Muziek (algemeen)

Muziek achter prikkeldraad (3)

Het getto in Theresienstadt (Terezín)

 

© Aart van der Wal, oktober 2005

 

In 1780 stichtte de Oostenrijkse keizer Josef II de vesting Theresienstadt in Bohemen, op ongeveer zestig kilometer ten noorden van Praag. Oostenrijk lonkte openlijk naar Beieren, wat de Pruisen niet welgevallig was en al geruime tijd waren de verhoudingen zeer gespannen. Het garnizoensstadje maakte onderdeel uit van de verdedigingslinie van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie tegen het machtige Duitsland.

Het bolwerk was voorzien van acht tot 12 meter hoge muren en bood plaats aan zo'n zesduizend soldaten. Na zijn arrestatie op 28 juni 1914 zat hier de Bosniër Gavrilo Princip gevangen, nadat hij die dag aartshertog Frans Ferdinand en zijn vrouw, de Tsjechische gravin Sophia Chotek, in Sarajevo had doodgeschoten. Deze gebeurtenis was de opmaat voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Het Verdrag van München

Al in maart 1938 had Hitler een tamelijk rimpelloze Anschluss met Oostenrijk bewerkstelligd en uit zijn vele toespraken in die tijd had vrijwel iedereen kunnen opmaken dat zijn machtshonger niet te stuiten was. Na de annexatie van Oostenrijk had Hitler zijn aandacht nu gevestigd op de ruim drie miljoen Sudeten-Duitsers die het westelijk deel van Tsjecho-Slowakije bevolkten. Het stond de Duitse dictator helder voor ogen dat zij met hun werkelijke Heimat, Duitsland, verenigd dienden te worden, en dat zij zelf niets liever wilden. Sudetenland, het Duitstalige gedeelte van Tsjechoslowakijke, behoorde Duitsland toe!

Op 30 september 1938 ondertekenden de Britse premier Neville Chamberlain, de Franse premier Edouard Daladier en de Italiaanse dictator Benito Mussolini in München een verdrag met de Duitse rijkskanselier Adolf Hitler, waarin werd overeengekomen dat Duitsland de heerschappij kreeg over Sudetenland. Mussolini en zijn geestverwanten hadden de concepttekst opgesteld, daarbij uitvoerig 'gesouffleerd' door het Duitse ministerie van buitenlandse zaken. Onder grote politieke druk van zowel Engeland als Frankrijk had de Tsjechische regering uiteindelijk met het plan ingestemd. Het verdrag haalde tijdelijk de druk van de militaire ketel en het leek de geallieerden althans de kans te bieden om zich beter op een mogelijke gewapende strijd tegen Duitsland voor te bereiden.

Al een halfjaar later gaf Hitler er blijk van dat hij andere plannen had en zich aan de in München gesloten overeenkomst niets gelegen liet liggen. Op 15 maart 1939 trokken Duitse troepen het resterende deel van Tsjecho-Slowakije binnen en daarmee leek tevens het lot van het Verdrag van München bezegeld.

Bohemen en Moravië

Op 16 maart 1939, een dag na Hitlers triomfantelijke intocht in Praag, werd het rijksprotectoraat Bohemen en Moravië uitgeroepen en Konstantin von Neurath aangesteld als gouverneur. De Duitse Lebensraum-Politik kwam er wat Tsjechische grondgebied betreft op neer dat een deel van de bevolking op zou gaan in het Duitse volk en dat de rest naar het oosten zou worden verbannen.

Freiherr Von Neurath was een diplomaat van de oude stempel, eerst als rijksminister van buitenlandse zaken in het kabinet-Von Papen en later onder de rijkskanseliers Kurt von Schleicher en Adolf Hitler, tot hij dan in 1938 werd opgevolgd door Joachim von Ribbentrop. Von Neurath werd vervolgens belast met het presidentschap van de 'Geheime Kabinetsraad', maar dit was slechts van korte duur, want reeds in maart 1939 riep Hitler hem naar Tsjecho-Slowakije. In Berlijn raakt men echter al vrij spoedig uitgekeken op de weinig doortastende Von Neurath, die niet de eigenschappen bezat om met 'harde hand' te regeren. Twee jaar later werd de dan 68-jarige Reichsprotektor met ziekteverlof gestuurd en was het de ambitieuze Reinhard Heydrich, de tweede man na Heinrich Himmler, die op 27 september 1941 tot waarnemend gouverneur werd benoemd en al na korte tijd een waar schrikbewind uitoefende. De SS-Obergruppenführer had bovendien de leiding over het Reichssicherheitshaumptamt in Berlijn (waaraan ook Adolf Eichmann was verbonden) en met zijn Einsatzgruppen was hij de stuwende kracht achter de massale jodenvervolgingen.

Tsjechische verzetsstrijders smoorden Heydrichs ambities op 27 mei 1942 in Praag met een doelgerichte aanslag. Der Henker bezweek op 4 juni aan zijn verwondingen. De wraak van de nazi's liet echter niet lang op zich wachten, de dorpen Lezaky en Lidice werden met de grond gelijk gemaakt, de mannelijke bevolking omgebracht, de vrouwen en kinderen gedeporteerd.

Het getto in Theresienstadt

Op 10 oktober 1941 belegde Heydrich een bijeenkomst met hoge SS-officieren, waaronder Eichmann. Het belangrijkste gespreksonderwerp: de organsiatie van de jodenvervolging in met name Bohemen en Moravië. Kort daarop werd besloten om in Theresienstadt een getto in te richten, dat in eerste aanleg plaats moest bieden aan zo'n zestigduizend joden. Het eerste transport zou al op 24 november 1941 aankomen.

Kampcommandant werd Hauptsturmführer Doktor Siegfried Seidl, die dan zou worden 'bijgestaan' door een joodse raad, de Ältestenrat. Het beoogde 'zelfbestuur' was niets anders dan een façade die de indruk moest wekken dat de nazi's de rechten van de geïnterneerden respecteerden.

 
  Een jodentransport arriveert in Theresienstadt

Aanvankelijk was het getto bestemd voor de opvang van Tsjechische joden, maar nadat in juli 1942 de 3.700 niet-joodse inwoners van Theresienstadt door de nazi's waren gedwongen om te vertrekken, brachten de transporten duizenden Tsjechische, Oostenrijkse en Duitse joden naar het getto. In september was het kamp met ruim 53.000 gedeporteerden al overvol. Daarna volgden echter nieuwe transporten met joden uit andere delen van Europa, met name uit Nederland en Denemarken, om dan vanaf de herfst van 1943 aanzienlijk af te nemen naarmate de kampen in het oosten over een veel grotere opvang- en vernietigingscapaciteit beschikten en uitgroeiden tot ware doodsfabrieken.

In totaal werden zo'n 139.654 mensen naar het getto gedeporteerd, waaronder zo'n 5.000 landgenoten. In het getto stierven 33.419 mensen en werden er 86.934 op transport gesteld naar de vernietigingskampen in het Polen, met name naar Auschwitz. Zo'n 14.000 kinderen kwamen om. Toen het kamp op 20 april 1945 door Russische troepen werd bevrijd, waren er nog 17.320 gevangenen in leven.

Hoewel het dagelijks bestaan in het getto zijn vele barbaarse kanten had, stak de situatie er in vergelijking met vele andere kampen nog relatief gunstig tegenaf. Naarmate de geruchten over de vernietigingskampen in kracht toenamen, besloten de nazi's om het getto open te stellen voor bezoeken door delegaties van het Internationale Rode Kruis. Dat bracht weliswaar de nodige cosmetische aanpassingen met zich mee, maar het was het waard!

Opgewekt kijkende joodse kinderen tijdens het bezoek van een delegatie van het Rode Kruis in juni 1944
 
  Kindervoorstelling in Theresienstadt

De façade van Theresienstadt werd daarmee een grotesk alibi en tegelijk de schone schijn waarmee ook het Rode Kruis in slaap kon worden gesust. Het Altersghetto of Priviligiertenghetto vervulde de bijzondere rol van zowel doorgangs- als modelkamp waar ook muziek, cabaret en toneel een belangrijke rol speelden. Er werden allerlei voorstellingen gegeven, satire en chansons waren onderdeel van het repertoire, er werd op allerlei niveaus muziek gemaakt en het was een vrolijke boel met de Rode Kruis-delegatie op de eerste rij.

In 1944 brachten de nazi's als onderdeel van de onophoudelijk voortrollende propagandamachine zelfs een anderhalf uur durende film over het getto uit: Der Führer schenkt den Juden eine Stadt. De film werd nog die zomer in Theresienstadt aan een afvaardiging van het Deense Rode Kruis getoond.

Uitvoering in Theresienstadt in 1944 van de Studie voor Strijkorkest (1943) van Pavel Haas onder leiding van de daar eveneens geïnterneerde dirigent Karel Ancerl. Het maakte deel uit van de nazi-propagandafilm Der Führer schenkt den Juden eine Stadt.

Tussen 16 augustus en 11 september 1944 fungeerde Theresienstadt als filmdecor, het 'Hollywood van de concentratiekampen', waarin de joodse bewoners op instructie van de kampleiding moesten figureren in een onwerkelijke en bizarre schijnwereld, alles schoon en blinkend gepoetst, vooral vrolijk, goed gekleed en doorvoed, een waar paradijs waar het geld (de waardeloze gettokronen) als manna kon worden opgeraapt, waar van alles te koop was en waar Hoffmanns Erzählungen werd opgevoerd. Herstellende zieken in ligstoelen, zich koesterend in de zon, joelende kinderen op hobbelpaarden, maar ook een van hout en glas opgetrokken paviljoen, versierd met fraaie afbeeldingen van allerhande dieren, met woonblokken voorzien van douches, toiletten en een heuse, glanzende keuken. En dit terwijl inmiddels in Duitsland nauwelijks nog iets te krijgen was doordat de zware geallieerde bombardementen steden en dorpen, bruggen en wegen, fabrieken en gehele industriële complexen in de as hadden gelegd.

In de woonblokken werd alleen de benedenverdieping opgeknapt en voorzien van goed ogende meubelen, lampen, kleden en siervoorwerpen, met fris geurende bloemen in de vazen. Delegaties die een kijkje kwamen nemen, mochten er een snelle blik in werpen en knikten natuurlijk goedkeurend! Vervolgens werd dan een bezoek gebracht aan het 'sportveld', waar joden zich bezig moesten houden met gymnastiek, krachttraining, voetbal en andere sportactiviteiten in de open lucht, waarna de keuken met alles erop en eraan eventueel het laatste restje twijfel moest wegnemen. Het is de nauwelijks te bevatten waanzin van een met behulp van alle ten dienste staande middelen in stand gehouden schijnwereld waarin de voortdurende rampspoed kunstmatig buiten de deur werd gehouden.

Cultuur en vrijetijdsbesteding

Zeker in benarde omstandigheden en tegen alle verdrukking in heeft menigeen zich toch zo lang mogelijk weten vast te klampen aan de eigen culturele waarden. Tijdens de eerste maanden van het getto was er reeds sprake van heimelijk musiceren, zij het dan onder primitieve omstandigheden, met gebruikmaking van veelal naar binnen gesmokkelde instrumenten. Er is het bekende verhaal van de cellist die zijn instrument in kleine onderdelen gedemonteerd het getto in bracht om het daar dan weer in elkaar te zetten en te lijmen. In die beginperiode stonden op alle kunstzinnige activiteiten zware straffen, maar de kampleiding begon toch allengs in te zien dat dergelijke bezigheden goed uitpakten voor het 'kampmoreel'.

Naarmate het aantal transporten toenam, kwamen er ook meer kunstenaars in het getto, zoals operazangers, acteurs, cabaretiers, chansonniers, pantomimespelers, componisten, musici en regisseurs, maar ook schilders, tekenaars, auteurs en letterkundigen. De bevolking van Theresienstadt vormde in die zin niets anders dan een afbeelding van de maatschappij, waaronder vanzelfsprekend ook grote talenten.

Onder toeziend oog van de kampleiding kreeg de Freizeitgestaltung, de vrijetijdsbesteding, meer en meer vorm en betekenis en werden degenen die zich daarmee intensief mochten bezighouden, vrijgesteld van lichamelijke arbeid of kregen zij gemakkelijke baantjes om hen in de gelegenheid te stellen te oefenen of te componeren. Wat eens was verboden werd nu openlijk gestimuleerd en te meer omdat het naadloos paste in de propagandamachinerie.

Voor de musici verliep het oefenen op hun instrument niet zonder de nodige problemen. Men kon zijn medegevangenen natuurlijk niet met toonladders horendol maken en dus moesten er geschikte ruimten worden gevonden om te kunnen praktiseren, wat dan meestal betekende dat in ijskoude kelders en op tochtige of bloedhete zolders moest worden geoefend. Violisten kampten met een gebrek aan snaren, wat hen noodzaakte om een gebroken snaar dan maar aan elkaar te knopen. Voor zoiets basaals als een strijkstok was geen paardenhaar beschikbaar en moest men zich met ander materiaal behelpen, waarvoor dan weer veel vioolhars nodig was. Het kwam daarbij vooral aan op inventiviteit en 'organisatietalent'.

Het getto kende vele mogelijkheden van vrijetijdsbesteding. Er waren onder andere theatervoorstellingen in zowel de Tsjechische als de Duitse taal, concerten instrumentale en vocale muziek, cabaret, maar ook lezingen. Er was zelfs een 'logistieke' afdeling die zich bezighield met het samenstellen en voorbereiden van programma's, repetities en muziekoefeningen. Er waren technici die zich over het toneel en de instrumenten bekommerden, er werd geschaakt, gedamd en gelezen (een uitgebreide bibliotheek was voorhanden), maar er kon ook worden gesport. Zo op het eerste gezicht leken al die activiteiten dan wel niet de weerslag te zijn van het bestaan in een vakantiedorp, maar wel van een althans gemoedelijk en redelijk florerend bestaan in het getto.

De werkelijkheid was echter anders. Het leven van alledag speelde zich af in overbevolkte en benauwde ruimten, met tas of koffer als hoofdkussen, zonder enige verwarming in de winter. Ouders en kinderen waren gescheiden en door de slechte hygiënische omstandigheden was de kans groot om ziek te worden. Voor de doorsnee bewoners was er niets om naar uit te kijken en het bijwonen van een voorstelling was voor de meeste van hen volstrekt onmogelijk. De weinige toegangskaartjes die in omloop waren, kwamen voornamelijk in andere handen en velen waren eenvoudig te moe, te ziek of te verzwakt om een voorstelling bij te wonen.

Voorportaal van de dood

Theresienstadt vormde evenals bijvoorbeeld Westerbork een van de vele Europese 'sluizen' naar de dood in de vernietigingskampen in het oosten. Vele nationaliteiten bijeengepakt in kleine ruimten zorgden voor grote spanningen en conflicten, zowel individueel als binnen bepaalde groepen, en natuurlijk brachten de benarde omstandigheden niet per se het goede in de mens naar boven. Een Zwangsgemeinschaft (H.G. Adler) die zich geconfronteerd zag met een catastrofe waarvan de reikwijdte en de omvang niet waren te overzien, en waarbij het toch primair ging om een geheel ander soort Lebensraum: de eindeloze, nooit ophoudende zoektocht naar de mogelijkheid om te léven, voort te bestaan, hoe gering dan ook, om alleen maar overeind te kunnen blijven in deze krankzinnige en rusteloze, almaar voortdurende nachtmerrie. In dit sinistere kazernecomplex werd een strijd van leven en dood gevoerd tegen vervuiling en ongedierte, tegen ziekte, uitputting, honger en angst. Cultuur, in welke vorm ook, gaf velen mogelijk tegen beter weten in een gevoel van veiligheid, misschien zelfs geborgenheid, 'dat het uiteindelijk allemaal zo erg niet zou kunnen wezen' en dat de transporten naar het oosten 'slechts' een tocht naar een nieuwe pleisterplaats betekenden, op het perron uitgeluid met de vrolijke klanken van Smetana's De verkochte bruid ('waarom zouden we niet vrolijk zijn?') De werkelijkheid van Theresienstadt was echter de fuik waarin de miserabelen werden leeggestort, om dan na een korter of langer verblijf weer als vee te worden ingeladen, op weg naar de laatste halteplaats.

Het was, zoals Presser het omschreef, een coulissenstad, de Potemkinstad, die de Duitsers de wereld wilden voortoveren en waarin de joden moesten meespelen. De later opgehangen Rahm, de beul van Theresienstadt, streek kleine jongetjes over het haar en nam ze als een vader bij de hand: Hitler schenkt den Juden eine Stadt. De film toont natuurlijk geen glimp van krioelende, vervuilde, verhongerende mensen.

Tegen de verdrukking in

Dat in een dergelijke depressieve en repressieve omgeving kon worden gecomponeerd is en blijft toch niet minder dan een mirakel. De belangrijkste componisten in Theresienstadt waren Viktor Ullmann (1898-1944), Gideon Klein (1919-1945), Pavel Haas (1889-1944) en Hans Krásna (1899-1944). Erwin Schulhoff (1894-1942) wordt weliswaar meestal in een adem vermeld, maar hij verbleef niet in Theresienstadt. Hij werd in Praag gearresteerd en na daar eerst enige tijd in een gevangenis te hebben gezeten, overgebracht naar het nabij Theresienstadt gelegen kamp Wülzburg, waar hij ongeveer een jaar later aan tuberculose overleed.

 
  Viktor Ullmann

Viktor Ullmann

Viktor Ullmann werd op 1 januari 1898 in Teschen (nu Ceský Tešín of Cieszyn) in Silezië geboren uit Duits-Tsjechische ouders. Zijn joodse vader was officier in het Oostenrijkse leger. Viktor was elf jaar oud toen het gezin naar Wenen verhuisde, waar hij - na een jaar onder de wapenen te zijn geweest - in 1918 rechten ging studeren. In datzelfde jaar kwam hij in de compositieklas van Arnold Schönberg terecht, wat tamelijk opzienbarend was want de componist nam normaal gesproken geen leken als leerling aan. Al spoedig behoorden onder anderen Alban Berg en Alexander von Zemlinsky tot zijn vriendenkring, maar in tegenstelling tot de verwachtingen bleef Ullmann zijn eigen stijl trouw en weerstond hij de atonaliteit die de Tweede Weense School kenmerkte.

In de jaren twintig was Ullmann koorleider en repetitor aan het Nieuw-Duits Theater in Praag en als zodanig de assistent van de muzikale directeur, Alexander von Zemlinsky. Hij schopte het zelfs tot assistent-dirigent en deed er veel opera-ervaring op. Gewapend met kennis, ervaring en aanbevelingen trok hij in 1927 naar de stad Aussig in Noord-Bohemen (nu Usti nad Labem), waar hij zelf een operahuis uit de grond stampte en al in het eerste seizoen veel belangstelling trok met zijn uitvoeringen van opera's van onder anderen Mozart, Smetana, Strauss en Wagner. Uit die tijd stammen ook de Symfonische fantasie en de Vijf variaties en dubbelfuga op een thema van Arnold Schönberg voor pianosolo (later omgewerkt tot Variaties en fuga op een thema van Arnold Schönberg voor strijkkwartet en orkest.)

Onduidelijk is gebleven waarom Ullmann het al na een seizoen in Aussig voor gezien hield. Hij keerde terug naar Praag, waar hij als leraar aan de slag probeerde te komen. Daar ontstond ook zijn Concert voor orkest. Van 1929 tot 1931 was Ullmann als dirigent en artistieke leider verbonden aan het muziektheater in Zürich, waarbij hij ook kennismaakte met het antroposofische gedachtegoed van Rudolf Steiner, de zoektocht naar de samenhang tussen de mens en het geestelijk wezen van de kosmos. Steiners leer had een dusdanig sterke invloed op de dan 33-jarige Ullmann dat hij zijn muzikale loopbaan eraan gaf en in 1931 in Stuttgart een boekwinkel begon die zich specialiseerde in de boeken en geschriften van en over Steiner.

Toen Hitler het in 1933 in Duitsland voor het zeggen kreeg, was er voor de antroposofie natuurlijk geen plaats meer en zag Ullmann de donkere buien al hangen. Hij week uit naar Praag en vatte daar zijn muzikale leven weer op, hij gaf muziek- en compositielessen, componeerde weer en nam zelf les bij de componist Alois Haba, die evenals Ullmann de antroposofische leer was toegedaan en die tot de modernisten werd gerekend. Daarnaast schreef Ullmann muziekrecensies, was hij betrokken bij radio-uitzendingen over muziek en nam hij deel aan allerlei muzikale activiteiten in verenigingen en sociëteiten.

Ullmann viel ook in de prijzen. Twee composities werden beloond met de prestigieuze Emille Hertzka-prijs: in 1934 voor de orkestversie van Variaties en Fuga op een thema van Arnold Schönberg en in 1936 voor de opera Der Sturz des Antichrist. Nog in 1938 reisde Ullmann naar Londen om in het kader van het Nieuwe Muziek Festival de uitvoering bij te wonen van zijn Tweede strijkkwartet. In 1939 ontstond zijn overwegend lyrische Pianoconcert, dat tamelijk bekend is geworden.

Na Hitlers triomftocht door Praag op 16 maart 1939 en de uitroeping van het rijksprotectoraat Bohemen en Moravië werd ook het muzikale licht in Tsjecho-Slowakije meer en meer gedoofd. In september 1941 was het gedaan met de publieke concerten met muziek van joodse componisten, waaronder Mendelssohn en Mahler. Joodse musici werd het werken bovendien verboden en dus moesten zij onder gefingeerde Tsjechische nemen hun toevlucht nemen tot illegale muziekavonden.

Tot zijn deportatie naar Theresienstadt leed Ullmann dusdanig onder hevige depressies dat opname in een kliniek noodzakelijk werd. Het verlies van de beide ouders in korte tijd en het feit dat twee van zijn vier kinderen met een van de laatste zogenaamde kindertransporten via Zweden naar Engeland waren geëvacueerd, bevorderden zijn genezingsproces niet en verkeerde hij in een depressieve en lethargische toestand die het hem onmogelijk maakte om ook zelf een veilig heenkomen te vinden. Voor gezonde mensen was het al een enorme opgave om via de nog resterende vluchtroutes te ontkomen, dwarsgezeten en getergd door onverschilligheid en bureaucratie, laat staan voor de zieke Ullmann.

Ullmann en zijn derde echtgenote Elizabeth arriveerden met een van de transporten uit Praag op 8 september 1942 in Theresienstadt. Direct na aankomst moesten zij zich met zo'n duizend andere gedeporteerden melden bij het zojuist in gebruik genomen, nieuwe crematorium, een voettocht van twee kilometer vanaf het aankomststation in Bohusovice. Zij moeten hebben gedacht dan hun laatste uur geslagen was, maar nog diezelfde dag werden met Duitse Gründlichkeit ze in het getto geregistreerd.

Ullmann was er tijdens zijn werkzame leven als componist weliswaar nooit in geslaagd om een uitgever voor zijn werk te vinden, maar hij had inmiddels zo'n veertig composities op zijn naam staan, waaronder twee opera's (Der Sturz des Antichrist en Der zerbrochene Krug), twee strijkkwartetten, vier pianosonates, liederen en orkestwerken, en hij was bekend genoeg om in het getto al snel op te vallen. Hij werd niet ingedeeld bij de gangbare werkploegen, maar kreeg met de Tsjechische componist Hans Kráza (1899-1944) de opdracht om de al door de Roemeense musicus Raphael Schaecter (1905-1944) in gang gezette Freizeitgestaltung in het kamp verder te organiseren. Hij formeerde een ensemble om uitvoeringen te geven van het werk van andere gevangenen in Theresienstadt, zoals van Gideon Klein, Hans Krása, Pavel Haas en ook van hemzelf. Zelfs muziek van Mahler, Schönberg en Zemlinsky verscheen op de programma’s. En hij schreef er recensies over, zoals hij in goede tijden gewend was te doen.

Maar Ullmann componeerde ook in het getto, in dit opzicht zelfs het meest vruchtbare deel van zijn creatieve leven. Daar ontstonden meerdere liederencycli, drie pianosonates, zijn Derde en tevens laatste strijkkwartet, het symfonisch gedicht Don Quixote danst een fadango naar de gelijknamige opera en voltooide hij in juli 1944 het meesterlijke Die Weise von Liebe und Tod des Cornets Christoph Rilke voor verteller, piano en orkest. Raphael Schaecter gaf daarvan aan de piano de eerste uitvoering in het getto. Zijn bekendste werk, de satirische opera Der Kaiser von Atlantis oder der Tod dankt ab was in hoofdlijnen al in 1934 gereed, maar werd pas in gevangenschap voltooid. Tot een uitvoering kwam het niet, want na enige repetities vonden de SS-officieren dat hun Führer op de hak werd genomen. Het zou overigens daarna nog drie decennia duren alvorens de première van het werk van de grond kwam.

Felix Nussbaum: Skeletten (1944)

Der Kaiser von Atlantis is geschreven in een eclectische stijl waarin ook de elementen cabaret, pastiche (er is een gedurfde passage met het Duitse volkslied in mineur), operette en hoogromantiek vertegenwoordigd zijn, met een begeleiding waarin ook plaats is voor een saxofoon, een banjo en een trekharmonica.

Het gaat over een volslagen gekke, paranoïde keizer die op alle fronten oorlog voert totdat de dood, ‘een ouderwetse vakman op het gebied van sterven’ weigert nog langer door te gaan uit protest tegen de duivelse mechanisatie van het willekeurig doden. Nu de zieken en gewonden zijn veroordeeld tot een leven vol pijn en angst, smeekt de keizer de dood om weer aan de slag te gaan, maar die is daartoe slechts op een voorwaarde bereid: de koning moet toestaan dat hij zijn eerste slachtoffer wordt. De dood van de keizer in de slotscène verwijst ondubbelzinnig naar de nederlagen van de nazi’s aan het oostelijk en westelijk front.
De dood is hier muzikaal uitgebeeld met muziek van een haast extatische schoonheid vol rijke harmonieën, dus niet als vreesaanjagende figuur, maar als betrouwbare vriend, genadig en welkom. De ultieme boodschap van het werk is er een van hoop, vermengd met berusting wanneer de dood zelf verklaart: “Het is niet de andere kant die we moeten vrezen, maar eerder een wereld die in de donkerste schaduw is gehuld.”

Ullmanns heeft zijn laatste compositie, de Zevende pianosonate, opgedragen aan drie van zijn vier kinderen, Max, Jean en Felicia. Pavel, het jongste kind, stierf op 14 december 1943, net drie jaar oud, in het getto. Max was twaalf toen hij in 1944 in Auschwitz stierf.

Het pianowerk werd voltooid op 22 augustus 1944 en heeft vijf delen, 1. Allegro; 2. Alla Marcia ben misurato; 3. Adagio ma con moto; 4. Allegretto grazioso; 5. Variationen und Fuge uber ein hebräisches Volkslied. Het autobiografische karakter wordt onderstreept door citaten uit Gustav Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen en Richard Heubergers Der Opernball, maar ook uit zijn Der Sturz des Antichrist. De finale is onder meer ontleend aan Yehuda Sharetts Lied van Rachel, een zionistisch lied uit 1932. Het B-A-C-H thema duikt op, er is een verwijzing naar het Cruger-koraal Nun danket alle Got en het slot wordt ondergedompeld in een overtuigend stralend D groot, alsof het leven nog zoveel in petto heeft. Maar in Ullmanns handschrift openbaart zich de twijfel: 'Leise ist mir noch Hoffnung später Wiederkehr' ('In mij sluimert nog de hoop van een verlate terugkeer'.) Uit de vele aantekeningen in het manuscript blijkt dat Ullmann plannen koesterde om de sonate tot symfonie te orkestreren (de Duitse componist Bernhard Wulff ging daarmee in 1989 aan het werk en voltooide het ook als zodanig.)

Helaas is er werk verloren gegaan, zoals de opera Peer Gynt, de Tantalos fantasie voor orkest en een orkestwerk dat hij tijdens zijn studie bij Alois Haba componeerde. De Symphonische Messe zur Ehren des Erzengels Michael uit 1936 is eveneens verdwenen. Maar er moet aanzienlijk meer zijn geweest dat niet meer boven water is gekomen, getuige een notitie van Ullmann: "Ik heb hier in Theresienstadt heel veel nieuwe muziek gecomponeerd, meestal op verzoek van pianisten, zangers en dirigenten en bedoeld als vrijetijdsbesteding in het getto. Het zou onzinnig zijn om ze allemaal te tellen, zoals het ook onzinnig zou zijn om op te merken dat het in Theresienstadt onmogelijk zou zijn geweest om piano te spelen als er geen piano voorhanden was geweest. Verder zal het komende generaties een zorg zijn dat wij op dit ogenblik een gebrek aan muziekpapier hebben."

En: "Theresienstadt was en blijft voor mij een school die structuur onderwijst. Vroeger, toen men dankzij het comfort (dit tovermiddel van de beschaving) niet bij machte was om het gewicht van de wreedheid te voelen, kon die eenvoudig worden genegeerd en was het gemakkelijk om een mooie structuur te scheppen. Maar hier, waar artistieke materie de dagelijkse structuur moet overwinnen en verdragen, waar elke glimp van goddelijke inspiratie zich tegen de omgeving teweer moet stellen, hier vindt men (pas) de meesterklas."

Niet lang nadat de première van Der Kaiser von Atlantis door de SS was verboden, werden Viktor Ullmann en zijn vrouw Elizabeth op transport gesteld naar Auschwitz, waar zij direct na aankomst, op 16 oktober 1944, in de gaskamers werden omgebracht.

 
  Gideon Klein

Gideon Klein

De Tsjechische componist en pianist Gideon Klein zag op 6 december 1919 het levenslicht in Prerov. Hij kreeg op 11-jarige leeftijd zijn eerste pianolessen van Ruzena Kurzová en gaf drie jaar later al zijn eerste concert. In 1938 verhuisde hij naar Praag en nam deel aan de meesterklas van de pianist-pedagoog Vilém Kurz. Evenals Viktor Ullmann studeerde hij aan het conservatorium onder andere compositie bij Alois Haba, maar ook muziekwetenschappen aan de Charles-universiteit. In 1939 studeerde Klein cum laude af. Nadat in 1940 de Neurenberger Rassenwetten van kracht waren geworden, moest Klein echter noodgedwongen zijn studie afbreken. Een poging om een stipendium bij de Royal Academy of Music in Londen te verwerven, leed schipbreuk.

Evenals zoveel joodse lotgenoten maakte Klein bij zijn heimelijke activiteiten als concertpianist gebruik van allerlei pseudoniemen. In september 1941 trad hij onder de naam Karl Vránek in de concertzaal op, maar uiteindelijk werden publieke optredens onder het toeziend oog van de nazi's te gevaarlijk en beperkte Klein zich alleen nog tot uitvoeringen in voor dit doel uitgezochte scholen en woningen van particulieren.

De 22-jarige Klein werd al in december 1941, nog geen maand nadat de eerste transporten op gang waren gekomen, vanuit Praag naar Theresienstadt gedeporteerd, waar zijn compositorische en improvisatietalenten al snel opvielen. Die talenten kwamen bijzonder goed van pas want er was een groot gebrek aan bladmuziek, terwijl ook de nodige arrangementen moesten worden geschreven voor de bonte verzameling muziekinstrumenten. Oorspronkelijk was Klein ingedeeld bij het Zweite Aufbaukommando, maar hij werd door de kampleiding van de ploegenarbeid vrijgesteld om zich geheel aan de muziek te kunnen wijden.

Ook als pianist en begeleider maakte Klein op zijn medegedetineerden een diepe indruk, zoals blijkt uit een notitie van een ooggetuige:

Dort, mit geschlossenen Augen wachen Menschen die nicht rasten
Dort, mit geschlossenen Augen blickt ein jeder nach den Tasten
wie auf die Ader welcher weiches Blut entfließt.
wenn du ein Lied ihr bringst und sie dein Messer küßt
und jener Mensch hat alle Adern nachts geöffnet
und hat alle Orgelpfeifen aufgemacht
bestochen hat er alle Vögel um zu singen
zu singen
auch wenn des Kirchendieners harte Finger uns umschlingen
und über deine Todesart neigst du das Haupt wie Beethoven
und deine Stirn war schwer wie vor dem Regen über
uns das Wolkenmeer.
 
Es spielte Gidon Klein...

Dat Klein ook aanleg had voor het dirigeren lezen we in een verslag van een overlevende, waarin melding wordt gemaakt van een 'fantastische uitvoering' van de Studie voor strijkorkest van Pavel Haas in het nieuwe 'gemeenschapshuis' in het getto. Op verzoek van de dirigent Karel Ancerl was Klein op de bok geklommen om de akoestische eigenschappen van de zaal uit te proberen.

Klein zag zijn rol in het getto als veelomvattend en nam zijn taak serieus op. Hij was een hardwerkende, zeer talentvolle, door muziek en literatuur begeesterde jongeman die de zeer moeilijke omstandigheden het hoofd wist te bieden door zoveel mogelijk deel te nemen aan het sociale en intellectuele leven in het kamp. Zo gaf hij lezingen en muziekonderwijs aan zijn medegevangenen en was hij - tevens het hoofd van het instrumentendepot - in het kader van de Freizeitgestaltung met onder anderen Karel Ancerl, Rafael Schachter, Pavel Haas, Viktor Ullmann, Karel Berman en Hans Krása betrokken bij tal van concerten en andere muziekevenementen.

Kleins composities werden sterk geïnspireerd door het Moravische folkloristische idioom en zo bezien bouwde hij voort op het werk van vooral Leos Janácek en Vitezlav Novak, maar in een volstrekt eigen stijl, vermengd met invloeden van de Tweede Weense School, en dan voornamelijk de twaalftoonstechniek van Arnold Schönberg.

In Theresienstadt ontstonden twee madrigalen (Sag Tod en Het aangename in deze wereld) op teksten van François Villon en Franz Holderlin, De eerste zonde voor mannenkoor, de Fantasie en fuga voor strijkkwartet, een aantal liederen voor vrouwenkoor, de driedelige Pianosonate, en ten slotte zijn laatste werk, het onvoltooid gebleven Trio voor viool, altviool en cello (later door Vojtech Saudek voltooid en ook in een bewerking voor strijkorkest uitgebracht.)

Een deel van het werk van Klein - en dat geldt dan vooral de composities uit de vooroorlogse periode - is helaas niet bewaard gebleven, maar het is voornamelijk aan Charlotte Opfermann en Irma Frank Semecka te danken dat nog zoveel kon worden gered. Zij verborgen de handschriften en brachten deze later buiten het kamp.

In oktober 1944 werd Gideon Klein naar Auschwitz gedeporteerd, waarna hij in het buitenkamp Fürstengrube te werk werd gesteld. Het is niet bekend of hij aan het zware werk in de Silezische kolenmijn is bezweken, maar kort voor de bevrijding van Auschwitz door het Russische leger in januari 1945 kwam hij om het leven. Zijn zuster Eliska Kleinová overleefde de verschrikkingen.

 
  Pavel Haas

Pavel Haas

De op 21 juni 1889 in Brno (Brünn) geboren Pavel Haas had evenals Gustav Mahler zijn wortels in Oost-Bohemen. De joodse en Tsjechische families op het platteland spraken dezelfde taal en waren zowel maatschappelijk als cultureel volkomen geïntegreerd. In de grotere steden was dit echter anders en had het Duits sprekende deel het ovewegend voor het zeggen. Hun politieke invloed was aanmerkelijk groter en zij hadden de betere banen. Ook Mahler moet dat hebben ervaren, want hij ging voor zijn muziekstudie naar de Oostenrijkse hoofdstad en kreeg daar ook de kans om zich muzikaal te ontplooien, wat hem in zijn geboorteland nooit zou zijn gelukt.

Voor Pavel Haas gold dat inmiddels niet meer. De Tsjechisch sprekende bevolking had voor de eerste maal de meerderheid in de Tsjechische landdag (het regionale bestuur) veroverd en de daaruit voortvloeiende sociale, taalkundige en culturele veranderingen hadden vanzelfsprekend ook een positieve invloed op de mogelijkheden voor Pavel om in zijn geboortestreek te studeren en er een carrière op te bouwen.

Pavels vader, Zikmund, had zich in de jaren negentig van de negentiende eeuw in Brno gevestigd en begon daar een al snel goed lopende schoenenwinkel, later gevolgd door nog twee zaken. Zoon Hugo (1901-1968) groeide niet alleen uit tot een vooraanstaande toneel- en filmacteur, maar hij was ook bestuurslid van het beroemde Nationale Theater in Praag. Hij emigreerde vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog naar de V.S. en bouwde in Hollywood een eveneens succesvolle loopbaan op.

Pavel ging evenals zijn broer Hugo eerst naar een Duits georiënteerdebasisschool. Thuis werd alleen Tsjechisch gesproken, maar de ouders hadden voor hun beide zonen een zakelijke carrière voor ogen en daarvoor was de beheersing van de Duitse taal onontbeerlijk. Vervolgens bezocht Pavel de technische staatsschool, de Reálka, en kreeg hij pianoles, wat hem ertoe aanzette om componist te worden. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog had hij een ouverture, verschillende pianostukken en liederen op zijn naam staan. Uit de daarvan bewaard gebleven fragmenten blijkt in ieder geval dat hij toen al grote aanleg voor het componeren had.

Met instemming van zijn ouders verliet Pavel het schoolleven om zich volledig aan de muziekstudie te kunnen wijden, maar niet zonder ten minste enige uren per dag in de schoenenwinkel te werken: zijn vader achtte een zakelijke 'onderbouw' voor zijn zoon van groot belang. Dan was er voor de 18-jarige ook nog de militaire dienst, waaraan hij zich niet kon onttrekken. Pavel nam dienst in het Oostenrijks-Hongaarse leger, maar erg veel indruk heeft dit niet op hem gemaakt.

Na de oprichting van de onafhankelijke Tsjecho-Slowaakse republiek kwam er in Brno naast het al bestaande Duitse conservatorium nu ook een Tsjechische pendant, waar de componist Leos Janácek lesgaf. In september 1920 meldde Pavel zich bij diens meesterklas en werd aangenomen. Op 28 juni 1922 kon hij niet zonder gepaste trots het diploma in ontvangst nemen. Een van de composities waarmee hij zich in die tijd bezighield was een opera naar de komedie De derde van de Russische auteur Viktor Krylov. Hij componeerde toen ook stukken die hij van een opusnummer voorzag, zoals het Eerste strijkkwartet op. 3, de Chinese liederen voor altstem en piano op. 4 en het Scherzo triste voor orkest op. 5. Hij ontving zelfs de opdracht tot het schrijven van de toneelmuziek bij R.U.R., een theaterstuk van Karl Capek, dat in het stadstheater van Brno werd opgevoerd. Kort daarna werd hij door het toen zeer bekende Revolutionaire Theater in Praag gevraagd om zowel de muziek voor drie losse nummers als bij enige tekstdelen te componeren voor de voorstelling van Georg Büchners Wozzeck. Ondanks die in het oog springende activiteiten brak de carrière van Pavel Haas als componist niet echt door. Hij trok daaruit de conclusie dat hij zich als toondichter niet in zijn levensonderhoud zou kunnen voorzien en besloot om zich te wijden aan de schoenenwinkels van zijn vader. Van nu af aan was Pavel gelegenheidscomponist.

Pavel bezat een hoge mate van zelfkritiek en gaf alleen opusnummers aan zijn werk als hij er met hart en ziel achter kon staan. Vele composities sneuvelden onder zijn kritische oog en uiteindelijk kende hij aan slechts achttien werken een opusnummer toe. Zijn persoonlijke ontwikkeling als componist stond zeker sterk onder invloed van zijn leermeester Leos Janácek, die als leraar hoge eisen stelde aan onder meer de opbouw van melodie en harmonie binnen het idioom van het Moravische volkslied. Evenzo het op muziek zetten van teksten en de ritmiek als structureel element van de compositie gaven menige student een moeilijk uurtje. Maar Janáceks kwistig rondgestrooide opgaven hebben zeker, waar het Haas betreft, hun dienst bewezen want de neoclassisistische technieken à la Stravinsky en de jazz-achtige bewerkingen van de Moravische folklore in combinatie met joodse-synagogemuziek en vooral een eigen, zelfbewuste stijl hebben hem tot een van de belangrijkste componisten van zijn generatie gemaakt. Dat hij slechts kort heeft mogen leven, doet daaraan niets af.

De opera in drie akten en zeven scènes Sarlatán (Charlatan of Kwakzalver) is een van Haas' belangrijkste werken en daarnaast een keerpunt in zijn veelbelovende componeerstijl. Het draait om de kwakzalvende dokter Johann Andreas Eisenbart (1663-1727), die het onderwerp is van een novelle van de Duitse auteur Josef Winckler. Haas maakte zijn eigen selectie van de vele gedenkwaardige gebeurtenissen in het boek en slaagde erin een dramatisch libretto samen te stellen. Hij had er slechts twee maanden voor nodig (mei en juni 1934), maar het muzikale discours moet hem veel hoofdbrekens hebben gekost, want pas in juni 1937 was de opera voltooid. Daaraan vooraf ging overigens nog een zesdelige orkestsuite (op. 14), die op de muziek uit de eerste en tweede akte is gestoeld.

Zoals Haas het zelf omschreef, betrof het een muzikale tragikomedie waarin allerlei stemmingen de revue passeren, van het groteske naar het tragische. De moderne uitdrukkingsmiddelen verhelen niet het folkloristische karakter. "In dit werk probeerde ik ook om de tijd op te roepen waarin de handeling speelt. De snel wisselende situaties, de scherp met elkaar contrasterende scènes en het gevoel van ononderbroken beweging beïnvloedden alle de muzikale stijl. De tekst is hoofdzakelijk in proza geschreven, maar enige delen zijn in versvorm in de stijl van de oude vlugschriftballaden gegoten. Aria's ontbreken, maar ik heb geprobeerd om aan het orkest een meer melodieuze rol te geven." Aldus de componist op 26 maart 1938 in Moravské slovo.

De première vond plaats op 2 april 1938 in het Oude Theater in Brno en werd zo enthousiast ontvangen dat de opera in dat voorjaar nog vijf uitvoeringen beleefde. Haas was bijzonder ingenomen met het succes, maar de donkere wolken pakten zich reeds samen en in de loop van dat jaar verslechterde de toestand in Tsjecho-Slowakije dusdanig dat verdere uitvoeringen moesten worden geschrapt.

In oktober 1935 trouwde Pavel met de arts Sona Jakobsonová, maar na de Duitse bezetting van Tsjecho-Slowakije besefte hij dat zijn joodse achtergrond niet alleen hem, maar ook zijn vrouw en dochter grote beperkingen zou opleggen en vroeg hij om die reden formeel echtscheiding aan, hoewel Pavel gewoon thuis met zijn gezin verbonden bleef. Daaraan kwam evenwel een abrupt einde toen Pavel op 2 december 1941 op transport werd gesteld naar Theresienstadt. Met Gideon Klein behoorde Pavel tot een van de eerste componisten die werden gedeporteerd. Zijn vrouw en kind bleven gespaard.

Voor Pavel Haas was Theresienstadt een oord van verschrikking waaruit hij geen hoop of levenskracht kon putten. Alleen Gideon Klein wist hem steeds weer opnieuw uit zijn lethargische toestand te halen, maar de dagelijkse omstandigheden in het kamp trokken een enorme wissel op Pavels creativiteit. Van de minstens acht in Theresienstadt gecomponeerde werken is het merendeel helaas verdwenen. Een drietal bleef echter behouden, Al sefod (Treur niet) (1942) voor mannenkoor a cappella op teksten van David Shimoni, de intens tragisch-lyrische Vier liederen op Chinese teksten (1944) en de kleurrijke Studie voor strijkorkest (1943). Dat laatst werk werd van de vergetelheid gered door de eveneens in Theresienstadt geïnterneerde Tsjechische dirigent Karel Ancerl, die in het kamp meerdere uitvoeringen ervan leidde en er na de oorlog in slaagde om de orkestpartijen in het kamp alsnog op te sporen. Het handschrift bleef echter onvindbaar.

In oktober 1944 werden Haas en duizenden anderen, waaronder vrijwel alle musici, op transport gesteld naar Auschwitz, waar hij kort na aankomst, op 17 oktober, werd vergast. De 'Grote Symfonie' mocht Pavel Haas zelf niet meer voltooien. Een dag eerder waren Viktor Ullmann en Hans Krása hem voorgegaan.

 
  Hans Krása

Hans Krása

De op 30 november 1899 in Praag geboren Johann (Hans) Krása kreeg een Duitse opvoeding en Duitstalig schoolonderricht. Zijn ouders waren welgesteld en beseften al spoedig dat hun zoon over aanzienlijke muzikale talenten beschikte. Hans was net zes jaar oud toen hij al pianolessen kreeg, en niet van de eerste de beste, maar van Therese Wallerstein. De leergierige en talentvolle leerling vond de piano echter niet genoeg en begon vier jaar later met vioollessen, wat zijn vader ertoe bracht hem een heuse en dus kostbare Amati cadeau te doen!

Zijn eerste compositiepogingen werden door de familie met groot enthousiasme ontvangen en het duurde dan ook niet lang of vader Krása trok weer eens de portemonnee om tijdens de familievakanties in het Zwitserse St. Moritz de concerten te bekostigen waarin het werk van zijn zoon aan het publiek werd voorgesteld.

Na de Duitse muziekacademie in Praag ging Hans in 1920 aan de slag als koorrepetitor bij het Nieuw-Duitse Theater in Praag, een functie die ook Ullmann daar zou gaan bekleden. Ook nu was het Alexander von Zemlinsky, de muzikale leider van het theater, die zich tevens als mentor over de jonge musicus ontfermde. Zemlinsky, de leerling van Brahms en de leraar van Schönberg, had grote invloed op Krása, maar het is evident dat hij zich in de loop der tijd toch vooral ontwikkelde als componist van korte werken, waarin transparantie en groteske humor en het groteske de hoofdrol vervulden. Zemlinsky gaf tijdens een filharmonisch concert in mei 1921 de première van Krása's debuutwerk, de grillige Vier orkestliederen (op. 1) naar Christian Morgensterns Liederen van de galg.

Krása verruilde Praag voor Parijs en ging bij Albert Roussel studeren. De werken uit die tijd - zoals delen uit de Symfonie voor klein orkest en het Strijkkwartet op. 2 - werden door pers en publiek lovend ontvangen en al die positieve kritieken hadden tot gevolg dat de Weense muziekuitgever Universal Edition zich voor zijn werk begon te interesseren en hem in 1925 een contract aanbood. Een hoogtepunt was de uitvoering van Krása's Eerste symfonie door het Boston Symphony Orchestra onder leiding van Serge Koussevitzky in Zürich in 1926.

Teruggekeerd in Praag, na een korte tussenstop bij de Berlijnse Kroll Oper, voltooide Krása in 1931 de cantate voor solostemmen, koor en orkest De aarde is van de Heer, die in 1932 in première ging. George Szell, de opvolger van Zemlinsky, benoemde Krása tot zijn assistent en dirigeerde tijdens het meifestival in 1933 de eerste uitvoering van diens opera Verlobung im Traum naar een novelle van Dostojevski. Deze in 1933 met de Tsjechische staatsprijs bekroonde opera had ongetwijfeld de weg nog verder geëffend voor een glanzende internationale loopbaan als componist, maar de nazi's hadden geheel andere plannen met die 'entartete' Musik und Musiker.

In Praag genoot Krása nog van het rijke, goede leven. Hij zakte ´s nachts nogal eens stevig door en stond zelden vóór de middag op, gaf her en der spaarzame muzieklessen en bracht veel van zijn tijd door met acteurs, kunstenaars en schrijvers in bars, koffiehuizen en restaurants. Hij hield van discussies - hij was lid van de antifascistische kunstenaarsbeweging - en speelde graag schaak, een zeer charmante, charismatische en innemende persoonlijkheid met een aristocratisch aureool die een vriendelijke inborst had en de mensen gemakkelijk voor zich wist te winnen.

Misschien hield Krása te lang aan dit goede leven vast, zag hij niet bijtijds de gevaren van de zich in een stroomversnelling bewegende gebeurtenissen en kon hij - hoewel hij niet onbemiddeld was - uiteindelijk geen veilig heenkomen meer vinden. Hij werd op 10 augustus 1942 naar Theresienstadt gedeporteerd.

 
  Hans Krása (l.) en Adolf Hoffmeister

Het groteske contrast tussen het luxe leventje in Praag en de barre omstandigheden in het getto moet voor de 43-jarige aristocraat niet minder dan een zenuwschok zijn geweest. Zeker is dat het tot het voorjaar van 1943 heeft geduurd alvorens hij zich weer aan het componeren kon zetten. Vaststaat ook dat het weer Gideon Klein was die hem uit de diepe put wist te halen en hem aanspoorde weer aan het werk te gaan.

Krása's kinderopera Brundibár naar het libretto van Adolf Hoffmeister (gecomponeerd in 1938, maar in het kamp door hem op basis van het voorhanden zijnde piano-uittreksel van een nieuwe instrumentatie voorzien) heeft in de Freizeitgestaltung in het getto, maar ook daarbuiten een belangrijke rol gespeeld. Dit mag verbazing wekken, want het stuk was een anti-oorlogfabel naar Aristophanes' in 411 geschreven blijspel Lysistrata, waarin het dit keer de vrouwen zijn die de mannen dwingen om vrede te sluiten. Het werd echter niet minder dan 55 keer opgevoerd en in de nazi-film Der Führer schenkt den Juden eine Stadt als specimen van de voorspoed en de vreugde in het kamp misbruikt. De dansende, spelende en zingende kinderen moesten boekdelen spreken...

Krása schreef in Theresienstadt twee strijktrio's (Tanec en Jaja), een Ouverture voor klein orkest, alsmede composities die ook in het getto werden uitgevoerd: Thema en variaties voor strijkkwartet, Passacaglia en fuga voor strijktrio en Drie liederen voor sopraan, klarinet, altviool en cello naar verzen van Arthur Rimbaud. Het ironische Tanec is een in Tsjechische folklore gehulde, vederlichte dans die rechtstreeks naar de hel lijkt te voeren. Passaglia en fuga daarentegen mist Krása's spreekwoordelijke spot en klinkt ijzig en sober, alsof de componist uitdrukking wilde geven aan het gebrek aan hoop en verwachting, maar niet zonder voortdurende waakzaamheid: seid nüchtern und wachet.

Op de avond van 16 oktober 1944 werd de bijna 45-jarige Hans Krása op transport gesteld naar Auschwitz, waar hij direct na aankomst werd vergast, op vrijwel hetzelfde tijdstip als Viktor Ullmann en Pavel Haas...

Bronnen

Literatuur
Adler, Hans G.: Theresienstadt 1941-1945. ISBN 3-892-44694-6
Ambros, Peter: Leben vom Blatt gespielt. ISBN 3-93571221-9
Auerbacher, Inge: Ich bin ein Stern. ISBN 3-407-80045-2
Kacer, Kathy: Die Kinder aus Theresienstadt. ISBN 3-473-58188-7
Krása Initiative: Komponisten in Theresienstadt. ISBN 3-00-005164-3
Manes, Philipp: Als ob's ein Leben wär. TatManes, sachenbericht Theresienstadt 1942-1944. ISBN 3-550-07610-X
Presser, J: Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945. ISBN 90-5911-170-2
Manes, Philipp: Als ob's ein Leben wär. TatManes, Sachenbericht Theresienstadt 1942-1944. ISBN 3-550-07610-X
 
Internet    
Gideon Klein Gideon Klein Stichting http://www.gideonklein.cz
  Literatuur http://dispatch.opac.ddb.de
  Werkoverzicht http://www.musica.cz/comp/klein.htm
  Vragen over partituren tilman.kannegieser@boosey.com
     
Pavel Haas Pavel Haas Stichting www.pavelhaasfoundation.org
  Biografische gegevens www.musica.cz/comp/haas.htm
  Werkoverzicht www.musica-reanimata.de/werke_haas.html
     
Hans Krása Biografische gegevens http://www.musica.cz/comp/krasa.htm
  Radio Praag http://www.radio.cz/fr/article/65678
  Werkoverzicht http://www.musica.cz/comp/krasa.htm
     
Viktor Ullmann Viktor Ullmann Stichting http://www.viktorullmannfoundation.org.uk
  Home Page Victor Ullmann http://mitglied.lycos.de/mwiener/ullmann
  Werkoverzicht http://mitglied.lycos.de/mwiener/ullmann/ewerkverzeichnis.html
     
Theresienstadt Documentatie http://www.terezin.cz
  Monument http://www.pamatnik-terezin.cz
  Media: cd, dvd, film, video http://www.terezinmusic.org
  Vragen over repertoire info@terezinmusic.org
     
Boeken 'Verdrängte Musik' http://www.musica-reanimata.de/buchreihe.html
    http://www.rrz.uni-hamburg.de/musik/exil/texte
     
Partituren  Componisten in Theresienstadt http://www.boosey.com
     

De Decca-serie Entartete Musik

Het is bijzonder jammer dat deze enerzijds al zo uitgebreide en anderzijds zo veelbelovende serie cd's die geheel was gewijd aan zowel de door nazi's verboden muziek als aan componisten die waren gedeporteerd of nog een veilig heenkomen wisten te vinden, niet meer in de releaselijsten voorkomt. De bijzonder goed gedocumenteerde serie bood met schitterende vertolkingen en een goede tot uitmuntende opnamekwaliteit een fascinerende blik op een van de belangrijkste perioden uit de muziekgeschiedenis van de vorige eeuw. Blijkbaar werd het lopende project bij gebrek aan voldoende publieke belangstelling alsnog in de ijskast gezet, maar de kwaliteiten ervan kennende is dit zeker een groot gemis.

Een transport arriveert in Theresienstadt

In de slotaflevering: muziek als gedenkteken

Naar deel 1
Naar deel 2


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links