Mozarts Requiem tussen hemel en aarde in Rotterdamse Doelen


Schubert: Symfonie nr. 4 in c, D 417
Mozart: Requiem KV 626
Lauren Snouffer (sopraan), Barbara Kozelj (mezzo), Christian Elsner (tenor), Geert Smits (bas), 
Laurens Collegium Rotterdam, Rotterdams Philharmonisch Orkest, dirigent:  Cristian Măcelaru
Gehoord: 1 december 2016, De Doelen, Rotterdam – daarna nog op 2 december
Door Aart van der Wal

het_requiem_van_mozart_-_cristian_macelaru

Voor de een is Schuberts Vierde symfonie een opwarmertje, voor de ander een meesterwerk dat veel te weinig wordt uitgevoerd. De bijnaam ‘Tragische’ is weliswaar van de componist zelf, maar lijkt na die majestueuze en nogal sombere inleiding (in het donkere c-klein) in het verdere verloop die titel steeds meer te verliezen. Gecomponeerd op zijn negentiende, in 1816, moest het stuk tot 1849 wachten op een eerste uitvoering. Schubert was toen al 21 jaar dood. Het zegt iets over zijn reputatie als ‘symfonicus’: die was er toen eenvoudigweg niet. Dat beeld zou in de daarop volgende jaren niet wezenlijk veranderen, zelfs niet na die formidabele ‘Onvoltooide’ en die van ‘hemelse lengte’ zijnde Negende. Gezet voor slechts 2 fluiten, 2 hobo’s, 2 klarinetten,2 fagotten, 4 hoorns, 2 trompetten, pauken en strijkers kon de bezetting van het Rotterdams Philharmonisch bescheiden worden gehouden. Het kwam de doorzichtigheid ten goede, met scherp geprofileerde inzetten en breed uitwaaierende houtblazers. Het ontbrak enigszins aan expressieve nuances (Andante), de rijke aankleding van het As-groot had meer gloed verdiend en de syncopen in het Menuet (meer een Scherzo) werden nogal overdreven voorgesteld (wat prompt ten koste ging van de hier zo vereiste precisie) , maar afgezien daarvan viel er veel te genieten en te bewonderen. Hoogtepunt was de fonkelende en wervelende finale die de ‘tragiek’ nog eens extra stevig naar de achtergrond verschoof: de symfonie eindigde waar het eindigen moest, in een stralend C-groot, met uitbundige hoorns en trompetten.
 
Wat te zeggen van Mozarts Requiem? Het is, het moet gezegd, het werk lijkt uit graniet gehouwen, maar het is toch helaas een lapidaire lappendeken gebleven dat zijn ontstaan te danken heeft aan die geheimzinnige graaf Franz Walsegg von Stuppach en de voltooiing aan die overijverige Süßmayer, daartoe aangespoord door Mozarts Weduwe Constanze die dringend geld nodig had (u vindt het hele verhaal op https://www.opusklassiek.nl/componisten/mozart_requiem.htm). Wat allemaal niet wegneemt dat het een fascinerend opus is dat ook in zijn postume vorm steeds weer diepe indruk weet te maken. Zo was het ook in de Rotterdamse Doelen, dankzij een orkest dat goed op dreef was, met vier sublieme solisten en een uit graniet gehouwen maar niet minder soepel koor dat in het Lacrymosa de diep bewogen kroon op Mozarts eigen onvervalste aandeel in het opus zette.
Het was zo’n uitvoering waarin niet alleen alle puzzelstukjes meesterlijk gedoseerd op hun plaats vielen, maar die emotioneel zo geladen was dat menigeen in gedachten een diep gevoelde verbintenis zal zijn aangegaan met een verloren dierbare, misschien daaruit troost zal hebben geput, precies zoals Mozart het bedoeld moet hebben. Voor de een even die aanraking met de zo verre kosmos, voor de ander misschien zelfs even dat moment van absolutie. Daarvoor is niet meer nodig dan een bescheiden instrumentarium met in de hoofdrol de bassethoorns en de trombones, een solistenteam dat de tekst ook expressief en verbeeldingsvol eigen heeft gemaakt en een kooraandeel dat staat als een huis. Geen geluidssalvo’s, geen drukke koperfanfares, geen zaal die op zijn grondvesten moet trillen als het Dies irae losbreekt, maar een puur en klassiek gehouden Missa pro defunctis die muzikaal niet meer hoeft te verkondigen dan wat de Latijnse tekst te zeggen heeft (die tekst werd overigens keurig op displays links en rechts van het hoofdorgel getoond).