde antipathie uit, zodat dat keerpunt in die waanzinscène ze in het gezicht slaat alsof ik zeggen wil: dat zal jullie leren tot bevooroordeelde conclusies te komen zonder steekhoudende bewijzen, op grond van geruchten en roddels."

 
  Jon Vickers als Peter Grimes
(foto: Donald Southern/ROH Covent Garden)

De uitvoering
De manier waarop Vickers dit alles met zijn zeer specifieke stemgeluid vocaal weergeeft kan ik alleen maar als subliem betitelen. Zijn heldere timbre straalt glorieus boven het orkest uit, zijn tekstbehandeling is een studie waard en van begin af aan is men zich als luisteraar door zijn provocerende voordracht bewust van de bestaansstrijd van een outsider. Pears, die kennelijk meer het individu Grimes voor ogen had, legde in sommige frases meer verbittering en was aan de andere kant persoonlijker, bijna charmanter in zijn benadering van Ellen. Een noodkreet als 'Wrong to live! Right to die!' kwam mede daardoor bij hem minder schrijnend tot leven dan in de benadering van Vickers, die op zulke momenten zijn hele kracht als dramatische tenor in de strijd kan werpen. Hoewel de omvang van zijn stem een enkele keer aanleiding geeft tot een korte suggestie van gebrek aan controle, laat Vickers zich ook hier weer kennen als een meester op het punt van stembeheersing, die zelfs op de moeilijkste momenten van ingehouden lyriek ('Now me Great Bear' en de 'Mad Scene') in staat blijkt tot een pianissimo en een mezza voce waar menige lyrische tenor een voorbeeld aan kan nemen.

Ook is er een verschil in de benadering van Ellen Orford. Vocaal doen Claire Watson (Decca) en Heather Harper niet voor elkaar onder, maar Watson legde een zekere hoeveelheid moederlijke bezorgheid in haar rol, terwijl Harper de veertigjarige onderwijzeres een jeugdige gloed meegeeft die op het moment dat Ellen naar illusies in de grond geboord ziet, ook deze rol een tragische dimensie geeft die op Decca gedeeltelijk ontbrak.

De Balstrode van Jonathan Summers is echter minder markant dan de vertolking door James Pease, hoewel Summers wel over het betere stemmateriaal beschikt. Het ontbreekt hem echter aan de leeftijd en de ervaring voor deze rol, al moet ik eraan toevoegen dat dit gemis op de plaat minder sterk overkomt dan toen ik hem vorig jaar parallel aan de opnamesessies deze rol in het theater zag overnemen.

Bij de bijrollen is er duidelijk ten opzichte van Decca dankzij de felle en geëxalteerde Bob Boles van de tenor John Dobson. Voor het overige zijn de verschillen niet noemenswaard. In beide opnamen is John Lanigan te horen als de Rector en verder biedt Philips onder meer een heerlijk opgeblazen Swallow van Forbes Robinson, een sympathieke en scherp geprofileerde Ned Keene van Thomas Allen, een van de meest opvallende jongere zangers op het Engelse operatoneel, een Auntie die van wanten weet van Elizabeth Bainbridge en twee uitgelaten 'nichtjes' van Teresa Cahill en Anne Pashley. Een beetje moeite had ik met de Mrs. Sedley van Patricia Payne, die een heerlijk wellustig en bekrompen rechtvaardigheidsgevoel ten toon spreidde dat ik bij Lauris Elms op Decca altijd miste, maar die eigenlijk te vol en te donker klinkt voor een oude vrijster. Davis werkt evenals Britten met koor en orkest van de Covent Garden, maar in de nieuwe opname is de klank voller, klinkt het koor dreigender en is de hartslag van de muziek sterker voelbaar, waarbij natuurlijk meespeelt, dat het Londense ensemble gedurende de laatste twintig jaar gegroeid is tot een graad van perfectie die we in weinig andere operahuizen ter wereld aantreffen. Men krijgt bovendien de indruk dat Davis meer meeleeft met het gebeuren, waar Britten zich meestentijds beperkte tot muzikaal vertellen.

Mijn eigen voorkeur is inmiddels duidelijk; wie geen Peter Grimes in bezit heeft kan zonder enige aarzeling Philips kiezen en zal daar nooit spijt van hebben, maar wie vergroeid is met de Decca-opname onder Britten moet zich bewust zijn van het feit dat Davis een geheel andere visie op het werk presenteert dan de componist zelf deed. Opnametechnisch verdient Philips natuurlijk de voorkeur, hoewel Decca ook nog uitstekend klinkt, en bovendien heeft de nieuwe uitgave het voordeel van een drietalig tekstboek, terwijl de Decca-platen alleen van een toelichting vergezeld gingen. De persing is voortreffelijk maar de twee exemplaren die ik gehoord heb, lieten (afgespeeld met verschillende elementen) beide een lichte vervorming horen in luide koorpassages aan het einde van een plaatkant.

Britten: Peter Grimes (compl.).
Solisten, koor en orkest van het Royal Opera House Covent Garden te Londen o.l.v, Collin Davis.
Peter Grimes - Jon Vickers
Ellen Orford - Heather Harper
Captain BaIstrode - Jonathan Summers
Auntie - Elizabeth Bainbridge
First Niece - Teresa Cahill
Second Niece - Anne Pashley
Bob Boles - John Dobson
Swallow - Forbes Robinson
Mrs. Sedley - Patricia Payne
The Rector - John Lanigan
Ned Keene - Thomas Allen
Hobson - Richard Van Allan

index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links