Muziek (algemeen)

A Yiddishe Momme...

 

© Aart van der Wal, april 2017

 

 
Gij die veilig leeft
In uw beschutte huizen,
Gij die 's avonds thuiskomt
Bij warme spijs en dierbare gezichten:
Bedenkt of dit een man is
Die werkt in de modder
Die geen vrede kent
Die vecht om een stuk brood
Die sterft om een ja of een nee.
Bedenkt of dit een vrouw is
Zonder haar en zonder naam
Zonder herinnering aan wat was
Met lege ogen en koude schoot
Als een kikvors in de winter.
Bedenk dat dit geweest is:
Ik beveel u deze woorden.
Grift ze in uw hart
Waar ge gaat waar ge staat
Bij het opslaan bij het slapen gaan:
Zegt ze voort aan uw kinderen.
Of uw huis begeve u,
Ziekte verlamme u,
Uw nageslacht wende zich van u.
(Joods ochtendgebed)

Op 4 mei herdenken we veel. Misschien zelfs wel te veel. Dit nationale in memoriam is in de loop der jaren uitgegroeid tot een zo langzamerhand onoverzienbare kolos die het gehele tijdperk vanaf 1940 beslaat en waarin door velen een plek wordt geclaimd. Iets wat eerst uitgesproken specifiek was heeft geleidelijk aan plaats moeten maken voor meer algemene kenmerken, terwijl eens zo diep gewortelde gevoelens door de tijd zijn bij- en zelfs afgeschaafd, niet in de laatste plaats doordat de meeste slachtoffers die de Tweede Wereldoorlog hebben overleefd inmiddels niet meer onder ons zijn. We hebben de geleidelijke verschuiving gezien van het 'te land, ter zee en in de lucht' van de Tweede Wereldoorlog naar de meest uiteenlopende vredesoperaties. Terwijl onze zuiderburen nog dagelijks volop met de herdenking van de Eerste Wereldoorlog in de weer zijn, de taptoe blazen, heeft de tand des tijds bij ons danig huisgehouden.

Marteling en Moord
Hoewel ik geen Joodse wortels heb en het Jodendom als zodanig geen bijzondere plaats in mijn leven inneemt (het een houdt nu eenmaal onverbrekelijk met het ander samen) heb ik zowel binnen als buiten de herdenkingstraditie een bijzonder oog gehad voor de niet te bevatten gruwel en zinloosheid van de uitroeiing van het Europese Jodendom. Een hemelschreiende, inktzwarte bladzijde in onze geschiedenis en tegelijk een absurditeit die in ons land alleen al meer dan honderdduizend Joden het leven heeft gekost. Het valt niet te rijmen met wat dan ook, hoezeer ook pogingen zijn ondernomen om deze monsterachtige verdelging te verklaren (over goedpraten of marginaliseren wil het al helemaal niet hebben). Hetzij vanuit wetenschappelijk, filosofisch, theologisch, sociaal economisch, psychologisch en zelfs psychiatrisch perspectief. De twee grote M's: Marteling en Moord. De derde M, die van Mededogen, schemert hoogstens hier en daar op de achtergrond, maar we hoeven ons geen illusies te maken over wat eraan heeft ontbroken. We nemen met graagte de (mislukte) Februaristaking in de mond, maar de treinen uit Westerbork werd geen strobreed in de weg gelegd, de regering in Londen hield zich afzijdig, de vele rapporten die met name door de Poolse ondergrondse werden aangereikt werden alleen maar braaf gelezen. Geen rails werd verbogen, geen vernietigingskamp met de grond gelijk gemaakt, geen gaskamer onder een bommentapijt gelegd. En de spaarzaam op gang gebrachte exodus eindigde doorgaans in een meedogenloos terugsturen, het liefst naar de haven van herkomst. Terwijl met geen enkele encycliek mensen van de vernietigingsdood konden worden gered.

Station Muiderpoort, Amsterdam - Op weg naar het einde

Een deel van de persoonlijke verslaggeving van die gruwelijke gebeurtenissen heeft blootgestaan aan zowel veel lof als kritiek. Lof wat betreft de bereidheid om het onleefbare en onvoorstelbare alsnog te (laten) beleven en daardoor voor te stellen, kritiek omdat in de berichtgeving de herinnering en herbeleving een onvermijdelijke subjectieve kant had. Wel moest hebben, want de onmenselijke maat der dingen lag ook daarin. In zijn standaardwerk ‘Ondergang' uit 1965 (nog steeds gratis te downloaden op de DNBL-site) noteerde J. Presser het zo: ‘Misschien is de enige goede manier, te pogen het zo ver te brengen, dat de lezer zich zoveel mogelijk met de slachtoffers vereenzelvigt, hetgeen in het menselijke vlak een sober verhaal, in het zakelijke een sober verslag vereist. Verslag en verhaal door elkaar heen geweven, vrij van welke romantische opsmuk ook, óók zakelijk in het menselijke, óók menselijk in het zakelijke'. Wie zijn eigen kampervaringen neerschrijft moet bijna over bovenmenselijke eigenschappen beschikken om daaraan te voldoen. Dat het velen gelukte siert hen, op meerdere fronten.

 
  Uitnodigingsbrief van Reynhardt Heydrich voor de Wannsee-Konferenz

Dit kon niet waar zijn
De beruchte Wannsee-Konferenz van 20 januari 1942 mag dan in ons collectief geheugen zijn gegrift, al op 31 juli 1941 was er het bevel uitgegaan van Hermann Göring (uiteraard in samenspraak met Heinrich Himmler) aan Reynhardt Heydrich dat de evacuatie van de Joden een voldongen feit was geworden. Het klinkt nog tamelijk vriendelijk, ‘evacuatie', maar in het Eichmann-proces in Jeruzalem kreeg die term de enige ware betekenis: vernietiging. En wie kon die vernietiging beter organiseren dan degenen die het patent leken te hebben op de alom gerespecteerde ‘Gründlichkeit'?

De door Duitse strakke hand geleide vernietigingscentrale met als kern daarvan een ongekende, ongeremde en demonische Jodenhaat, is tot aan zijn uiterste grens, dat wil zeggen tot in de gaskamers, tevens een politiek van misleiding geweest. Als er al stemmen in de wereld opgingen dat de Joden naar de slachtbank werden gevoerd, viel dat buiten het menselijk bevattingsvermogen: dat kon niet plaatsvinden, dit kon niet waar zijn. Die samenballing van hetzes, knechting, ontrechting, roof, diefstal, plundering, ontmenselijking, marteling en ten slotte moord zegt niet alleen iets over het grenzenloze maar evengoed bureaucratische fanatisme waarmee de ‘Endlösung' werd bedacht én uitgevoerd. En natuurlijk zegt het het nodige over de erachter liggende systematiek (waarvan zelfs ‘spontane' acties deel uitmaakten).

Nasleep
Wie mocht denken dat de armzaligen die teruggekeerden van de verschrikkingen in concentratie- en vernietigingskampen hier met open armen werden ontvangen vergist zich deerlijk. Het werd een nasleep die trekken vertoonde van hetzelfde soort onrecht waarmee drie jaar eerder de deportaties werden ingeluid. En natuurlijk was er weer die voor de leek en hulpzoekende onontwarbare kluwen van dorre ambtenarij, maar ook van het doelbewust wegkijken, de ontkenning en zelfs van regelrecht en vaak jegens het slachtoffer letterlijk uitgesproken vijandschap. De verhalen zijn legio en ze zijn tot in het kleinste detail opgetekend.

Teruggekeerde Joden. 'U wordt niet meer verwacht.'

Terwijl de innerlijke strijd voortwoedde. Ik citeer uit ‘Ondergang': ‘Want om te leven moest elke overlevende iemand verraden door hem in de steek te laten. Willens en wetens, of per toeval of door geweld gedwongen, maar ieder der overlevenden werd op een gegeven ogenblik gescheiden van zijn vader of zijn broer, van zijn vrouw of kind. Zo groeide een altijd aanwezig besef van schuld, dat uitliep in zelfmoorden of in een brandend gevoel van verantwoordelijkheid omdat men het oordeel had overleefd. Elkeen, die zich gespaard zag door wat hem toeleek een reeks wonderen te zijn, wist dat hij ten eeuwigen dage zou worden vervolgd door de vraag: waarom?...'

Ging het onbeschrijflijke leed dat was geleden het voorstellingsvermogen al te boven, het nam niet weg dat er na terugkomst een geheel nieuw leven moest worden opgebouwd. De ontelbare angsten, de enorme schokken, de herhaaldelijk toegeslagen paniek, het eindeloze verdriet, het verlies van huis en haard, van gezin, familie en vrienden, het weggevaagde Joodse leven: men moest toch verder, veelal alleen, met kip noch kraai op de wereld. Zij die onder de meest barre omstandigheden erin waren geslaagd om in de kampen en zelfs nog tijdens de beruchte dodenmarsen overeind te blijven, knapten juist op het moment dat het nieuwe leven zich schoorvoetend begon af te tekenen. Men was plotsklaps geen lid meer van een groep, een gemeenschap, maar stond alleen in een nog steeds boze wereld die weliswaar bevrijd maar teveel met de eigen sores bezig was om zich ook nog om een teruggekeerde Jood te bekommeren. Na vele en veelsoortige verschrikkingen – Presser somt het allemaal op –, ondraaglijke honger, ondraaglijke vernederingen, ondraaglijke mishandelingen, ondraaglijke arbeid, ondraaglijke behuizing, ondraaglijke tonelen als de moordpartijen op kampgenoten, vaak familie en vrienden, ondraaglijke geestelijke spanningen, in ondraaglijke hitte, in ondraaglijke kou, in nimmer aflatende angst. Al het gestichte was weg, al het opgebouwde geruïneerd, al het gespaarde verloren gegaan. Het ‘nieuwe leven' werd gaandeweg ingenomen door psychische aandoeningen, fysieke kwalen, rouw om de achtergeblevenen, onthechtheid. En onder die nog steeds mensonwaardige omstandigheden waren er de diensten van gemeenten en rijksoverheid die er in hun onwelwillendheid en onverschilligheid nog een stevig schepje bovenop deden, terwijl de ‘arische' Nederlanders na vijf jaar oorlog en met een dramatisch verlopen Hongerwinter oog noch oor hadden voor hun Joodse medelanders; en de teruggekeerden zelf er geen enkel idee van hadden wat er na hun gedwongen deportatie in ons land allemaal was voorgevallen. Ze praatten tegen elkaar, maar ze verstonden elkander niet.

Dankdienst ten behoeve van teruggekeerde joden op 6 mei 1945
in de Portugese Synagoge in Amsterdam

Van de bijna 5.500 teruggekeerden zullen er slechts weinige zijn geweest die zonder slag of stoot een nieuwe plek in de samenleving wisten in te nemen. In tegendeel, alleen al het terugwinnen van afgenomen rechten en het verkrijgen van schadevergoedingen en uitkeringen betekende jarenlang een onvoorstelbare krachttoer. Als het al mogelijk was: een eenmaal failliet bedrijf of een verloren gegane praktijk liet zich meestal niet meer of slechts met grote moeite herstellen, oude werkkringen bestonden niet meer. Men moest opnieuw beginnen, met niets anders dan de kleding die men aanhad en die paar schamele bezittingen die men bij zich droeg. Met een minimaal voorschot moest men zelf aan de slag. Maar soms toch ook wel tegen beter weten in, naïef misschien, want de Joodse bezittingen waren in de oorlogsjaren vaak meerdere malen in andere handen overgegaan, hypotheken en levensverzekeringen waren noodgedwongen niet meer voortgezet of juist beëindigd, terwijl woningen en waardepapieren op stel en sprong waren verkocht. Men kon eenvoudig het 'oude' leven niet meer oppakken. Waar het wel opneer kwam was dat voortdurende en vaak hopeloze gevecht met allerlei instanties die binnen een ogenschijnlijk vormeloze bureaucratie allerlei weerstandsgrenzen hadden opgetrokken, met als 'bijgerecht' het voortdurende van-het-kastje-naar-de-muur geloop.

Dat het lot van de Nederlandse Joden naar omvang gemeten veel ernstiger was dan waar ook in Europa mag zo langzamerhand als bekend worden verondersteld. In die zin hebben Hitler en zijn trawanten de oorlog tegen ons land zonder meer gewonnen: de vrijwel totale uitroeiing van alle Joden boven de vijftig en onder de zeventien is een troosteloos maar onloochenbaar feit. Het verlies laat zich niet alleen herleiden tot een puur menselijk drama waarvan vrijwel niemand de reële omvang ook maar bij benadering kan beseffen, maar ook tot het enorme verlies van talent en kennis. Al het materiële, kunstwerken uitgezonderd, is vervangbaar, maar de mens is dat niet. Na de oorlog bleek dat alleen al uit een simpel feit: een gewoon Joods huwelijk was vrijwel onmogelijk geworden, want de Joodse partner ontbrak ten ene male. Geen wonder dus dat, alles bijeen genomen, emigratie naar Israel meer voor de hand lag dan in eigen land te blijven.

Oorlogskind
En dan…was er dat Joodse kind dat de smaak van de oorlog alleen nog maar had geproefd op een onderduikadres ergens in het land. Dat – soms net op tijd – was weggegrist voor de grijpgrage klauwen van de bezetter en – meestal door de ouders of een ander familielid - naar een veilig heenkomen was gebracht. Het kind dat, losgerukt van zijn ouders en van zijn thuis, de oorlogsjaren op een of meerdere adressen had doorgebracht. Met als belangrijkste feit dat hij niet was verraden en dus mocht voortleven. Mischien zelfs wel onbekommerd, onwetend van het gruwelijke maar toch al onvoorstelbare.
Ook dit kind kwam in zekere zin terug, zij het in lichamelijk veel betere zo niet goede toestand en mentaal veel minder gehavend dan die paar kinderen die uit Polen of Duitsland konden terugkeren. Het was de leeftijd die bepaalde of en zo ja hoeveel hij of zij van de vervolging en de onderduik bewust had meegekregen. Onderduik met dien verstande, dat zeker op het platteland de nadelige effecten ervan deels beperkt konden blijven of er in het geheel niet waren. Er was in menig geval zelfs sprake van een hoge mate van vrijheid. Veel ondergedoken kinderen waren liefderijk opgenomen, konden zich zelfs verder ontwikkelen, zonder zich er zelf goed van bewust te zijn dat hun pleegouders daarbij wel degelijk grote risico's liepen. In de marge van die opvoeding was uiteraard wel een breukvlak ontstaan tussen wat het Joodse kind van huis uit had meegekregen en wat zijn (christelijke) pleegouders hem leerden. Dat het bij het kind, maar misschien ook bij de pleegouders zeker in het begin tot verwarring heeft geleid laat zich raden. Maar zwaarder woog dat het kind niet wist waar zijn ouders waren (gebleven), terwijl de ouders niet wisten waar hun kind(eren) zich bevond(en). Niemand wist iets, er was alleen de hoop waaraan men zich vastklampte.

Joden worden opgehaald in de Amsterdamse Rivierenbuurt

Dan waren er de gezinnen die op verschillende onderduikadressen waren ondergebracht. En dat waren er vele. Na de oorlog pas bleek dat door dit uiteenvallen de kans op hereniging of minimaal of verkeken was. Een elders ondergebracht kind dat niet meer was terug te vinden en waarvan de ouder(s) jarenlang daarover in onzekerheid ble(ef)ven verkeren. Of het nietsvermoedende kind dat met zijn ouders werd geconfronteerd, zonder dat hij besefte of dat het niet onomstotelijk vaststond dat het zijn echte ouders waren. En als het uiteindelijk tot een hereniging kwam was er de brandende geloofskwestie: de Joodse ouder(s) die een christelijk opgevoed kind terugkre(e)g(en).

Ook met het vraagstuk van de oorlogskinderen hield de ambtenarij zich intensief bezig. Vele van hen waren te hooi en te gras over het land verspreid geraakt of op slag oorlogswezen geworden. Al op 14 mei 1945 ging het door de overheid ingestelde OPK (bureau voor Oorlogspleegkinderen) aan het werk. Begin 1947 was sprake van 3481 geredde oorlogspleegkinderen. Daarvan konden er 1540 alsnog met hun ouders worden herenigd; 421 gevallen werden aan de rechter voorgedragen voor opname door een Joodse voogd. De rechter had zelf al eerder eigenmachtig 51 Joodse en 36-niet-Joodse voogden benoemd. Van de nog af te handelen gevallen groeide – volgens Presser – ongeveer een derde in een niet-Joods milieu op.

Kinderen en hun natuurlijke ouders waren door de oorlog gescheiden geraakt. Dat liet zich vaak niet meer of slechts nog herstellen. Hetzij dat de ouders waren omgekomen, hetzij dat sporen definitief waren uitgewist. De consequentie daarvan was dat overheid en rechtbank zelf ingrepen in het natuurlijke recht van die ouders, zelfs als die in leven waren (of alleen de vader of de moeder). Het eindeloze getouwtrek kon ertoe leiden dat sommige jongeren Nederland de rug toekeerden en zich in den vreemde vestigden, bevrijd van de ballast van weleer. En niet in de laatste plaats gevoed door de weinig florissante houding van de niet-Joodse vaderlanders jegens de Joden. Het veel gehoorde ‘De goede Joden zijn dood, de slechte zijn teruggekomen,' heeft nog heel lang nagesudderd. Ook toen de vreselijke waarheid van de Sjoa steeds sterker naar voren kwam.

Een verloren bericht
Tussen de honderden emails die wekelijks bij ons binnenkomen, moet zich ergens in het begin van april een bericht hebben bevonden van ene N. Kats. Op dinsdag 11 april stuurde hij een rappel uit. Voor mij was dit zijn eerste bericht, voor hem zijn tweede. Zo begon de correspondentie met Nal Kats.
De aanleiding van zijn eerste mail vormde het eerste van vier artikelen dat ik in maart 2005 had geschreven onder de titel ‘Muziek achter prikkeldraad'. Nal was min of meer bij toeval op onze site terechtgekomen en had daar de bewuste serie artikelen gevonden. Het had bij Nal een gevoelige snaar geraakt, en met name de passage in de eerste aflevering over de Praagse violist Ota Sattler die in 1944 uit het doorgangskamp Theresienstadt (Terezín) was gedeporteerd naar het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau en daar gedwongen werd om ‘Hot a Jid a Weibele' (‘Als een Jood een vrouw had') te spelen, terwijl zijn vrouw en drie zoons hem in een lange rij passeerden op weg naar de gaskamers.

Het raakte hem tot diep in zijn ziel. Nee, oude wonden werden er niet door opengereten, want die waren er altijd al. Zelf ziet hij het als een godswonder dat hij, toen nog maar een kind van Joodse afkomst, de oorlog overleefde. Tijdig ondergebracht bij niet-Joodse, socialistische pleegouders werd hem het vreselijke lot van zijn ouders en de ruim honderdduizend met hen bespaard. Aan zijn pleegouders dankte hij zijn verdere opvoeding en scholing, zoals hij ook in zijn verdere leven vrijwel alles aan niet-Joodse mensen (leraren, buren, vrienden, kennissen) te danken had.

Joodse liedjes
Aan het conservatorium in Tilburg behaalde hij in 1976 de akte schoolmuziek voor het onderwijs. Kort daarvoor voltooide hij de vierjarige beroepsopleiding directie blaasmuziek bij Piet van Mever. Bij hem maakte hij diepgaand kennis met alle aspecten van de muziektheorie en leerde hij de aparte kunst van het arrangeren. Hoewel hij zelf zegt dat hij het bewerken van muziek of het componeren van liedjes nog steeds ‘hondsmoeilijk' vindt. Muziek maakte en maakt deels nog een belangrijk deel van zijn leven uit, eerst als muziekdocent en koordirigent, daarna ook als componist en arrangeur. Na zijn pensionering had hij meer tijd en kon hij zich intensiever bezighouden met de bewerking van Joodse liedjes, in het Jiddisch en in het Hebreeuws. Zoekend op het internet naar een bepaalde Jiddische tekst kwam hij op onze site in aanraking met ‘Muziek achter prikkeldraad'. Het raakte hem diep. Naar aanleiding van die passage over ‘Hot a Yid a Vaybele' maakte hij een bewerking van dit typische meezingliedje, een van die vele onschuldige liedjes op vooral bruiloften en partijen, zoals die al decennialang worden gezongen.

 
 
Herdenkingsallee in Sobibor

Ouders omgekomen
Nal Kats stamt uit een Joodse familie die door de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog tot op het bot is getekend. Toen Nederland in 1945 werd bevrijd waren zijn beide ouders in de gaskamers om het leven gebracht. Zijn moeder, de verpleegster Mania Krell (1912-1943), kwam om in Sobibor, zijn vader, de kleermaker Emanuel Louis Kats (1915-1944), in Auschwitz. De beide ouders kregen postuum een plaatsje op de site van Joods Monument. Moeder Mania kreeg een bescheiden plekje in het boek ‘Als ik morgen niet op transport ga…' (kamp Westerbork in beleving en herinnering) van Eva Moraal, waarvan de titel is ontleend aan een regel uit de laatste brief die Mania Krell vanuit Westerbork schreef: ‘Als ik morgen niet op transport ga, ga ik 's avonds naar de revue' (de tegenstellingen in het doorgangskamp waren groot, leken soms onoverbrugbaar, maar ook aan dergelijke vormen van vertier hield menigeen zich - vaak met de moed der wanhoop - vast). Dat schreef zij op een maandag, want het transport naar Polen stond steevast op dinsdag gepland. Het maakte niet uit of men jong was of oud, gezond of ziek, of zelfs bijna stervend: het ‘getal' moest worden gehaald en wie was geselecteerd moest in de goederenwagons plaatsnemen. Wie dat niet kon werd ‘geholpen', in weer en wind, er werd getrapt, geduwd, gescholden en geschreeuwd.

Mania Krell
De moeder van Nal, Mania Krell, stamde uit een in Polen gevestigde Joodse familie. In 1914 was Mania als peuter met ‘di gantze misjpoge' (alleen haar vader Mozes kwam later, via België, onder de schuilnaam Birnbaum) naar Nederland gevlucht om de pogroms te ontlopen. Dat was de Joodse wereld waarin Nal later eigenlijk had moeten opgroeien. De vader van Mania, Mozes (Moshe) Hersch Krell (1887), was een bakker in Polen, getrouwd met Esther Malka Piperberg (1879). In 1912 brachten zij in Rzeswów Mania ter wereld, twee jaar later Leo. Uit een eerder huwelijk had Esther Malka nog een dochter: Frieda.

Na aankomst in Den Haag moest Mozes uiteraard werk zien te vinden. Hij bleef niet al te ver van zijn stiel en werd broodbezorger. Esther verkocht op de markt de hoedjes en japonnen die haar dochter Frieda thuis had gemaakt. Haar gezondheid ging echter zienderogen achteruit, wat haar ten slotte dwong om thuis te blijven. Waarna haar zoon Leo het werk overnam. Zodoende werden voldoende inkomsten gegenereerd om de nog steeds in Den Haag wonende familie te kunnen onderhouden.

 
 
Mania Krell en Emanuel Louis Kats (verlovingsfoto 1938)

Mania was pas 15 toen ze besloot het voorgoed het huis te verlaten. Ze zocht werk en werd als huishoudelijke hulp aangenomen bij een Joods doktersgezin. Haar intelligentie en welbespraaktheid (ze sprak al uitstekend Nederlands) vielen op. Zozeer zelfs dat de arts besloot haar studie voor verpleegkundige zwakzinnigenzorg te betalen. Mania haalde met speels gemak haar diploma en ging werken in het Joodse zwakzinnigengesticht Apeldoornsche Bosch. Ze maakte de ontruiming in januari 1943 door de Duitse bezetter echter niet meer mee: al kort na haar huwelijk met Miel (Emanuel Louis) Kats op 19 januari 1938 was zij al met werken gestopt.

Dat huwelijk heeft niet lang stand gehouden. Al op 3 april 1941 werd door de Haagse rechtbank de scheiding uitgesproken. Mania hield het hoofd boven water dankzij financiële steun (waarschijnlijk ook van de gemeente). Vaak werd Nal (koos- en roepnaam Nallie) bij moeder Esther of bij Bets Groot (Nals latere pleegmoeder tijdens de onderduik) geparkeerd. Mania was een van de velen die een oproep in het kader van de ‘arbeidsverruiming' ontvingen en in het doorgangskamp Westerbork terechtkwamen. Ze werkte daar voor een haar goed gezinde arts die al snel haar verpleegkundige kwaliteiten ontdekte en die haar drie maanden in het kamp wist te houden. Maar ook zij werd uiteindelijk op de ‘trein van dinsdag' gezet. Direct na aankomst in Sobibor werd zij vergast.
Niet lang nadat Miel was gescheiden van Mania trouwde hij met Hendrika Eliasar. Ze kregen in Westerbork alsnog een kind (Robert). Gedrieën werden ze vanuit het doorgangskamp op transport gesteld naar Auschwitz en daar in de gaskamers van Birkenau omgebracht.

 
 
De tweejarige Nal Kats

Onderduik
Nal kwam ter wereld op 3 mei 1939 in het Haagse Zuidwal-ziekenhuis. Zijn moeder Mania lag daar in dezelfde kraamkamer als Bets Groot. Nal kwam levend ter wereld, het zoontje van Bets niet. Zowel Maria als Bets voelden zich door deze gebeurtenissen aan elkaar verbonden en ging het contact ook later niet meer verloren. Tussen de dochter van Bets, Geertje, die tien jaar jonger was dan Mania, ontstond zelfs een hechte vriendschap. Toen de Jodenvervolging zich in ons land sterker ging aftekenen werd Nal ondergebracht bij Bets en Jaap Groot in Den Haag. Hij paste naadloos in het gezin aan de Johannesburgstraat 40. Ook uiterlijk: zowel Nal als Geertje (het enige kind van Bets en Jaap Groot) hadden zwart haar. Natuurlijk, de pleegouders stierven vaak duizend angsten als er weer eens Duitsers op de stoep stonden om te zien of er nog onderduikers in huis waren. Maar ze waren ook beducht voor een NSB-echtpaar dat in de naastgelegen Winburgstraat woonde. Ze wisten van Nal in het gezin, maar ze hielden hun mond.
Bets en Jaap (hij was een intelligente man die als loodgieter en gasfitter zeer goed bekend stond, met een grote belangstelling voor muziek, toneel en de dichtkunst) waren sociaaldemocraten in hart en nieren en toonden zich jegens Nal warme pleegouders. In 1992 werden Nals pleegouders (die inmiddels waren overleden) en pleegzus onderscheiden door Yad Vashem.

Mania Krell (l.) met Nallie en (latere pleegzus) Geer Groot

Mania behoorde zeker niet tot de gemakkelijkste en ze kon bijzonder vasthoudend, zo niet koppig zijn. Zo weigerde ze ondanks herhaald aandringen om onder te duiken. Het bleek een fatale keus die zij uiteindelijk met de gasdood moest bekopen. Haar broer Leo en zijn vrouw Emmy hebben het daartegen wel gered. Leo was als peuter met zijn familie in 1914 naar Nederland gekomen, had later Emmy ontmoet en was met haar getrouwd. Leo werd na de oorlog bontwerker in Den Haag, maar door de alsmaar schrijnende oorlogswonden emigreerde hij in 1952 naar het Canadese Vancouver om daar met een schone lei te beginnen. Daar hadden ze echter geen belangstelling voor chique bontmantels en dus schoolde hij zich snel om tot succesvol makelaar in onroerend goed. Zijn oudste zoon, Rob Krell, bracht het tot een belangrijk psychiater en houdt zich, hoewel gepensioneerd, nog steeds intensief bezig met congresbezoek en het geven van lezingen over kind-overlevenden (‘child survivors'). Op het internet is veel over hem te vinden.

Spanningen
Direct na de oorlog probeerde de Joodse jeugdhulporganisatie Le-Ezrath Ha-Jeled (Het kind ter hulpe) alle overal in het land ondergedoken Joodse kinderen los te wrikken van hun (niet-Joodse) pleegouders. Het doel was helder: ze een Joodse opvoeding te geven of wat door de oorlog was afgebroken weer te herstellen. Dat betekende opname in (een uiteraard slechts beperkt aantal beschikbare) Joodse gezinnen of anders Joodse weeshuizen. Die eis werd ook bij Nals pleegouders op tafel gelegd. Het viel ze rauw op het dak. Het kwam er immers opneer dat zij hem moesten afstaan. Het ventje was toen zes, maar de spanningen die daardoor werden veroorzaakt lieten hem niet onberoerd. Dank zij oom Leo (hij was uiteraard net zo Joods als Nal dat was) mocht Nal echter blijven, met als ‘conditie' dat Leo zou optreden als voogd en pleegvader Jaap Groot als toeziend voogd. Niet dat dit geen voeten in de aarde had, want er moest zelfs een rechter aan te pas komen om een en ander in juridische banen te leiden en vast te leggen.

 
 
Nal Kats in 1955

Een volgende tweespalt leek zich zes jaar later voor te doen, toen oom Leo met vrouw en zoon (Rob) naar Canada wilde emigreren en Nal voorstelden met hen mee te verhuizen. Voor Nal voelde het als werd een zware last op zijn schouders gelegd: de keus was tussen het nieuwe ‘beloofde' land of blijven. Hij koos voor Nederland, gesterkt door het gevoel dat daar zijn toekomst lag.

In 1960 kwam er een adoptiewet die bepaalde dat (oorlogs)pleegkinderen de familienaam van de pleegouders mochten aannemen. Een nieuwe tweespalt leek in de maak. Nal, inmiddels 21, vond dat hij trouw moest blijven aan zijn Joodse wortels, daarin gesteund door anderen, waaronder zijn overbuurvrouw en zijn muziekleraar. Nal koos voor de naam van zijn vader. Zijn beide pleegouders hadden het daar om begrijpelijke redenen moeilijk mee.

Het leven daarna
Na de kweekschool in Den Haag en het vervullen van zijn dienstplicht begon Nal zijn onderwijsloopbaan in het Friese Oosterzee (Eastersee) bij Lemmer. In huize Groot werd altijd muziek gemaakt. Jaap speelde tenorsax in het Haagsch Harmonie Orkest en moeder Bets speelde altviool in een klein huismuziekclubje. Uiteindelijk kwam Nal ook in de muziek terecht. In 1976 behaalde hij de muziekbevoegdheid, waarna hij les ging geven aan een huishoudschool en enkele categorale mavo's in Mierlo, Eindhoven en Geldrop.

Een lid van het Genootschap Nederland-Israel stimuleerde Nal Kats in 1974 in de oprichting van een in de Jiddische en Hebreeuwse (volks)muziek gespecialiseerd ensemble. Het werd 'Rozjinkes mit Mandeln' (genoemd naar een Jiddisch lied), dat vanaf 1975 landelijke optredens verzorgde en bestond uit , docenten en studenten van het Tilburgs conservatorium. Nal ging er ook speciaal muziek voor schrijven. Rond diezelfde periode was er nog een ensemble in hezelfde repertoire actief: Collegium Musicum Judaicum o.l.v. Chaim Storosum.

 
 
Nal Kats in 2015

Nal Kats gaf de laatste 28 jaar van zijn onderwijsloopbaan muziekles op twee locaties: het Lorentz Casimir Lyceum in Eindhoven en het Strabrecht College in Geldrop. Met name in Eindhoven werden, dankzij de loyale steun van directie, collega's, leerlingen en de door Kats zelf opgerichte schoolband, allerlei muzikale activiteiten ontplooid. Ze trokken ook landelijk de aandacht, onder meer bij de KRO (pop) en de NS (Intercity Tempo Trein boogie-woogie). Op het Lorentz was er rond Kerstmis traditioneel de muzikale jaarafsluiting, maar ook de zogenaamde Interlyceale, de ontmoeting op sport- en cultureel gebied tussen de vijf oudste lycea in het land. Het waren van die gebeurtenissen waar ook nieuw muzikaal talent werd ontdekt, of gestimuleerd om daarin verder te gaan. Nal had het er maar druk mee.
Als dirigent van een koor in Waalre begon hij met het componeren van nieuw repertoire. Hij zag niet zoveel in de van oubollige liederen en kerkgezangen uitpuilende kasten. Een nieuwe frisse wind, dat moest het worden. Hij bleef tot 2009 daarin actief.

Het Jiddische lied
Nal maakte zich sterk voor het terughalen van twee inmiddels overleden zeer verdienstelijke Joden die opeens uit de belangstellingswereld van het Nederlandse Jodendom verdwenen leken. Met behulp van een aantal vrijwilligers van de Wikipedia-site lukt het uiteindelijk om twee belangrijke voorvechters van het Jiddische lied weer terug op de kaart te zetten: de componist Hans Krieg (1899-1961) en de zangeres en schrijfster Chanah Milner (1911-2000), de moeder van de bekende hoboïst Han de Vries, maar ook Mirjam (1933), de dochter van Hans Krieg (u ziet haar hier in het KRO-programma 'De wandeling'). Het was Chanah Milner die Nal geholpen heeft bij het vinden van Jiddisch repertoire, de uitspraak en de vertalingen ervan.

Hans Krieg (1899-1961)

Het Jiddische hart
Voor componisten of bewerkers van Joodse muziek gelden steevast vier uitgangspunten: de Jiddische (volks)muziek in al haar facetten en geledingen, de (Hebreeuwse) religieuze muziek, de kamp- en gettoliederen en de muziek van Israel. Chanah Milner (haar werkelijke naam was Wilhelmina Johanna de Winter) was een echte grootheid op dit gebied. Zij ontsprong de gruwelijke dodendans, in tegenstelling tot haar beide ouders, die in Sobibor direct na aankomst werden vergast. Na de oorlog ondernam ze uitgebreide studies naar de Jiddische muziek in Europa. Zij was het ook die Nal Kats op weg hielp op zijn zoektocht naar de Juddische muziekcultuur.

 
 
Chana Milner

De weerslag daarvan publiceerde ze in de jaren zestig, in de vorm van een groot aantal bundels. Zo verscheen in 1963 een bundel liederen uit getto's en concentratiekampen: ‘Met bloed en niet met inkt is dit geschreven', bedoeld als hommage aan haar ouders. Daarin was ook een hartbrekend gedicht van de twaalfjarige Esther Stjub opgenomen. Nal Kats besloot om er niet alleen muziek bij te componeren, maar ook om haar een gezicht, een persoonlijke geschiedenis te geven. Hij schreef daarvoor Yad Vashem en het Jewish Music Research Centre in Jeruzalem aan, maar ook het Holocaust Music Centre in Londen (dat zeker voor de minder ingewijde een schat aan informatie bevat). Nal zag in haar dat meisje in een soort van hinkelbaantje in dat getto van Wilna (Vilnius). Al hinkelend wordt ze moe, of misschien wel wanhopig, haar krachten vloeien weg. Ze denkt opeens aan wat haar ouders, of de rebbe, haar hebben verteld over het Beloofde Land.

Ester Stjoeb was 12 jaar toen ze dit gedicht schreef. Er zijn geen verdere gegevens over haar bekend.

Barakkenlied
Een, twee, drie,
wanneer zullen we vrij zijn:
hongerig, blote voeten, in lompen,
van vader en moeder afgesneden,
God, wat doet dat pijn.

Een, twee, drie,
de dag wil niet voorbij,
tegels planken, stenen sjouwen
en botten van dode mensen,
God, wat doet dat pijn.

Een, twee, drie,
hoor mijn schreeuwen
om de naamloze massagraven,
om de kinderen van de scholen,
geen moeder om hen heen,

Een, twee, drie,
we zullen wel trouw geloven,
wachten en hopen
omdat Jij ons hebt beloofd
'Israel leeft!'

Tova ben Zvi
Nal Kats kocht ergens in de jaren zeventig in Eindhoven een grammofoonplaat met Jiddische liedjes die werden gezongen door Tova ben Zvi, geboren in het Poolse Lodz. Pas toen begreep hij dat wat zij bezong zijn echte Joodse wortels waren.
Nog steeds behandelt Nal die plaat van Tova als een relikwie. Het was een lp die typisch voor de Duitse markt was bestemd (de toelichting op de hoes was alleen in het Duits geschreven). Hij bracht de muziek over naar een cassettbandje dat hij sindsdien talloze malen afdraaide. Zo werd de lp gespaard.

Tova ben Zvi heeft weliswaar Wikipedia gehaald, maar helaas alleen in het Pools (Nal doet momenteel pogingen om de juiste data te bemachtigen en tevens de tekst in het Engels vertaald te krijgen). Haar discografie kan wel worden geraadpleegd. Haar levensverhaal begint in 1939, als de Duitse bezetter het getto van Lodz opricht en de naam van de stad omdoopt in Litzmannstadt. De achtjarige Tova woont daar samen met haar ouders en haar kleine broertje. Haar moeder stierf daar al in 1942. Er werd honger geleden, met als vrijwel enige rantsoen waterige koolsoep en een homp brood. Geen eiwitten, vetten, mineralen. Evenals in het getto van Warschau en in andere Poolse getto's stierven de mensen er als ratten; of eigenlijk eerder nog. In juli 1944 werd het getto door de Duitsers geliquideerd en de inwoners naar de vernietigingskampen gedeporteerd. Tova werd, gescheiden van haar vader en broer, naar Auschwitz gedeporteerd. Kort na aankomst werd er binnen het kamp een oproep gedaan aan vijftig meisjes om te gaan werken in een fabriek in het nabijgelegen Guben, waar vliegtuigonderdelen werden vervaardigd. Tova meldde zich intuïtief direct aan, werd geselecteerd en daardoor een van de ‘gelukkigen'. Ze werkte daar tot in januari 1945, toen het Russische leger in aantocht was en zowel het hoofd- als de subkampen door de Duitsers moesten worden ontruimd. Alleen de zieken die niet of nauwelijks nog een stap konden zetten bleven achter. Ze wachtten op het genadeschot van de SS, dat echter niet kwam. Voor de anderen begon de evacuatie en de daarop volgende dodenmarsen. Ziek en sterk ondervoed werden ze gedwongen om onder SS-begeleiding per dag zo'n vijftien tot twintig kilometer onder winterse temperaturen te ‘marsen'. Wie niet meer kon werd langs de weg doodgeschoten en door een commando begraven. Weer anderen werden in open kolen- of goederenwagons in de hevige vrieskou op transport gezet naar 'veiliger' (voor de Duitsers dan) oorden. Tova wist echter op een onbewaakt ogenblik de benen te nemen. Ze zocht hulp bij Poolse arbeiders, maar werd verraden en eindigde haar vluchtpoging in een cel op het politiebureau. Vandaar ging de gedwongen tocht naar kampen in Potsdam,. Hannover, Celle en uiteindelijk naar Bergen-Belsen, waar ze door de Engelsen werd bevrijd. Tova verloor niet alleen haar ouders en broer, maar ook het merendeel van haar familie. Zij was een van de velen die na de oorlog naar Israel emigreerden om daar een nieuw leven op te bouwen. In de jaren die daarop volgden werd Tova daar een bekende zangeres van met name liedjes over de Holocaust. Ook nam ze deel aan fora en bijeenkomsten met jongeren, onder meer in Japan, om haar ervaringen met hen te delen.

Tova ben Zvi

Een van de vele liederen die zij zong en op de plaat vastgelegde was ‘Hot a Yid a Vaybele' (‘Als een Jood een Vrouw had') dat Nal Kats als eerbetoon aan Tova in februari van dit jaar bewerkte voor sopraan, viool, akoestische gitaar en contrabas (met als uitgangspunt een eerder gemaakte bewerking door het duo M. Goldstein en J. Kamnmen en de vertaaladviezen van Flory Neter). Als u deze link volgt hoort u het door Tova gezongen origineel; de andere link brengt u bij de instrumentale bewerking van Nal Kats. Hij stak het lied in een ander jasje.

Hot a Yid a Vaybele
Van de vroege maandagochtend tot de late vrijdagavond
is mijn slome vrouw Trijntje
bezig geweest met de shabatpudding.
Refrein: Een Jid heeft alleen maar last van zijn vrouw;
ze deugt nergens voor...
Met Sjabbes is ze vergeten de pudding uit de oven te halen.
Toen heeft hij een grote stok genomen om haar daarmee te slaan.
Is ze met Sjabbes op haar oude schoenen naar haar vader gevlucht.
Heeft hij met haar buren onderhandeld om zijn vrouw weer terug te brengen.
Toen heeft men die vrouw teruggebracht, dat duurde van
maandagochtend tot vrijdagavond laat...
Van mij mag m'n man ophoepelen, als hij mij maar zijn geld geeft...

 
 
Sophie Tucker

Smartlap
De Joodse geschiedenis is met name door de Holocaust beladen, en in zekere zin ook overladen. Het plaatst veel wat daaraan vooraf ging en wat daarna kwam in een geheel andere context. Niets was meer zoals het eens was (of leek), terwijl de toekomst heel lang – en dat gold zeker voor hen die de gruwelen overleefden, en niet in de laatste plaats hun kinderen – onder dat vreselijke juk zwaar getekend zou blijven. Zelfs een gewone smartlap, een onschuldigde meezinger, kon daardoor een dramatisch gewicht krijgen die het voordien niet had. Een sprekend voorbeeld daarvan is het lied ‘A Yiddishe Momme' van de songwriter Jack Yellen (1892-1991) en de componist Lew Pollack (1895-1946). Het lied werd voor het eerst opgenomen door Willie Howard, maar het werd vooral bekend in Amerika door Sophie Tucker die het na de dood van haar moeder in 1925 overal zong en het in 1928 zelfs tot in de Amerikaanse Top Five bracht. De A-kant bevatte de Engelse, de B-kant de Jiddische tekst. De Engelse en Jiddische versie (samengebracht in één track) die Leo Fuld opnam leidde tot een ware hit in Europa. Op YouTube staan mooie uitvoeringen van ‘A Yiddishe Momme' door Sophie Tucker, Regine Zylberberg en Yossele Rosenblatt.

Nal vindt dat er over de betekenis van dit lied diepere lagen zouden moeten worden aangeboord: “De Nederlandse jongere generaties joden weten vrijwel niets van de Joodse cultuur. Niets van de schrijvers, niets van de dichters, niets van de componisten. Als je vraagt of ze een boek van I.B. Singer, Charles Lewinsky of Elie Wiesel hebben gelezen, staan ze je met glazige ogen aan te kijken. Zo in de trant van ‘man, van welke planeet ben jij afkomstig? Dit is toch de eeuw van het gamen, facebook, twitteren?' Inderdaad, een geheel andere wereld.”

Een gewone smartlap, de teksten pure rijmelarij, verzonnen door twee handige musici. Maar....de gevoelswaarde is bijzonder hoog. Men krijgt gemakkelijk natte ogen, afhankelijk van aan wie op dat moment wordt gedacht.

A Yiddishe Momme
Mag ik je wat vragen?
Hoe komt het, dat God ons een kostbaar bezit schenkt,
helemaal voor niets, je kunt het nergens kopen.
En als je het kwijtraakt vloeien er veel tranen. Hoe komt dat?
Zo'n tweede geschenk krijgt niemand meer...al huil je nog zoveel.
Oh...pas als je het verloren hebt, begrijp je wat ik bedoel.

Een Jiddische momme, er bestaat niets beters,
Een Jiddische momme, wat erg als ze er niet meer is.
Hoe fijn en zonnig is het in huis als moeder er nog is.
Hoe triest en donker wordt het, als God haar meeneemt naar het hiernamaals.
Voor haar kinderen zou ze door water en vuur gaan.
Haar niet in ere houden is een grote zonde.
Oh, hoe rijk en gelukkig is die mens,
Die nog zo'n mooi geschenk van God heeft.
Zo''n oud Jiddisch mammaatje...
Oh...Momemm Majn!

De oorspronkelijk Jiddische en in het Engels vertaalde versie vindt u hier en de computerbewerking van Nal Kats hier.

In de volheid van de tijd
Primo Levi heeft het al in 1947 scherp omlijnd:' Veel mensen, en volken, zijn min of meer bewust de mening toegedaan dat "elke vreemdeling een vijand is". Meestal ligt die overtuiging ergens diep weggestopt, als een sluimerend virus; ze komt alleen in losse, toevallige reacties tot uiting en leidt niet tot een samenhangend gedachtensysteem. Maar als dat wel gebeurt, als het onuitgesproken dogma het uitgangspunt van een sluitende redenering wordt, dan staat aan het eind van de keten het Lager. Het Lager is het product van een met uiterste consequentie in praktijk gebrachte wereldbeschouwing; zo lang die wereldbeschouwing bestaat, dreigen ons de consequenties. De geschiedenis van de vernietigingskampen behoort door ieder mens begrepen te worden als een sinister alarmsignaal.'
Presser: 'Men heeft na de bevrijding wel eens uitgesproken, dat het ieders plicht geweest was om illegaal te zijn - is het wonder, dat zovelen, die deze plicht verzaakt hadden, zich wreekten op degenen, die hen aan dit tekortschieten op zo pijnlijke wijze herinnerden: de overlevende Joden?' L. de Jong: 'Generaliserende belastering was de kwade kant van de medaille, die aan de andere kant het goud toonde van werkelijk mededelijden met medemensen. Belastering en medelijden waren complementair. Beide kwamen uit dezelfde situatie voort en ... werden soms in hetzelfde mensenhart gevonden na de bezetting.'
Presser: 'Zo zouden wij kunnen doorgaan. Genoeg hiervan. Het heeft geen zin. Het leven gaat voort, zo ook de geschiedenis. Aber zuweilen muss einer da sein, der gedenkt.' Die hier gedacht heeft - heeft getracht te herdenken. Requiescant.

_______________
Naschrift: Ook Mozes, Esther Malka en Frieda werden door de nazi's vermoord.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links