Opera en operette

DNO na Pierre Audi

 

© Paul Korenhof, november 2018

 

Het vertrek van Pierre Audi heeft heel wat losgemaakt. Dat begon al in het voorjaar met interviews en beschouwingen in diverse dagbladen en het eindigde voorlopig met zeven pagina's in het Theater Jaarboek, waarin na een uitgebreide eulogie van Audi's discipel Willem Bruls vertegenwoordigers van verschillende disciplines eveneens hun woordje mochten doen.

Algemeen in die beschouwingen is het doortrekken van de lijn die al twintig jaar algemeen is: het suggereren dat het Nederlandse operaland vóór de komst van Audi totaal braak lag. Keer op keer doet men het voorkomen alsof wij de aandacht voor onbekend repertoire, eigentijds repertoire en creaties volledig aan Audi danken. Pure geschiedvervalsing, die nog eens in de hand gewerkt wordt door een aculturele overheid die ondertussen met een culturele kaalslag zo ongeveer al het representatieve muziektheater buiten Amsterdam heeft wegbezuinigd!

Rijk operaleven
Iedereen die iets weet van het Nederlandse operaleven 'vóór Pierre Audi' (en daartoe behoren op Bruls na niet degenen die het Theater Jaarboek aan het woord laat), weet ook dat Nederland de afgelopen eeuwen een rijk operaleven heeft gekend. Tot een halve eeuw geleden bracht ons land weliswaar geen operacomponisten van naam voort (evenmin als toneelschrijvers van enige importantie), maar opera's werden wel in groten getale opgevoerd, en vaak op hoog niveau.

Dat bij de voorgangers van DNO de kwaliteit van de uitvoeringen niet altijd zo hoog was als we zouden willen, hing in hoge mate samen met het ontbreken van een echt operatheater. Die omstandigheid is pas in 1986 gewijzigd en daarvan heeft Audi dus ten volle heeft kunnen profiteren, ook door de steeds sterkere zuigkracht die al snel van Het Muziektheater uitging.

De mensen die blijven beweren dat er voordien geen aandacht was voor nieuw repertoire en nieuwe ontwikkelingen, en dat door de Nederlandse Opera(stichting) geen wereldpremières werden verzorgd, worden duidelijk niet gehinderd door enige kennis van zaken. Ten tijde van Hans de Roo werden per seizoen gemiddeld niet minder onbekende en/of nieuwe werken uitgevoerd dan ten tijde van Audi, maar bovendien was er een aandacht voor het 'ijzeren repertoire' waarbij de periode-Audi heel mager afsteekt.

Moses und Aron
Daarnaast maakte De Roo zich al lang vóór Audi sterk voor componisten als Monteverdi en Cavalli, en liep hij voorop in het engageren van regisseurs en componisten die nieuwe wegen insloegen, onder wie Bruno Maderna, Michael Gielen, Götz Friedrich en Harry Kupfer. Vooral op dit punt werd hij echter gedwarsboomd door het ontbreken van een eigen theater. Was dat twaalf jaar eerder gebouwd, dan hadden wij hier wellicht een glorieuze periode meegemaakt met Michael Gielen of zelfs Pierre Boulez als chefdirigent en Götz Friedrich als chefregisseur.

Een feit is in ieder geval dat Pierre Audi de wind sterk mee heeft gehad en ook op andere punten was zijn bedje al min of meer gespreid toen hij naar Amsterdam kwam. Zo zat daar in de persoon van Truze Lodder een zakelijk directeur aan wie hij een groot deel - zo niet het grootste - te danken heeft van wat hij in Amsterdam tot stand kon brengen.

Dat laatste ontkent ook hijzelf niet, maar zelden lees of hoor je dat ook sommige andere zaken al waren voorgekookt. Als een van zijn grootste wapenfeiten wordt regelmatig (en terecht!) de productie van Schönberg's Moses und Aron onder leiding van Pierre Boulez en Peter Stein genoemd, maar juist die productie danken wij in feite aan Jan van Vlijmen. Nog de middag vóór zijn vertrek bij DNO had deze in Parijs met Boulez voorbereidende besprekingen hierover gevoerd en het contact met Peter Stein was toen ook al gelegd. Het was een welkomstpresentje dat de nog totaal onvoorbereide Audi in de schoot werd geworpen!

Fish and chips
Verder valt bij lezing van het Theater Jaarboek op dat degenen die daarin de loftrompet op Audi steken, overwegend behoren tot degenen die het moderne theater ofwel de moderne muziek met hart en ziel zijn toegedaan, maar dat je hen niet bepaald als 'operaliefhebbers' kunt bestempelen. Bijna onvermijdelijk is dan ook tussen de regels door de vrees te lezen dat DNO zich in de toekomst meer op het traditionele repertoire zal richten. Regisseur Johan Simons (niet echt een operadeskundige) twijfelt zelfs aan de artistieke toekomst van DNO getuige zijn woorden: "(...) nu blijven er in Amsterdam alleen managers over, dat gaat zich wreken."

Ook Willem Bruls, zeker niet ondeskundig op het gebied van de opera, blijkt de Amsterdamse toekomst niet helemaal rooskleurig in te zien. Of daarbij meer meespeelt dat dan het feit dat voor hem het theatrale gebeuren, de regie, sterker weegt dan de muziekdramatische essentie in de door librettist en componist geschapen partituur, is onduidelijk. Feit is dat hij, schrijvend over Audi en DNO, twee andere theaters erbij haalt. Van de Bayerische Staatsoper in München kan ik mij dat nog voorstellen: naar dat theater heeft Audi ook meer dan eens vergelijkenderwijs verwezen. Het ontgaat mij echter waarom hij daarnaast de Opera van Zürich, waar Audi's opvolgster Sophie de Lint vandaan komt, een veeg uit de pan moet geven vanwege de 'gladde, moderne ensceneringen, die niemand tegen de haren in strijken", Of zijn de druiven misschien toch zuur?

Algemeen is ook de constatering dat Audi Nederland als operaland internationaal op de kaart heeft gezet. Dat is inderdaad een feit en een Engelse criticus (die overigens alleen naar Amsterdam kwam voor de meest interessante producties) zei mij ooit dat ieder voorstelling hier voor hem 'champagne met kaviaar' was. Dat heb ik niet tegengesproken, maar ik zei wel dat ik dolgraag af en toe wat van de 'fish and chips' zou krijgen die hij in Londen met circa tien voorstellingen per week regelmatig kreeg voorgezet. Afgezien daarvan moeten we ons echt afvragen of 25 miljoen euro subsidie bedoeld is om DNO een internationale faam te bezorgen of om voorstellingen te verzorgen voor de Nederlandse operaliefhebbers (die via de belastingen dat geld ook opbrengen).

93 procent (?)
Internationale faam is leuk, maar wat heb je eraan als de zalen steeds leger worden? Els van der Plas, algemeen directeur van Nationale Opera & Ballet, beroemt zich graag op een bezettingsgraad van 93 procent. Wie regelmatig een voorstelling van DNO bezoekt, kent echter het gezicht van een zaal met lege plekken en heeft ook gemerkt dat het ontstaan van nog meer lege plekken regelmatig wordt bestreden met kortingskaarten en 'educatieve uitnodigingen'. In tegenspraak met de woorden van Els van der Plas is trouwens het Amsterdamse gerucht dat de perschef van DNO vorig jaar als zondebok werd opgeofferd aan een teruglopend bezoekersaantal, hoewel dat toch eerder geweten zou kunnen worden aan andere zaken dan aan het onderhouden van contacten met de pers.

Een feit is dat het bezoek terugloopt, maar anders dan Els van der Plas heeft Pierre Audi dat probleem wel degelijk toegegeven, zij het in enigszins bedekte termen. In een interview in Het Parool (14 april 2018) ging hij vooral in op de teruglopende abonnementsverkoop, die hij geheel relateerde aan een ontwikkeling 'over de hele wereld': "Mensen besluiten nu op het laatste moment waar ze heen gaan."

Stersolisten
Ten dele zal de abonnementsverkoop zeker onderhevig zijn aan sociale factoren, maar een feit is ook dat een theater daarin wel degelijk een sturende rol kan vervullen. Elders verklaarde Audi dat hij geen ster als Jonas Kaufmann wilde engageren omdat die geen zes weken kwam repeteren, zodat de voorstelling niet het door hem nagestreefde niveau zou bereiken. Afgezien van het feit dat het nog maar de vraag is of zangers als Kaufmann en Joyce DiDonato voor de juiste rol inderdaad niet zoveel tijd zouden willen vrijmaken. We praten wel over serieuze artiesten! Aan de andere kant kan ik mij ook voorstellen dat deze zangers, evenals Domingo, Netrebko en enkele anderen, echt niet voor iedere rol zes weken nodig hebben. Die periode is soms belangrijker voor improviserende regisseurs dan voor geroutineerde solisten. En laten we eerlijk zijn: zangers van dit niveau kunnen aan een voorstelling iets toevoegen waar geen regisseur tegenop kan!

Daarnaast zijn er andere overwegingen om toch in ieder geval één keer per seizoen een 'ster' te engageren, bij voorkeur voor een opera die eveneens een publiekstrekker is. Zet zo'n voorstelling in ieder abonnement, eventueel met het recht voor abonnementhouders op voorrang bij de verkoop van losse kaarten. Dat bevordert gegarandeerd de abonnementsverkoop en daardoor zitten meteen de minder goed lopende voorstellingen ook weer voller met alle positieve effecten van dien. Bij AH weten ze dat ze minder gangbare zaken alleen kunnen verkopen als ze klanten trekken met aantrekkelijk aangeboden eerste levensbehoeften. Op dat punt kan DNO iets van de Zaanse grootgrutter leren!

Onvrede
Een grote vergissing (bewust gemaakt of onkunde?) van de Audi-aanhang is het constant suggereren dat de onvrede onder sommige groepen operaliefhebbers voortkomt uit conservatisme, traditionalisme en een verzet tegen theatervernieuwing. Natuurlijk zijn die geluiden er ook, maar de essentie ligt elders, zoals blijkt uit het feit dat enkele van de felste critici van Audi's beleid tegelijk positief staan tegenover diens eigen, bepaald niet traditionele ensceneringen.

Het grote kritiekpunt is niet dat sommige hedendaagse regisseurs 'modern' of 'te sterk vernieuwend' zijn, maar dat zij voorbijgaan aan de opera zelf, aan de partituur en de muziekdramatische inhoud daarvan. Zij regisseren niet het werk dat librettist en componist hebben geschreven (en in een goede opera is iedere noot van de muziek geïnspireerd door de tekst), maar zij gebruiken het werk als een kapstok om hun eigen ideeën aan op te hangen. Dat moet natuurlijk kunnen, maar spiegel het publiek niet voor dat het gaat naar een opera van Verdi of Bellini als het in werkelijkheid een nieuw stuk voorgeschoteld krijgt, ontsproten aan de fantasie van de regisseur, waarbij tekst en muziek niet meer zijn dan de muzikale begeleiding.

Tot slot
Over de ensceneringen van Audi mag ieder denken hoe hij wil. Soms waren zij wat al te sterk op esthetiek gericht, meer dan eens leken de emoties onderkoeld en ook bleef de karaktertekening hier en daar aan de vlakke kant. In de afgelopen dertig jaar gaf hij mij echter slechts één keer het gevoel dat ik niet naar de opera keek die librettist en componist geschreven hadden, maar die voorstelling (niet in Amsterdam) wil ik liever met de mantel der liefde bedekken. Ook een regisseur van dat niveau mag de plank soms misslaan. De positieve ervaringen die hij ons bezorgd heeft, compenseren dat ruimschoots.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links