Opera en operette

Open brief aan Olivier Keegel

 

© Paul Korenhof, maart 2018

 

Beste Olivier Keegel,

Uit diverse reacties, het rumoer op internet en naar ik hoor ook op Facebook (een medium waarvan ik mij verre houd) maak ik op dat u moeite heeft met de beslissing van DNO u in de toekomst niet meer als pers te faciliteren. Als u zich afvraagt of DNO dit mag doen, is het antwoord heel simpel: 'Ja, waarom niet?' Het is vaker gebeurd en niet alleen in Amsterdam. Bijvoorbeeld ook - en nog niet zo lang geleden - in de Brusselse Munt ten aanzien van een Nederlandse operarecensent. Niet om wat hij schreef, maar omdat hij binnen gehoorsafstand van de intendant 'boe' riep naar een regisseur (en begrijpelijk; als ik naast hem had gestaan, had ik misschien zelfs meegeroepen).

Censuur
Of ik het met zo'n beslissing eens ben, is een tweede, maar als het gaat om de reactie van DNO op uw artikelen, zowel in Het Parool als op uw eigen site, moet ik zeggen dat ik het wel enigszins kan begrijpen. Links en rechts valt dan meteen het woord 'censuur', maar daarvan is hier absoluut geen sprake. U mag nog altijd schrijven wat u wilt en waar u wilt. Alleen heeft DNO blijkbaar geen zin meer om daaraan zelf mee te werken.

In mijn lange carrière als recensent heb ik geleerd dat een negatieve bespreking altijd een positief uitgangspunt moet hebben. Niet alleen omdat anders snel de indruk wordt gewekt van een vooroordeel waardoor een bespreking toch ongeloofwaardig wordt, maar ook omdat een goede bespreking moet uitstralen dat de auteur echt van zijn vak en van de materie houdt. Een negatieve ervaring mag zijn enthousiasme nooit ondermijnen. Wie niet voor zijn plezier naar het theater gaat, altijd weer in de hoop op een nieuwe, positieve ervaring, kan beter iets anders gaan doen!

Pierre Audi (foto Sarah Wong)

De bal en de man
Zeker in de kunstjournalistiek, waarin smaken en subjectieve meningen zo'n grote rol spelen, is het belangrijk - niet alleen uit wellevendheid maar ook om voor een brede lezerskring geloofwaardig te zijn - om altijd de bal te spelen en nooit de man. Tenzij iemand kan worden beschuldigd van malversaties of onheus handelen, dienen zijn daden te worden gescheiden van zijn persoon. En laten we eerlijk blijven: Pierre Audi (want om hem gaat het) heeft schitterende dingen gedaan, waaronder zijn Monteverdi-cyclus, de (eerste Nederlandse) Ring-productie, het Vivier-project, L'Amour de loin en andere 'mise-en-scènes', de promotie van diverse Nederlandse opera's en niet te vergeten het (voor mij) absolute hoogtepunt van zijn directeurschap: Schönberg's Moses und Aron onder leiding van Pierre Boulez en in de regie van Peter Stein.

De afgelopen jaren wekten echter steeds meer de indruk dat in het beleid van DNO een publieksgerichte repertoireopbouw ondergeschikt was aan het tonen van bijzondere producties, niet zelden op wens van regisseurs en dirigenten. De recente, muzikaal overigens fenomenale productie van Das Floss der Medusa bood daarvan weer een voorbeeld. Dat dirigent Ingo Metzmacher dat stuk graag onder optimale condities wilde uitvoeren, kan ik mij voorstellen, en de door hem bereikte resultaten rechtvaardigen de geïnvesteerde moeite ten volle. Toch zouden zowel DNO als de Nederlandse operawereld wellicht meer gediend zijn geweest met Boulevard Solitude, het belangrijkste theaterwerk van dezelfde componist en bovendien een 'echte opera' die nog nooit in Nederland is opgevoerd.

Muziekdrama vs muziektheater
Dat 'opera' bij DNO niet wordt gezien als 'muziekdrama', met het accent op muziek en zang als dragers van de emotie, maar meer als visueel interessant 'muziektheater', blijkt ook uit talloze details. Zo lezen we op pagina 3 van de recente ODEON enthousiasme over het feit dat zangeressen als Catherine Naglestad en Anna Larsson de komende weken in Schönberg's Gurre-Lieder (ook geen opera!) TE ZIEN zullen zijn. Mij interesseert nog altijd meer hoe zangeressen klinken dan hoe zij eruitzien, maar misschien ben ik onvoldoende met mijn tijd meegegaan. Ik heb liever een zangeres met vlees op haar botten die met haar stem ontroert en overtuigt, dan een soliste met het uiterlijk van een filmster wier zang mij kromme tenen bezorgt. Maar ik moet toegeven: een groot deel van het 'nieuwe' publiek hoort (of interesseert) dat verschil nauwelijks.

Seizoensanalyse
Bezien we de inhoud van uw artikel, dan moet ik constateren dat ik het met de eerste helft in grote lijnen eens ben en dat ik bepaalde zaken zelf ook al op (inhoudelijk) vergelijkbare wijze verwoord heb. Het heeft alleen weinig zin dat te blijven herhalen. Beleid en repertoire voor het komende seizoen liggen vast en verder kunnen we alleen hopen dat Audi's opvolgster Sophie de Lint zich meer 'operaminded' zal opstellen.

In uw analyse van het komende seizoen kan ik mij echter niet zo goed vinden, al was het maar omdat daarin maar liefst acht 'traditionele opera's' geprogrammeerd staan, meer dan wij de afgelopen jaren hebben meegemaakt. Ook geeft DNO meer voorstellingen dan in voorgaande seizoenen, al wordt nog steeds niet voldaan aan de vóór de opening van Het Muziektheater met de minister gemaakte afspraak om te komen tot een aantal van 105. We zullen dus maar vergeten dat Truze Lodder en Pierre Audi twintig jaar later, tijdens de aanloop naar Der Ring des Nibelungen, die afspraak hebben omgezet in de belofte om te streven naar 115 voorstellingen per seizoen. (Evenementen als foyeravonden en lunchconcerten reken ik natuurlijk niet mee.)

Mozart: Die Zauberflöte (scènefoto)

Oud, eigentijds en nieuw
Tot slot wil ik - mede aan de hand van uw opmerkingen - het hele seizoen de revue laten passeren, waarbij ik voor het gemak de chronologische volgorde zal aanhouden. Om te beginnen suggereert uw opmerkingen over 'een zes jaar oude Zauberflöte' die 'voor de zoveelste keer' wordt teruggehaald, dat de seizoensopening in uw ogen weinig genade vindt. Vreemd! Zouden we niet juist blij moeten zijn dat een repertoirewerk nog steeds zoveel publiek trekt, dat een nieuwe reprise lonend schijnt? Bovendien zou u enthousiast moeten zijn over het feit dat een dure productie nu eens een keertje geld opbrengt en niet na één serie voorstellingen op de schroothoop belandt!

Over Jenufa schrijft u alleen dat die geregisseerd wordt door 'Katie Mitchell, van wie menigeen nu wel een verlost wil worden'. Inderdaad ben ik ook een beetje op haar ensceneringen uitgekeken, maar ditmaal werkt zij niet met de ontwerpster Vickie Mortimer, zodat we misschien geen voorspelbaar decor krijgen met zes kamertjes op twee etages en een wenteltrap rechts. Bovendien leent Jenufa zich uitstekend voor een eigentijdse aanpak. Afgezien daarvan: met Annette Dasch, Evelyn Herlitzius, Hanna Schwarz en Pavel Cernoch in de belangrijkste rollen doe ik graag af en toe mijn ogen dicht om alleen maar te luisteren. (Dan hoef ik ook niet te kijken naar die pr-foto uit de jaarbrochure die met een beetje pech eveneens op de affiches terechtkomt.)

Wat is er tegen Il barbiere di Siviglia? De vorige productie dateert van 1987 (31 jaar geleden!) en had nooit mijn volle sympathie, ondanks het visuele amusement van Dario Fo. Ik zag te veel grappen en grollen ten koste van de muziek, maar om eerlijk te zijn: die productie was wel te prefereren boven de humorloze voorstelling die daaraan voorafging. Een echt leuke Barbiere waarin de muzikale humor niet door de regie werd overwoekerd, heb ik hier niet meer gezien sinds het Holland Festival 1962. Ik kijk dus met verlangen uit naar een nieuwe enscenering, zeker als die geregisseerd wordt door Lotte de Beer, en als daar solisten als Nino Machaidze en Ambrogio Maestri aan meewerken.

Vivaldi: Juditha triumphans (uit de DNO-seizoensbrochure 2018/19)

Vervolgens twee werken die tot het wereldrepertoire behoren maar nooit door een Nederlands gezelschap geprogrammeerd zijn. Enescu's Oedipe zal geen publieksfavoriet worden, maar verdient zeker een opvoering, en dat Porgy and Bess nooit eerder bij DNO te zien was, is ronduit een schande. Bij Juditha triumphans stel ik wel vraagtekens. Als het toch Vivaldi moet zijn, waarom dan een oratorium en geen echte opera? De regie van Floris Visser doet mij bovendien vrezen dat de Kalasjnikovs weer uit het vet worden gehaald; ik stel mijn hoop voorlopig op de solisten, onder wie de Franse mezzosopraan Gaëlle Arquez.

Wagner en Puccini
Gaan we voorbij aan het - hopelijk verrassende - Opera Forward Festival, dan belanden we bij Tannhäuser met onder meer Svetlana Aksenova en Ekaterina Gubanova, zangeressen over wie ik al zoveel heb gehoord, dat alleen al hun aandeel mij naar die voorstelling trekt. Ook kijk ik na Tristan und Isolde weer verlangend uit naar de aanpak van dirigent Marc Albrecht, terwijl de regie van Christof Loy heel spannend kan zijn. Hij overtuigt mij niet altijd (zeker niet als hij Verdi regisseert), maar in het Duitse repertoire treft hij mij keer op keer door zijn aandacht voor de gezongen tekst. En daar draait een opera toch om!

Puccini: Madama Butterfly (scènefoto)

Robert Wilson's enscenering van Madama Butterfly is niet uw Butterfly en daarin kan ik meegaan. Ik hoor in de muziek emoties die op het toneel volledig afwezig zijn, maar 'oerlelijk' kan ik de productie absoluut niet noemen. Eerder bloedmooi, een juweeltje van theatrale vormgeving! En eerlijk is eerlijk: liever een operatoneel waarop weinig gebeurt, zoals hier, dan een enscenering vol elementen die nergens op slaan en die zelfs volledig in strijd zijn met de gezongen tekst (zoals in de productie van CavPag die momenteel in Brussel te zien is). Met Elena Stikhina en Enkelejda Shkosa in de hoofdrollen doe ik bovendien graag mijn ogen dicht om beter te kunnen luisteren!

Vraagtekens
Een probleem blijft Aus Licht. Ik blijf van mening dat het geld en het talent van Audi beter iets anders besteed hadden kunnen worden, en dat dit project meer op het terrein van het Holland Festival dan op dat van DNO had gelegen. Ondanks alle musicologische juichverhalen blijft het een muzikaal wangedrocht van een megalomane componist die als een ware sekteleider zijn volgelingen heeft verblind en gehersenspoeld. Verzet is echter zinloos en we moeten ons troosten met de hoop dat het ondanks de muziek van Stockhausen een bijzondere theatrale ervaring kan worden.

Kennelijk kijkt u met enig vertrouwen uit naar Pelléas et Mélisande in de regie van Olivier Py, onder meer op grond van diens regie van Dialogues des Carmélites. Juist die productie, waarvan de slotscène voor mij een absolute misser was, doet mij aarzelen. Ik vind het ook moeilijk iets over Pelléas et Mélisande te zeggen zolang de bezetting niet bekend is. Debussy's 'drame musicale' vraagt om een solistenteam dat een authentiek Franse uitvoering kan geven waarbij ieder woord helder en verstaanbaar overkomt. Ik geloof daar niet meer zo in, zeker niet in de grote zaal van het Muziektheater. Champagne drink je niet uit een soepkom!

Reactie van Olivier Keegel:

Beste Paul Korenhof,

Uw aan mij gerichte open brief was voor mij, hoewel u op enkele punten ernstig van mening met mij verschilt, een warme douche, gezien de haatmail die ik dagelijks ontvang, die het niveau wie-kaatst-moet-de-bal-verwachten op ruime wijze overstijgt. Fijn om een reactie op niveau te lezen. Toch wil ik graag enkele punten onder uw aandacht brengen. Allereerst, wat betreft mijn “eigen site”: ik heb geen site, ik ben als correspondent/recensent op freelancebasis werkzaam voor het in België gevestigde Opera Gazet.

De Nationale Opera weert mij als recensent, dat wil zeggen: geen aanwezigheid bij persbijeenkomsten en geen persplaatsen, een beslissing op grond van een onwelgevallig opiniestuk op de Opiniepagina van Het Parool. Er ontstaan aldus A- en B-recensenten, een mijns inziens onwenselijke situatie uit een oogpunt van persvrijheid. De vergelijking met het weren van een ter plaatse boe-roepende en stampij makende, dus zich evident fysiek misdragende recensent in Brussel gaat volledig mank. Ik ben het wel met u eens dat een bespreking, ook een negatieve, altijd een positief uitgangspunt moet hebben. Men houdt immers van opera, en dat is voor mij niet anders. Mag ik u in dit verband verwijzen naar de vele hoge “cijfers” die De Nationale Opera tot nu toe in mijn recensies “gescoord” heeft?

Dat ik “op de man” zou spelen, is een hardnekkige mythe, hoewel dat afhankelijk is van wat men onder deze uitdrukking verstaat. Men heeft vaak moeite om pittige kritiek te weerleggen, en diept dan deze term op uit de karig gevulde ladekast der argumenten. In margine: de regies van Pierre Audi, vooral zijn Wagner-regies, bewonder ik zeer. Over de laatste Tristan schreef ik in mijn recensie op Opera Gazet: “Bij Audi gaat het, en dat is in het huidige tijdsgewricht minder voor de hand liggend dan het lijkt, om de hoofdpersonen, Tristan en Isolde. Geen hupsafladder eromheen, de uitvoering leek bij tijd en wijle welhaast semi-concertant. Hulde! De setting is tijdloos, wederom: hulde!”
Mijn “cijfer” voor de regie was een 9 (4,5 sterren).

Over mijn gewraakte artikel schrijft u: “Bezien we de inhoud van uw artikel, dan moet ik constateren dat ik het met de eerste helft in grote lijnen eens ben en dat ik bepaalde zaken zelf ook al op (inhoudelijk) vergelijkbare wijze verwoord heb.” Ik constateer dat met vreugde. De rest van uw open brief gaat in op de diverse producties die ons komend seizoen te wachten staan, en waarover wij het soms eens en soms oneens zijn. Het lijkt me niet nuttig daar nu verder op in te gaan, met één uitzondering: Butterfly. U wijst, net als ik, Wilson's enscenering van Madama Butterfly af, maar 'oerlelijk' kunt u de productie absoluut niet noemen. Mijn kwalificatie “oerlelijk” is gebaseerd op de volledige discrepantie tussen muziek en regie; de regie gaat hier op afzichtelijke wijze tegen Puccini in, ik vind dat wél oerlelijk.

Ik heb de stellige indruk dat wij het meer eens zijn dan men op het eerste gezicht zou denken – zeker ook wat betreft Stockhausen. Gezien de zeer vele positieve reacties die ik krijg van operaliefhebbers die prijs stellen op librettogetrouwe uitvoeringen, op composities van niet alleen Verdi, Puccini en Donizetti, maar ook van Mascagni, Leoncavallo, Giordano en “zelfs” Wolf-Ferrari, ben ik van mening dat er ruimte is en moet zijn voor mijn recensies en artikelen. Ik heb een zwak voor de “gewone” operaliefhebber. Champagne drink je niet uit een soepkom, zoals u terecht stelt. Maar bier evenmin.

*********************

Naschrift van Paul Korenhof:
Eén opmerking en dan is deze discussie wat mij betreft gesloten. Een journalist in de kunstensector die zijn voorlichtende taak serieus neemt, mag zijn eigen smaak of mening wel laten merken, maar mag die nooit tot alleszaligmakende leidraad verheffen. Een woord als 'oerlelijk' suggereert een esthetisch waardeoordeel dat met betrekking tot de bedoelde productie iedere grond mist, hoe men ook moge denken over de relatie tussen het visuele element en Puccini's muziek. Daarmee wordt de lezer op het verkeerde been gezet en bovendien wijst het woord in deze context op een onvermogen om de beoordeling van een voorstelling los te koppelen van de eigen smaak of het eigen wensenpatroon.

Een goede criticus moet de smaak van al zijn lezers respecteren, ook als die verschilt van zijn eigen smaak. Over technische en objectief controleerbare aspecten mag hij zijn oordeel uitspreken, maar waar het artistieke keuzes en benaderingen betreft, moet hij in staat zijn tot het signaleren van zowel positieve als negatieve elementen, ongeacht of het te beoordelen werk of de te beoordelen uitvoering aan zijn eigen smaak beantwoordt.

Voor alle overige punten verwijs ik naar mijn eerdere reactie.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links