Solisten

Cor de Groot (1914 ~ 1993)

 

© Hans Goddijn

 

WE ZIJN EEN WAARACHTIG KLAVIERMEESTER RIJKER!
(De Tijd, 28-11-1936)

Wie de vele plakboeken met artikelen en recensies van Cor de Groot naleest, komt onwillekeurig tot de conclusie dat het leven van deze Nederlandse pianist één voortdurend sprookje was. Vanaf jeugdige leeftijd concerten geven, de hele wereld zien en overal bejubeld worden, wat wil iemand nog meer? Maar het leven van een meesterpianist, die op het hoogtepunt van zijn carrière de macht over zijn rechterhand kwijtraakte en om zijn gezin te onderhouden muziekregisseur bij de NRU werd, was in veel opzichten beslist géén sprookje.

Cor de Groot, die op 7 juli 1914 in Amsterdam werd geboren, had het pianospelen van geen vreemde. Zijn vader was, zoals De Groot het zelf uitdrukte, een hartstochtelijk amateurpianist, "Hij zong ook graag", vertelde De Groot in 1985 tijdens een interview aan de toenmalige hoofdredacteur Jacq. A. de Hey van het tijdschrift Pianowereld, "en hij heeft mijn eerste probeersels begeleid." Op tienjarige leeftijd werd Cor de Groot leerling van Egbert Veen, een pianist van de AVRO: "Aan hem is het ook te danken dat ik op dertienjarige leeftijd op het Amsterdams Conservatorium ben gaan studeren bij Ulfert Schults", aldus De Groot, die studiegenoot was van Gerard Hengeveld en George van Renesse. "Schults was dan ook de man die mij helemaal naar mijn plaats bracht in het nationale en internationale muziekleven. Mijn solo-examen deed ik (cum laude) in 1932. Daar kwam onder meer een uitvoering van mijn eigen eerste pianoconcert in Fis groot - opgedragen aan Ulfert Schults - aan te pas, want ik had compositie gestudeerd bij Sem Dresden, ook een man die ik mijn hele leven dankbaar zal blijven."

In september 1934 speelde Cor de Groot zijn pianoconcert weer, nu tijdens een openbaar feestconcert in de Amsterdamse Bachzaal. Muziekrecensent K. de Jong van het Haarlemsch Dagblad schreef er op 17 september onder meer over: "Maar het eigenlijke glanspunt van den avond was de uitvoering van het door Cor W. de Groot gecomponeerde pianoconcert, waarin de jeugdige componist zelf op eminente wijze de brillant geschreven klavierpartij speelde." De recensent liet zich ook lovend uit over de compositie zelf: "Sommigen zullen misschien den jongen kunstenaar een gebrek aan moderniteit verwijten; anderen zullen zich met mij verheugen in een werk dat, moderne harmonische en instrumentale middelen niet principieel ontwijkend, melodische kracht, zangerigheid en welluidendheid niet versmaadt, maar integendeel een rijkdom dier factoren toont, als men in een werk van een der jongeren zelden aantreft." De lovende woorden zijn echter nog niet uitgeput: "Het moge dan 'ouderwetsch' zijn - in onzen tijd wordt iets gauw ouderwetsch genoemd - er zit in elk geval muziek in. En van hoe weinig moderne composities kan men dat in oprechtheid beweren! Er zit méér in: een meesterlijke beheersching van de vormen en van de instrumentale, zoowel orkestrale als pianistische effecten en mogelijkheden, een wijze zelfbeperking die ons de mooiste perspectieven openen, mits de kunstenaar er in slage zich zelf te blijven."

Over die eerste periode vertelde Cor de Groot zelf: "De pers stelde zich bepaald niet afstandelijk en afwachtend op. Integendeel, mijn spel werd geprezen met alle beschikbare superlatieven. Daar schrok ik eigenlijk een beetje van, maar het was mooi meegenomen. Ik werd gevraagd en wéér gevraagd. Ik speelde ook al snel met de bekende symfonieorkesten. Ook het buitenland ging belangstelling aan de dag leggen en zo is het allemaal gekomen. Een voorspoedige carrière. Dat mag ik na al die jaren wel zeggen. Ik speelde met grote frequentie in Nederland en ik maakte grote concertreizen tot in de engste landen. Altijd was ik er op uit om noviteiten te lanceren. 25 Nederlandse componisten droegen in totaal 45 composities aan mij op. Buitenlandse componisten bleven echter niet achter, met als resultaat dat ik onnoemelijk veel wereldpremières voor mijn rekening heb genomen. En dan was er natuurlijk ook altijd nog het ijzeren repertoire."

Wenen

Cor de Groot heeft éénmaal in zijn leven deelgenomen aan een pianoconcours, het Internationale Pianisten Concours 1936 in Wenen. "Ik behoorde toen tot de laureaten, samen met de Russen Emil Gilels en Jacob Flière", vertelde hij aan Jacq. A. de Hey. Die Russische jongens waren eigenlijk in het voordeel, want ze waren al een maand vóór het concours in Wenen 'om aan het klimaat te wennen'. Ook waren ze er achter gekomen dat je beter geen Ravel kon spelen, want dat kostte punten. Dat kwam omdat de éénarmige pianist Paul Wittgenstein in de jury zat en die had net van Ravel een proces aan zijn broek gekregen. Dan was er nog iets dat de Russen wisten en wij niet. Er waren meerdere concertvleugels, waar onder een Steinway en een Bösendorfer. Vrij naar keuze. Wij onwetende Hollanders kozen de Steinway en dat met een behoorlijk aantal rasechte Weners in de jury, die pal stonden voor de Bösendorfers die in hun bloedeigen stad werden vervaardigd. Ook Wittgenstein was trouwens een Wener. De Russen zaten intussen braaf op een Bösendorfer te spelen en wierpen schijnheilig verliefde blikken op dat instrument. Ondanks deze handicaps kreeg ik een bijzonder hoge notering...en van Wittgenstein het speciale verzoek om 'Jeux d'eau' te spelen...van Maurice Ravel. Toen brak m'n klomp."
Cor de Groot haalde de vijfde prijs in Wenen. Flière werd eerste en Gilels tweede.

Vijfde van Beethoven

Wat het ijzeren repertoire betreft loopt het Vijfde Pianoconcert van Ludwig van Beethoven als een 'rode draad' door De Groots leven. Want zeker is dat hij van de zeer vele concerten die hij speelde, 'Het Vijfde' verreweg het meest heeft uitgevoerd. De voor het publiek bekendste opname van dit pianoconcert is die van 23 november 1951 met het Residentie Orkest onder Willem van Otterloo. Deze Philips opname is naderhand vele malen op andere (Philips) labels heruitgebracht. Verheugend is dat de originele opname in oktober 1997 voor het eerst op CD is uitgebracht in de nieuwe serie 'Dutch Masters' (Philips Classics 462076-2).

De eerste openbare vertolking van Beethovens Vijfde door Cor de Groot is volgens de recensies in maart 1935 geweest, tijdens het 14e U.S.O. Volksconcert, "waar Willem van Otterloo, de jonge 2e dirigent van het U.S.O., weer met sterk talent een mooi programma leidde", aldus de NRC. "Vervolgens hoorden wij een nog jongen Nederlandschen pianist, Cor de Groot Jr., die een opzienbarend-voldragen vertolking gaf van Beethovens 5e pianoconcert." De niet met naam genoemde recensent schrijft verder: "Want dat wij hier met een der meest-belovende jonge reproducenten te doen hebben, staat o.i. vast. Een sonore aanslag gaat bij hem gepaard aan een virtuoze, heldere techniek en last not least - aan een grote muzikaliteit. Bovendien verstaat hij uitnemend de kunst zijn bedoelingen 'over het voetlicht' te brengen."
De recensent van het Utrechts Nieuwsblad, J. Romijn, noemde het optreden van 'de jonge - en voor onze stad althans onbekende', pianist Cor de Groot, een aangename verrassing: "Een verrassing, hoewel dit prachtige en veel techniek eischende concert in geen concert-seizoen zal ontbreken en hoewel we het menigmaal door vermaardheden hooren spelen."

En dan volgen de uitvoeringen ervan elkaar steeds sneller op, maar in 1937 staat ook het pianoconcert in e klein van Frédéric Chopin op het programma. In januari 1937 speelt De Groot dit concert met het Utrechts Stedelijk Orkest onder Willem van Otterloo en weer volgen vele lovende recensies. De pers schrijft op 25 januari: "Wanneer Cor de Groot zoo doorgaat, kan hij een pianist worden van internationale reputatie. Zijn succes was dan ook phenomenaal."

Tussen alle 'grote' concerten door gaf Cor de Groot ontelbare recitals en 'piano-avonden' in de meest uiteenlopende plaatsen en locaties van Nederland. In die periode was hij ook te vinden in diverse middelbare scholen en colleges in het kader van een reeks 'paedagogische concerten' die waren opgezet door de uit Duitsland geëmigeerde Franz Aufricht onder de naam 'Een Uur Muziek'. Hiervoor traden veel bekende musici op, zoals o.a. Jaap Stotijn, Rosa Spier, Herbert Barwahser en Piet Lentz, om zo ook de verschillende instrumenten te laten horen.

Op 9 april 1937 speelde Cor de Groot met het Strijktrio Pasquier in concertzaal 'Hamdorff' te Laren en enkele dagen daarvoor samen met de Bussumse violist en componist Jan Felderhof, in het Bussumse Kunstcentrum, werken van Bach, Reger, Chopin en Franck. De recensenten van het 'Handelsblad voor het Gooi' en het NRC kwamen weer met prachtige recensies: "Maar vooral, daar was het sobere, ingetogen vioolspel van een kunstenaar als Jan Felderhof, die door zijn prachtige herscheppingskunst het, helaas niet talrijke publiek in verrukking bracht en daarbij door Cor de Groot op zoo'n begrijpende en markante wijze ter zijde werd gestaan." Het NRC noemde Felderhof een vitaal violist (Jan Felderhof vierde in september 1997 zijn 90e verjaardag in goede gezondheid); zijn toon is doorgaans doorgloeid van een edele passie." Over de pianist schreef dezelfde recensent onder meer: "Cor de Groot heeft een volmaakte techniek en daarbij een geweldig temperament, waardoor zijn spel van een meeslepend élan wordt dat onweerstaanbaar is."

Beethovens Vijfde Pianoconcert wordt inmiddels steeds vaker gespeeld. Bijvoorbeeld op 6 juni 1937 met het Omroeporkest onder Nico Treep voor de Avro, op 2 augustus 1937 met het Residentie Orkest onder Ignaz Neumark in het Kurhaus en op 26 september 1937 zelfs met het Concertgebouw Orkest onder Eduard van Beinum. Met tussendoor weer 'paedagogische concerten' door vrijwel geheel Nederland. "Het spelen ging hem ook heel gemakkelijk af", vertelde eens een collega-musicus over Cor de Groot. "Bovendien was hij een goed podiumfiguur met een respect afdwingend, beheerst gedrag. Het kostte hem weliswaar enorm veel zelfdiscipline, maar dat kon hij opbrengen. Hij speelde op een gegeven moment alle grote concerten."

Cor de Groot in 1939

Tournee

Cor de Groots' populariteit nam met een sneltreinvaart toe. In 1938, 24 jaar oud, werd hij gevraagd voor een tournee door Nederlands-Indië. "Er zijn voorts onderhandelingen gaande voor een optreden in Zuid-Amerika en (in aansluiting met Nederlands-Indië) Australië. Cor de Groot zal voorjaar 1939 voor deze groote kunstreis vertrekken", zo luidde het bericht dat vrijwel alle grote Nederlandse kranten afdrukten.

Op 6 juni 1939 vertrok hij, inmiddels hoofdleraar aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, met de KLM voor zijn concertreis naar Nederlands-Indië (toen nog vijf dagen vliegen). Hij gaf meer dan veertig concerten, achtereenvolgens in Bandoeng, Batavia, Soerabaja, Malang, Bandoeng, Batavia, Soerabaja, Batavia, Semarang en Medan. "Bij zulk een spel zwijgt de critiek stil", schreef een recencent naar aanleiding van die concerten. Op 27 augustus keerde Cor de Groot met de DC-3 'Wielewaal' (PH-ALW) van de KLM terug op Schiphol. Nauwelijks 24 uur later werd hij, vanwege de mobilisatie, opgeroepen voor militaire dienst. Desondanks bleef er tijd voor concerten, getuige de vele recensies uit die periode vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Eén van de hoogtepunten is zijn optreden met het Residentie Orkest onder de toen al zeer beroemde dirigent Carl Schuricht op 8 oktober 1939 in Den Haag en dat werd op 18 juli 1940 herhaald in het Kurhaus.

Naast zijn vele optredens bleef Cor de Groot componeren. Op 30 november 1938 speelde hij het voor de eerst zijn tweede pianoconcert (in G groot) en ook het derde had hij inmiddels geschreven. Over de eerste uitvoering van het tweede concert schreef het Algemeen Handelsblad onder meer: "De componist, die zelf aan den vleugel zat, kon constateeren dat zijn werk zeer in den smaak viel. Hij werd verschillende keeren teruggeroepen, had bloemen in ontvangst te nemen en liet hartelijk (dirigent Frits) Schuurman en het orkest in zijn succes deelen."

Op 30 januari 1941 ging De Groots Concert voor twee hobo's in première; een concert dat hij opdroeg aan de Nederlandse hoboïsten Jaap en Haakon Stotijn. Kort daarna, op 20 april, ging zijn Concert voor Fluit en Orkest (gecomponeerd in oktober 1940) in première in de Leidse Stadsgehoorzaal. Solist Jan Prins (1899-1962) en het Residentie Orkest speelden 'onder leiding van den componist'. Het concert werd op 30 april herhaald in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen in Den Haag.

Tweede Wereldoorlog

Tijdens een groot deel van de Tweede Wereldoorlog bleef Cor de Groot actief als pianist. De recensies lopen tot november 1944 en beginnen weer in oktober 1946. Vanwege een veroordeling door de 'Eereraad voor Muziek' mocht De Groot na de oorlog aanvankelijk tien jaar niet meer optreden. Dat deze beslissing in 1946 werd teruggedraaid staat in vrijwel alle Nederlandse kranten van die dagen. Eén daarvan zegt onder meer: "Sinds meer dan een jaar hebben wij voortdurend gewezen op de enorme blunders die door diverse Eereraden zijn gemaakt en het misdadige van kunstzuivering door leekenrechtspraak aangetoond." Het artikel vervolgt, na eerst een andere blunder aan de kaak te hebben gesteld, met: "Cor de Groot, de voornaamste jonge pianist van ons land, was door bovengenoemden Eereraad voor TIEN jaren uitgesloten.

De Centrale Eereraad sprak hem vrij. De eminente gaven van deze groote pianist zijn dus ten onrechte anderhalf jaar aan ons volk onthouden." Het Parool van 14 oktober gaat wat nader op de achtergronden in: "De Centrale Eereraad heeft in hooger beroep de uitspraak van de Eereraad voor Muziek vernietigd en bepaald dat er te zijnen (Cor de Groot) aanzien geen termen zijn tot het nemen van maatregelen. Hij heeft een verwant, die als agent van de Secret Service gedurende de bezetting belangrijk ondergronds werk verrichtte, in overleg en na afspraak met dezen, willen beschermen, met het oogmerk den bezetter op een dwaalspoor te brengen, waardoor de beroepsuitoefening gerechtvaardigd kon worden geacht."
Door te blijven werken wist Cor de Groot de levens van zijn moeder en stiefvader (die Het Parool met 'verwant' omschrijft) te redden. Beiden werden gearresteerd maar de veroordeling 'doodstraf' is nooit uitgevoerd.

Over die Eereraad voor Muziek is overigens anno 1997 het laatste woord nóg niet gesproken. In een artikel over Henk Badings (Vrij Nederland 20 september 1997), die in de oorlog ook 'fout' zou zijn geweest, kwam weer de Eereraad ter sprake. Een lezer reageerde daar enkele weken later alsvolgt op: "Ik moet Léon Schoenmakers (VN, Vrije Tribune) teleurstellen: een bewonderaar van Badings ben ik helaas niet, zijn composities zijn mij onbekend. Het onderwerp van mijn onderzoek is 'Dans en Ballet in de regio 's-Gravenhage tussen 1900 en 1945'. Uiteraard hoort daar het Koninklijk Conservatorium ook bij. Tijdens het onderzoek in het archief van het conservatorium (Algemeen Rijksarchief, Zuid Holland) kwam ik in contact met prof. dr. H.E. Reeser. Deze vertelde mij op 27 april 1992 onder meer het volgende: 'Ik heb in de Eereraad voor Muziek gezeten, maar ik ben er na de tweede zitting uitgegaan. Ik vond het een volkomen willekeurige zaak. Er was geen onderbouwing, geen materiaal en een heleboel van horen zeggen. Ik dacht: als wij zo gaan beginnen kunnen we half Nederland wel op gaan pakken.'
Wellicht kan deze uitspraak Léon helpen bij het vormen van een genuanceerder beeld van de situatie zodat hij niet klakkeloos alles aanneemt wat er 'geboekstaafd' is.

Naschrift: Direct na de oorlog is Badings gescheiden en hertrouwd met Hetty Tukke, die hij als secretaresse op het conservatorium had leren kennen. Haar vader zat in het verzet."

Carnegie Hall

Na de oorlog werd Cor de Groot meteen weer veel gevraagd, getuige de recensies die er uit die periode bestaan. Want vergeten was men hem beslist niet. De Nieuwe Courant verwoordde dat op 26 april 1947 alsvolgt: "Maar een tweede vertolker als Cor de Groot bestaat er niet, zoó virtuoos, zoo bezield, met zoveel geest en begrip."

Cor de Groot omstreeks 1947

In de Groene Amsterdammer van 18 januari 1947 gaf Matthijs Vermeulen (Nederlandscomponist 1888-1967) een interview, waarvan onderstaand fragment is te vinden in diens biografie 'Door het geweld van zijn verlangen' (Ton Braas, De Bezige Bij biografie 1997). "Het gaf Vermeulen voldoening om vast te stellen dat er onder de ware kunstenaars ook veel Nederlanders waren. Een vergelijking trekken tussen de Amsterdamse situatie van het moment en die rond 1920 zag hij een belangrijke vooruitgang. Kon destijds alleen Dirk Schäfer zich meten met de buitenlandse sterren, nu was het voor Vermeulen niet moeilijk om Nederlandse pianisten te noemen van het allerhoogste, internationale niveau: Gerard Hengeveld, George van Renesse, Theo van der Pas, Cor de Groot, Jan Odé, Iskar Aribo, André Jurres, Miek Engelenburg en Willem Andriessen."

Cor de Groot: een van de eerste 'Philips-artiesten' medio jaren vijftig

Ook uit Engeland en Scandinavië kwamen er uitnodigingen voor Cor de Groot om op te treden. Het hoogtepunt van zijn carrière waren ongetwijfeld de jaren vijftig. Hij maakte platen voor Philips en was toen één van de belangrijkste artiesten van dat label. Hij zat ook in jury's van pianoconcoursen in Brussel, Parijs, München en Oslo en speelde in vier werelddelen in beroemde zalen. In New York bijvoorbeeld in de Carnegie Hall en in Londen onder meer in de Royal Albert Hall, de Royal Festival Hall en de Wigmore Hall. Cor de Groot had een enorm breed repertoire en hield ervan om van geijkte paden af te wijken. Onder de componisten maakte hij vrienden over de hele wereld: in Engeland Alwyn en Rawthorne, in Finland Kilpinen, in Spanje Rodrigo en Mompou en in de Verenigde Staten Morton Gould op wie hij bijzonder gesteld was. Ook was hij zeer bevriend met Emil Gilels. Wat ook veel voor hem betekende was zijn ere-lidmaatschap van de toenmalige Rachmaninov Society dat hij ontving uit handen van Rachmaninovs dochter Tatiana.

Reis door de wereld

"Cor de Groot maakt een reis door de wereld", schreef de Nieuwe Haagsche Courant op 6 maart 1956. De krant verhaalt over de pianist die "één dezer dagen terugkeerde uit Wenen waar hij met Willem van Otterloo opnamen maakte voor Philips. In Januari had De Groot reeds een tournee gemaakt door Italië en in februari door Engeland en Schotland. Deze week vertrekt hij per vliegtuig naar Zuid-Afrika waar hij met orkesten speelt, voor de radio optreedt en recitals geeft. Half april hoopt De Groot weer terug te zijn om vervolgens naar Brussel te vertrekken als jurylid voor het Reine Elisabeth Concours 1956. Vervolgens maakt hij nog concertreizen door Engeland en Ierland en na een maand vakantie hoopt hij komend najaar een uitgebreide tournee door de V.S. te maken. In januari van het volgend jaar wordt hij weer in Italië verwacht, in februari in Duitsland en in maart in Engeland. Dat is even in het kort het programma van onze grootste pianist, die helaas steeds minder in eigen land te horen is. Dat ligt overigens niet aan Cor de Groot, maar eerder aan de bekrompenheid van ons muziekleven. Nergens ter wereld wordt de profeet in eigen land zó weinig geëerd als in Nederland en ook nergens ter wereld is het muziekleven zo zwaar historisch belast als hier. In alle landen krijgt Cor de Groot de kans om nieuwe werken te spelen, in ons land kan hij zichzelf en het publiek tevreden stellen met een Vijfde Pianoconcert van Beethoven of een Tweede Pianoconcert van Brahms. Aan andere componisten komt men niet toe, laat staan aan de componist Cor de Groot."

NRU

Op 9 januari 1959 maakte Cor de Groot met de cellist Tibor de Machula een opname van de Sonate in C groot voor cello en piano opus 19 van Sergej Prokofjev voor de Zweedse Radio in Stockholm. Er bestaat nog een studio-kopie van deze prachtige opname. Maar het is niet verbazingwekkend dat De Groot door al die optredens en opnamen overbelast raakte. Tijdens een lange tournee in 1959 door Italië kreeg hij pijn in zijn schouder. Hij wilde per se het contract nakomen maar eenmaal thuis escaleerde de pijn tot krampen in de rechterhand. Tevergeefs consulteerde hij verscheidene specialisten. Toen de pianist zijn carrière afbrak was dat wereldnieuws en een golf van medeleven en belangstelling volgde. Daarna werd het stil. Maar De Groot liet zich niet weerhouden om verder te spelen. Wat Paul Wittgenstein kon, kan ik ook, moet hij hebben gedacht en speelde verder met zijn linkerhand. Belangrijke Nederlandse componisten, waar onder Henry Zagwijn, Robert de Roos, Dine Appeldoorn en Jan Felderhof (o.a. Impression per m.s.) schreven werk voor hem dat in 1960 door Donemus werd uitgegeven onder de titel 'Mano Sinistra'. Ook zelf schreef hij een aantal composities (zoals de 'Variations imaginaires' voor piano-linkerhand in 1963/64 en 'Apparation per m.s.') en maakte hij zo'n tachtig arrangementen voor de linkerhand. Zeer bekend is ook de LP 'Recital voor de Linker Hand' (A00548L) die Cor de Groot in die periode maakte, waarop hij eigen bewerkingen speelt van composities van Tsjaikovski, Bach, Rameau, Beethoven, Schumann, Dvorák en Liszt.

De Groots' arts waarschuwde evenwel met nadruk voor overbelasting van zijn linkerhand. Een uitkomst voor De Groot was dat de toenmalige Nederlandse Radio Unie (NRU) hem een baan aanbood als hoofd van de muziekregistratie. Omdat hij een gezin had te onderhouden accepteerde hij die functie. Hoewel velen dat een stap terug vonden was deze keus uiteindelijk de juiste, zei De Groot daarover veel later. Zijn nieuwe functie bij de NRU was ook de reden dat hij met zijn echtgenote van Den Haag naar een landelijk huis in Laren verhuisde, dat 'Mano Sinistra' (Linker Hand) werd gedoopt. Nauwelijks bekend is dat De Groot in zijn NRU-periode precies één jaar hoofd van de NRU is geweest. Hij werd daardoor onder meer belast met het 'wegsaneren' van diverse omroeporkesten. "De enorme ruzies die daardoor ontstonden vond hij zo verschrikkelijk, dat hij na een jaar weer 'gewoon' muziekregisseur werd en weer terugviel op zijn vroegere, aanzienlijk lagere, salaris", vertelde De Groots vrouw desgevraagd. "Maar bij het accepteren van die functie had Cor de voorwaarde gesteld dat hij als het niet zou bevallen na een jaar weer zou aftreden."

Boeddha

Ondanks alle specialistische behandelingen kwam er in de rechterhand geen enkele verbetering. Het toeval bracht De Groot echter in contact met een Javaan die met een Chinese drukpuntmassage (druk-acupunctuur) de hand wist te genezen.

"Dat kostte mij drie rijksdaalders die ik aan Boeddha moest offeren gedurende drie behandelingen", vertelde Cor de Groot in 1985 aan Jacques A. de Hey. "Bij de laatste behandeling pakte die Javaan mij bij de hand en bracht zijn duim ergens tussen de vingers van mijn rechterhand. Ik sprong bijna tegen het plafond van de pijn. 'Nu moet u niet meer aan uw handicap denken, dan bent u beter. Gaat u maar weer gewoon pianospelen', zei de Javaan. Ik offerde mijn derde en laatste rijksdaalder aan Boeddha... en mijn rechterhand hernam normaal zijn pianistische functie. De routine van het normale concertleven kon weer beginnen. Dat stuitte mij eigenlijk tegen de borst, want dat betekende óók weer die internationale tournees met het gebruikelijke repertoire. Daar was ik intussen op uitgekeken."

Nadat zijn hand was genezen, kreeg Cor de Groot direct weer uitnodigingen om op te treden. In Engeland wilde men hem zelfs als pianist en dirigent hebben. Het bracht hem wèl in verleiding, maar hij voorzag ook dat het hem gauw weer teveel zou kunnen worden. Hij bleef dan ook in dienst van de NRU en in die periode heeft hij als pianist ontzettend veel voor de radio opgenomen.

Een voorbeeld daarvan zijn de Sonatina nr. 5 voor piano en de Sonatina nr. 3 voor viool en piano van Jan Felderhof, die Cor de Groot op 26 juni 1967 als wereldpremière uitvoerde voor NCRV Radio (Sonorum Speculum, Donemus nr. 33, winter 1967/68). Enkele van de vele andere werken die hij in die periode opnam zijn onder meer het Pianoconcert in a klein opus 7 van Clara Schumann met het Radio Filharmonisch Orkest onder Richard Dufallo (1972), het Eerste Pianoconcert in C groot opus 11 van Carl Maria von Weber met het Omroeporkest onder Hubert Soudant (1975), het Pianoconcert in C groot opus 14 van Franz Lessel, dat hij als Nederlandse première speelde met het Radio Kamerorkest onder Willem van Otterloo (uitzending 26 juni 1975) en Rio Grande, een compositie voor piano, alt, koor en orkest van Constant Lambert met het Groot Omroepkoor en het Promenade Orkest onder Stanley Black (1976). Ook maakte Cor de Groot in zijn 'radiotijd' een opname van Franz Liszt's 'Weihnachtsbaum' voor NCRV radio. Een uniek, maar helaas erg onbekend werk dat Listz in 1875/76 voor zijn schoondochter Daniela, dochter van Cosima en Hans von Bulow. Daarnaast had De Groot als pianist en componist onder het pseudoniem 'Sherwood' bij de radio een gelijknamig septet.

Zijn werkzaamheden bij de NRU werden voor een deel mogelijk gemaakt door zijn enorme leesvaardigheid, die iedereen die ook met De Groot werkte opviel. "Ik vond het gewoon een wonder dat Cor mijn handgeschreven compisities direct en goed van blad kon spelen", vertelde componist en violist Jan Felderhof onlangs. "We moesten een werk van César Franck spelen en de pianist die ons zou begeleiden was een zekere Cor de Groot. Niemand kende hem. Net voor we moesten beginnen kwam er een 14-jarige jongen in korte broek binnen. Wij keken elkaar eens vragend aan, maar tot onze verbijstering speelde hij zijn partij absoluut perfect."

Ook Wouter Paap roemde de grote leesvaardigheid van Cor de Groot in het artikel 'Gerard Hengeveld - Musicus en Pianist' (Mens & Melodie, 2/71): "Wanneer men zich tot twee van zijn medeleerlingen (George van Renesse en Cor de Groot) beperkt, dan denkt men aan de enorme leesvaardigheid en het improvisatievermogen van George van Renesse, voor wie Cor de Groot in deze opzichten zeker niet onderdoet. Deze laatste heeft bovendien met Gerard Hengeveld gemeen dat hij, zonder bepaald de geniale componist te willen uithangen, verscheidene stukken heeft geschreven die bijzonder goed gemaakt zijn. Hengeveld en De Groot vinden het een doodgewone zaak dat een musicus of hij nu pianist, dirigent of iets anders is, óók kan componeren. Wat dit betreft behoren zij nog tot het bevoorrechte muzikantenras van de 18e eeuw, toen die geforceerde scheiding tussen instrumentalist en componist nog niet bestond."

"Mijn werk bij de NRU betekende uiteraard mijn afscheid van het concertpodium", zei Cor de Groot daar zelf eens over, "maar toen mij die functie werd aangeboden heb ik die kans - en dat kon - met beide handen gegrepen. Ik heb dat werk met plezier gedaan tot op pensioengerechtigde leeftijd."

Componist

Cor de Groot was niet alleen een bekend vertolker van moderne componisten, zoals Jurriaan Andriessen, Henk Badings, Benjamin Britten, John Ireland, Morton Gould en Francis Poulenc, maar zoals al is gebleken een zeer actief componist. Naast zijn drie pianoconcerten componeerde hij ook het zogenoemde 'Minutenconcert', dat uit elf deeltjes van precies één minuut bestaat. In de periode dat hij zijn rechterhand niet kon gebruiken componeerde hij onder meer de genoemde 'Variations Imaginaires' voor linkerhand en orkest en 'Apparation per m.s.' Cor de Groot, die naast piano ook zeer goed fluit speelde, schreef soloconcerten voor diverse instrumenten, zoals een hoboconcert (1938), een fluitconcert (1940), een concert voor twee hobo's en orkest (1940) en een klarinetconcert (1941). Bekend is ook zijn 'Divertimento' voor orkest, waarvan het eerste deel is geschreven voor koperblazers en slagwerk, deel 2 voor houtblazers, harp en piano en deel 3 voor strijkers. Het vierde deel vormt een combinatie van de drie eerste delen. In de latere jaren schreef Cor de Groot een aantal pianostukken die met meeslepende levendigheid op de luisteraar worden overgebracht. Bekend zijn onder meer 'La Patineuse' (Sjoukje Dijkstra Wals) uit 1963, 'Ritornelli' uit 1967, 'Expressions' uit 1975 en 'Canzone' (D'après une melodie de Hans Krieg), eveneens uit 1975.

Op gebied van kamermuziek componeerde Cor de Groot drie strijkkwartetten en 'Bassonnerie' voor fagot en klavecimbel. Belangrijk en buitengewoon mooi zijn ook zijn 'Goethe liederen' voor sopraan, die Cor de Groot in 1942 schreef. Ook van Cor de Groot is de compositie 'Gay Twenties' voor piano en orkest, die hij in 1964 schreef in opdracht van de NRU ten dienste van het Promenade Orkest in de stijl van de twintiger jaren. In 1974 schreef hij ter gelegenheid van de afscheidsbijeenkomst van de Hilversumse dirigentencursus in het Singermuseum te Laren, voor de pianisten Gérard van Blerk, Gerard Hengeveld, Jan Wijn en hemzelf de 'Satire voor acht wijsvingers', waarin op ingenieuze wijze met de reductie tot enkel het gebruik van de 'tweede vinger' van elke hand wordt omgesprongen, terwijl het droog-humoristische van de juist door hem zo bewonderde Satie er even kostelijk als authentiek in rondwaart.

Over de compositie voor Sjoukje Dijkstra schreef de in Hongarije geboren pianist, componist, pedagoog en recensent Géza Frid (1904-1989) in zijn biografie 'In tachtig jaar de wereld door' (Strenghold, Naarden 1984) onder meer: "Het gemeentebestuur van Amsterdam had vier Nederlandse componisten, onder wie Cor de Groot en mij uit de klassieke, en Guus Jansen en Joop Portengen uit de lichte sector, opdracht gegeven voor een door Sjoukje Dijkstra te rijden 'kür' een compositie te schrijven. Wij (de componisten en de gemeentesecretaris) maakten daarvoor speciaal een reis naar Dortmund, waar op de daar aanwezige ijsbaan - één van de beste in Europa - de wereldkampioenschappen zouden worden gehouden en waar we Sjoukje gade konden slaan bij de voorbereidingen van de vrije oefeningen en de 'kür'. Toen de vier componisten met hun stukken klaar waren - wij zouden ieder 250 gulden en de uitverkorene nog 1.000 gulden extra krijgen - weigerde Sjoukje op onze muziek te rijden en gaf de voorkeur aan de bekende potpourri's, waar zij aan gewend was. Een teleurstelling voor ons en ook voor de gemeente Amsterdam, maar er was niets aan te doen."

Pensioen

Na zijn pensionering gaf Cor de Groot nog zo nu en dan concerten. Hij trad regelmatig op met jongere musici. Hij had een goed contact met de cellist Dmitri Ferschtman en de violist Joan Berkhemer met wie hij Griegs viool- en cellosonates opnam. Ook speelde hij vaak duo's met andere pianisten, waar onder Gérard van Blerk (1924-1997), Jacob Boogaard en Elisabeth van Malden. Met haar speelde hij als quatre-mains in 1983 onder meer de zes boeken van 'De Kinderkamer' van Desiré Inghelbrecht.

In de latere jaren componeerde hij veel kleinere pianowerken, waarvan onderstaande als bladmuziek in Pianowereld werden gepubliceerd: 'Dance villageoise Française' (à la mémoire de Francis Poulenc) [PW 4/95 en 6/85], 'Epigram in Es' (voor Cocky 20/2/85) [PW 6/97], 'Een Kerstlied' (naar Oh, du Fröhliche 1987 [PW 6/87], 'Nuit de Noël' (pour Edmeé 1988) [PW 6/88], 'Kerst-Impressie' (voor Cornelia 1989) [PW 6/89], 'Pools Kerstlied' (pianozetting Cor de Groot 1992), 'Bagatelle van Beethoven' (bewerking voor linker- of rechterhand Cor de Groot) [PW 2/90], 'The New Land' (voor Fred, a spiritual for piano-forte-solo) [PW 6/90], 'Winterdroom' (voor Bernard Spanjaard 1991) [PW 6/91] en 'Door Lotje getikt' (één-minuut wals voor de teckel Lotje van voormalige Pianowereld redacteur Hans Tuijten) [PW 3/93].

In 1986 kreeg Cor de Groot een opdracht om de zesde symfonie van Léon Orthel te bewerken voor twee piano's om dit werk meer bekendheid te geven (Mens & Melodie 5/86). "Orthel die op 6 september (1985) overleed, heeft De Groot vóór zijn heengaan zijn instemming met het plan betuigd. De componist was er trouwens van op de hoogte dat De Groot óók bezig was aan een bewerking voor twee piano's van Orthels eerste symfonie die vóór de laatste wereldoorlog door Eduard Flipse en het toenmalige Rotterdamse orkest ten doop werd gehouden maar daarna door Orthel werd teruggetrokken. Veel later, na de Tweede Wereldoorlog, heeft Orthel er mee ingestemd dat deze eerste symfonie nog eens werd gespeeld door het Radio Filharmonisch Orkest onder Willem van Otterloo. De versie voor twee piano's van de zesde symfonie zal in een uitvoering van Cor de Groot en Jacob Boogaard in première worden opgenomen en uitgezonden door de KRO. Enkele maanden geleden gaven Elisabeth van Malden en Cor de Groot reeds een uitvoering van De Groots zetting voor twee piano's van Orthels 'Album dei disegni' (Album met teruggevonden schetsen), een werk voor groot orkest dat in oorspronkelijke vorm nog niet tot uitvoering kwam. Na de vertolking van de versie voor twee piano's toonden verscheidene dirigenten belangstelling voor het stuk."

Maar met de gezondheid van Cor de Groot ging het minder goed. Hij kreeg last van benauwdheid als gevolg van longemfyseem en zijn stem werd steeds heser. Tot zijn grote voldoening kon hij in 1988 nog alle mazurka's van Chopin op een dubbel-CD zetten in het Haags Gemeentemuseum op een Pleyel-vleugel uit 1847 die in 1970 was gerestaureerd door Wouter Scheurwater (Vanguard 99058). Deze productie die internationaal werd uitgebracht kreeg zeer goede kritieken. Zijn laatste radio-opnamen waren voor de EO. Elf korte pianowerken van Rachmaninov en wat kerstmuziek. Die werken van Rachmaninov staan, met een door Cor in 1954 gespeelde uitvoering van Rachmaninovs eerste pianoconcert op een CD die door de EO is uitgebracht."

Aan het begin van de jaren negentig ging de gezondheid van Cor de Groot snel achteruit. Zijn liefde en interesse voor muziek bleef echter onveranderd en hij bracht veel tijd door in zijn werkkamer om naar de radio of zijn vele bandopnamen te luisteren. Het leven werd beperkt tot huis, haard en familie, maar met een schat aan bijzondere herinneringen.

Cor de Groot overleed op 26 mei 1993 op 78-jarige leeftijd.


Met dank aan: Cornelia de Groot-De Haan, Elger Niels, Jan Felderhof en Marcus van der Heide

(Hans Goddijn is free-lance journalist en hoofdredacteur van Pianowereld)


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links