Interview

Het Internationaal Liedfestival Zeist: nieuwe vergezichten

In gesprek met Henk Neven en Hans Eijsackers

 

© Aart van der Wal, april 2022

 

Van vrijdag 13 tot en met zondag 22 mei vindt in Zeist de zesde editie van het Internationaal Liedfestival plaats, met onder meer een groot aantal recitals, masterclasses, lezingen en educatieve projecten. Als thema werd 'Auf Flügeln des Gesanges' gekozen, naar het gelijknamige gedicht van Heinrich Heine en het lied van Felix Mendelssohn.

Voorafgaande aan deze editie vroeg artistiek leider en bas-bariton Robert (voor intimi Rob) Holl aan de bariton Henk Neven en de pianist Hans Eijsackers om deze editie te programmeren. Hij zal het stokje officieel aan hen overdragen tijdens het komende festival. Een reden te meer om met beide heren in gesprek te gaan, bij de bariton thuis in Rotterdam.

Robert Holl (foto Mel Boas)

In mei gaat de zesde editie van het liedfestival van start. Wat was daarbij jullie uitgangspunt?

HN: Zeker met het oog op de vereiste subsidies die lang van te voren dienen te worden aangevraagd moet ook qua programma tamelijk ver vooruit worden gekeken. Wat betreft de komende mei-editie was dit proces nog in handen van de toen – laat ik het zo noemen – drijvende krachten achter het festival: organisator Aat Klompenhouwer en artistiek leider Robert Holl. Hun voornaamste insteek was een festival met als kern liederen van Franz Schubert (1797-1828), Felix Mendelssohn (1809-1847) en Johannes Brahms (1833-1897), naast een aantal dichters. Geen toeval overigens dat het geboorte- of sterftejaar van deze componisten tevens een jubileum inhoudt: Schubert werd 225 jaar geleden geboren, Mendelssohn overleed 175 jaar geleden en Brahms 125 jaar geleden. Eigenlijk best bijzonder dat die samenvallen.

 
 

Heinrich Heine (1797-1856)

HN: Ook de titel van deze editie stond al vast: ‘Auf Flügeln des Gesanges', naar het gelijknamige lied van Mendelssohn, gestoeld op een bekend gedicht van Heinrich Heine (1797-1856), tevens een van de ‘hoofddichters' binnen het raamwerk van het festival. En ook in dit geval weer een jubileumjaar: Heine werd 225 jaar geleden geboren.

HN: Er is inmiddels echter wel het een en ander gebeurd. Aat is vorig jaar overleden, Rob werd onlangs 75. Hij vond de tijd gekomen om het stokje over te dragen en vroeg ons, Hans en ik, het programma 2022 verder in te vullen. Daarover nadenkend voelden we allebei de behoefte om er een rode draad, een verbindende factor, doorheen te weven. Het was deze liedtekst die ons meer dan voldoende aanknopingspunten bood voor het uiteindelijk door ons gekozen thema. Vandaar ook dat ieder door ons uitgewerkt programma een bepaalde regel uit het gedicht heeft meegekregen.  

Schubert, Mendelssohn en Brahms: drie componisten die binnen het romantische Duits-Oostenrijkse liedrepertoire een dominante rol hebben gespeeld.  

HEIJ: Het is zeker waar dat daarin heel veel te ontdekken valt, maar in die Heine-tekst vonden we zoveel fascinerende uitgangspunten dat we echt ook nog een andere kant op wilden gaan. en om daardoor tevens het repertoire te verbreden. In dat Heine-gedicht komen bijvoorbeeld elementen voor als dromen van verre oorden, de verbinding tussen de natuur en de liefde, maar ook de vlucht naar het onbekende, dat laatste vandaag de dag helaas zeer actueel. 

HN: Veel liedteksten mogen dan uit een ver verleden stammen, ze zijn nog steeds actueel. Ze gaan over universele thema's zoals wie we zijn en wat we doen, wat ons beweegt, over liefde en verdriet, eenzaamheid, verlangen, enz. We hebben ons vrij kortgeleden weer met Schuberts Winterreise beziggehouden en als we dan bedenken dat het óók een politiek geladen metafoor is, is het zelfs actueler dan ooit. We zoeken kortgezegd naar datgene dat raakt aan het liedfestival en aan de maatschappij van nu.

HN: Rob voelde tijdens zijn artistieke bewind minder voor een thematische aanpak dan wij nu. Het heeft misschien ook met de tijd te maken; of met de locatie. In Oostenrijk kan zonder enig bezwaar een avond met uitsluitend Schubert-liederen worden geboden, maar door het repertoire in een andere context te plaatsen kun je een maatschappelijk verhaal vertellen en daardoor misschien meer mensen erbij betrekken. Het devies zou kunnen zijn: het goede uit het verleden toch behouden als we de toekomst anders invullen.  

Henk Neven (l.) en Hans Eijsackers (foto Mel Boas)

Het publiek moet daarin wel meegaan.

HEIJ: Dat is een van de vele aspecten waarmee we de laatste maanden behoorlijk druk zijn geweest, te beginnen met de website, maar ook passende teksten bij alle geplande recitals, waarbij we steeds weer zijn teruggegaan naar de bron: dat gedicht van Heine. Met in het achterhoofd dat hoe divers de verschillende programmaonderdelen ook zijn, ze wel een duidelijk aanwijsbaar verband met elkaar moeten hebben. En dat de gekozen thematische aanpak eveneens doorwerkt in de educatie, de betrokkenheid van de scholen uit de omgeving om zodoende de zangkunst ook zo dicht mogelijk bij de jongste generatie te brengen. Echt, schoolkinderen zíngen op het festival!  

Welke componist kwam, uiteraard na Mendelssohn, als eerste in gedachte bij ‘Flügeln des Gesanges'?  

HEIJ: Denkend aan vleugels, vogels: Olivier Messiaen (1908-1992)! Eveneens een jubileum! We bevinden ons ineens in Frankrijk en een eeuw verder, terwijl het toch zo voor de hand ligt! Zoals Heine's gedicht ook andere belangrijke raakvlakken biedt, zoals exotisme en oriëntalisme, die de Europese grenzen doen vervagen. Het ontwikkelt zich op die manier eigenlijk vanzelf en is de overgang naar het Midden-Oosten niet eens zo vreemd meer. Maar ook Ravels ‘Shéhérazade' komt dan direct in beeld. Veel componisten in het fin-de-siècle van rond 1900 hielden zich met exotische klanken bezig. Zo ontstond bij ons spontaan een rijkdom aan ideeën die natuurlijk wel gestructureerd dienen te worden.  

Een dergelijk programma vraagt om daarbij passende vocalisten en hun begeleiders.   

HEIJ: We hadden ook op dit vlak genoeg ideeën, terwijl al een aantal namen waren genoemd van mogelijke ‘kandidaten'. Bovendien kennen we vanuit onze professie ook veel zangers en pianisten, allemaal collega's die het lied een warm hart toedragen. Of een bepaalde vocalist die zo'n bijzonder stuk als ‘Shéhérazade' op het repertoire heeft of zelfs kortgeleden zelfs nog opgenomen. Dan weet je al snel dat zo iemand zonder meer geschikt is om voor het festival op basis daarvan een aantrekkelijk programma samen te stellen. Er is altijd die onwrikbare samenhang tussen repertoire en artiest en vandaar dus die doelgerichte zoektocht.  

Een thema van meerdere kanten belichten kan uiteraard ook met in het middelpunt slechts twee of drie componisten. En dat zouden dan evengoed Mendelssohn en Brahms kunnen zijn.  

HN: Dat is zo, maar een bepaald thema van vele kanten belichten brengt nieuwe of geheel andere gezichtspunten in beeld. Niet alleen wij hebben ons erover gebogen, maar ook Rob, die zéér thuis is in het Duitstalige romantische repertoire en natuurlijk onze beschermvrouwe, Elly Ameling, die ons omtrent bijvoorbeeld het Franse repertoire heeft geadviseerd.  

Er zijn ongetwijfeld veel liefhebbers die niet alleen de muziek, maar ook de tekst in het hart hebben gesloten. Voor hen betekent de perceptie van het lied dan tevens een synergetische perceptie: tekst en muziek die samenkomen en elkaar versterken.

HN: Uiteraard zal niet iedere liedliefhebber de tekst als een essentieel onderdeel beschouwen, of anders gezegd: ondergaan. Een lied gewoon mooi vinden, los van de tekst, kan uiteraard ook. Gewoon, omdat men van zingen houdt. Het is dus geen wet van Meden en Perzen dat een tekst naar de letter wordt ‘begrepen'. Een goede zanger met de juiste voordracht van een jou onbekende tekst kan je desondanks toch duidelijk maken waar die tekst over gaat.  

In het liedrepertoire is tekstbegrip voor zowel zanger als begeleider essentieel, maar ook voor het publiek is het van belang.  

HN: Daarom is een aantal zeer interessante lezingen onderdeel van het programma, deels in de vorm van een gesprek op het podium, onder anderen met Robert Holl, bijvoorbeeld over het onderwerp ‘hoe krijgt een lied vleugels?' Het gaat daarbij ook over het componeerproces (Rob componeert ook): wat ervoor nodig is om een lied te schrijven en dat vervolgens op het podium tot leven te wekken. Aan het eind van zo'n sessie kan ook het publiek er dan bij worden betrokken.  

Het liedrepertoire is als het ware een stemmingengalerij. Hebben jullie bij de samenstelling van de programmaonderdelen daarmee ook rekening gehouden? Dat binnen het desbetreffende recital naar een goed gedoseerde spanningsopbouw wordt gestreefd?  

HN: We hebben sommige liedduo's gevraagd om een bepaald, door ons bedacht programma uit te voeren, gebaseerd op een bepaald thema, terwijl anderen zelf met ideeën mochten komen. Dat is naar ons gevoel heel goed uitgepakt. Zo brengt de Franse bariton Stéphane Degout samen met zijn landgenoot, de pianist Alain Planès een recital rond het thema ‘droom en werkelijkheid', als tegenstelling of contrast op zich al een boeiend spanningsveld. Vandaar ook ‘Dichterliebe' van Robert Schumann (1810-1856) en een aantal Frans georiënteerde liederen van Joseph Guy Ropartz (1864-1955), eveneens op teksten van Heine, maar vertaald in het Frans.

Stéphane Degout (l.) en Alain Planès

Het lied is al een apart genre en het zal alleen al daarom geen sinecure zijn om jong festivalpubliek aan te trekken.

HN: Laten we inderdaad niet uit het oog verliezen dat intelligente en cultureel ingestelde jonge mensen misschien niks met het lied hebben en dat het aan ons, vertolkers, is om het nodige te doen om de context ervan meer onder de aandacht te brengen. Al geloof ik wel dat vooral door de coronapandemie er meer behoefte is ontstaan aan een intiemere kunstvorm, wat het lied toch bij uitstek is. Een genre ook die zeker binnen de grenzen van een festival zoals het ILFZ een bijzondere band schept met het publiek. En waarom zou je na afloop van een recital niet in een ongedwongen sfeer, met een glaasje wijn, met je publiek nog eens even napraten?  

HEIJ: Het is én én. We staan gemeenschappelijk voor de opgave om een goede zaalbezetting te realiseren en dat proberen we door zo aantrekkelijk en interessant mogelijke liedprogramma's te bieden. En hoe meer jonge mensen naar ons toekomen, des te beter. Het uitgangspunt is levensvatbaarheid en daarmee de continuïteit van het festival. Daarvoor moet veel uit de kast worden gehaald.  

HN: We hebben de nodige vrijheid gekregen om naar onze ideeën te programmeren. Ik vermoed dat de sponsoren de wenkbrauwen zullen optrekken als we ons jaar na jaar zouden toeleggen op Schuberts ‘Winterreise', ‘Die schöne Müllerin' of ‘Schwanengesang'!

Masterclass met Robert Holl (foto Anna Groot)

HN: In de komende editie hebben we eveneens plaats ingeruimd voor de teksten van de veertiende-eeuwse Perzische dichter Hafez ( (ca. 1320-1389) is, als verbinding tussen Oost en West. Denk daarbij bijvoorbeeld ook aan de ‘West-östlicher Divan' van Goethe, geïnspireerd op Oosterse literatuur. Ik Ik vind dat zelf uitermate inspirerend, in een maatschappij, waarin we door algoritmes bijna alleen nog in aanraking komen met wat we al kennen. 

HEIJ: Er is eerst een lezing door de literatuurwetenschapper Michiel Hagdorn en aansluitend een recital dat door ons wordt gegeven, samen met het Iraans/Syrische Duo Saba, waardoor het publiek, hopelijk geïnspireerd en verdiept door die lezing, anders naar deze muziek zal luisteren.  

HN: Er is overigens zelfs sprake van een verbinding tussen Brahms' ‘(Neue) Liebeslieder' en…Hafez, met als primus inter pares Georg Friedrich Daumer (1800–72), die een groot aantal Perzische teksten in het Duits heeft vertaald, waarna ze ook onder de aandacht van Brahms kwamen. Het zijn dergelijke verbindingen die als het ware nieuwe vergezichten openen. Het is bepaald niet zo dat alles wat van ver komt eng of raar is. Het romantische lied had in de negentiende eeuw ook iets van een heel aparte manier van reizen naar verre oorden, terwijl we nu gemakkelijk in het vliegtuig kunnen stappen. Een reden te meer voor ons dus om ons publiek een dergelijke reis voor te schotelen!

HN: Verder kijken dan alleen Europa: het is voor ons een regelrechte uitdaging. Het breder trekken van het repertoire, ook kijken naar bijvoorbeeld het Amerikaanse continent, al is (en blijft ) Schubert onze bakermat, onze levensbron.  

Een kamermuziekfestival kan ook een zekere mate van saamhorigheid creëren, zowel onder de musici als het publiek.  

HN: Dat is zeker zo en dat is ook onze ervaring. Het is een bijzondere energie die daaruit voortkomt, terwijl je dingen hoort die je anders zelden of nooit te horen krijgt. In een intieme omgeving met elkaar samenwerken is altijd al een bijzondere ervaring. In Zeist is dat best moeilijk: je nodigt een duo uit dat na het recital weer de koffers pakt. Dat is anders bij de ‘masters' die we uitnodigen en dan ongeveer een week bij ons is, zoals in deze editie de Britse pianist Iain Burnside (hij vervangt zijn landgenoot Roger Vignoles, die om gezondheidsredenen moest afzeggen) en nog een andere landgenoot:  de bariton Roderick Williams. Beiden geven bovendien twee concerten. Ook Hans Eijsackers treedt op in een dubbelrol, als ‘master' en als pianist. En dan zijn natuurlijk Robert Holl en  Elly Ameling, die al menige masterclass hebben gegeven.  

HEIJ: Ik wil ook Thomas Beijer hier met name noemen, want hij is de verteller bij Brahms' 'Die schöne Magalone'. Hij houdt van taal, is er veel mee bezig en heeft ons inmiddels twee versies gestuurd. Wij hebben hem twee bestaande vertalingen gestuurd, maar hij besloot zelf een nieuwe versie te schrijven. Daarnaast speelt hij ook gewoon piano, in een ander concert.   

Thomas Beijer

HN: Eigenlijk ben je met vrienden in een soort ‘Im Freundenkreis'. Zo verzorgt Rob met zijn Oostenrijkse vrienden een ensembleconcert, tevens zijn laatste concert als artistiek leider, met als een van de laatste stukken Schuberts ‘Einsamkeit'. We eindigen met Brahms' ‘Zum Schluss'. Een groter contrast is niet denkbaar! De avond ervoor is er eveneens een optreden van een ‘Freunden Ensemble', met maar liefst vijf zangers, twee pianisten en het Ruysdael Kwartet met werken van Mendelssohn, Schubert en Brahms. We hebben het een ‘recital met een twist' genoemd.

HN: Er staan ook bekende liederen van Mendelssohn en Schubert op het programma die echter ditmaal anders klinken omdat ze in een nieuwe jas zijn gestoken. Geen liederen met pianobegeleiding, maar in een versie voor zangstem en strijkkwartet (met medewerking van het Ruysdael Kwartet), in bewerkingen van Aribert Reimann en Robert Holl. Het lijkt ons een betoverende combinatie van het bekende en het nieuwe! 

Aribert Reimann

HEIJ: Voor mij draait het in de liedkunst om de innerlijke overtuiging en dat begint bij mij met de tekst. Niet iedere student die de weg van de begeleiding heeft gekozen en op mijn pad komt heeft dat van nature in zich, maar gaandeweg groeit het besef van tekst én muziek, ‘wat er allemaal in zit'. Waar het gedicht over gaat, wat er in de tekst gebeurt, de achterliggende karakters, de sfeer ervan: als je je daarvan goed bewust bent gebeurt er al het nodige in de inleiding van een lied: het wordt ineens anders gespeeld, merk ik dan. Tekstbegrip vormt wat mij betreft een essentieel onderdeel van het expressieve vocabulaire van de pianist. Waarbij komt dat noten dan wel noten zijn, ze staan onwrikbaar genoteerd, maar ze zijn wel voor meerdere uitleg vatbaar. Het is je eigen zoektocht naar wat de componist waarschijnlijk zelf heeft gezocht vanuit de tekst die hem inspireerde. Uiteindelijk is dus die tekst als uitgangspunt het belangrijkste, want daaruit moet het ‘allemaal gebeuren'. Wie dat (letterlijk!) in de vingers heeft kan het ook overbrengen op het publiek. Van uitbeelden naar verbeelding, daar gaat het om en dat wil ik ook in de masterclasses in Zeist zoveel mogelijk benadrukken. Hiermee ga ik met de ‘kandidaten' het liefst aan de slag en dat levert ook de meeste vruchten op: auf ‘Flügeln des Gesanges' betekent voor mij ook dat de zanger als het ware wordt opgetild door de vleugels van de pianist. 

Masterclass met Robert Holl (foto Anna Groot)

Uitbeelding kan zich ook onderhuids voltrekken.

HEIJ: Zeker. Ik neem Schubert maar weer eens als voorbeeld. In ‘Gretchen am Spinnrade' beeldt hij duidelijk de onregelmatige gang van het spinnenwiel uit. In ‘Erlkönig', 'Die Post' of 'Abschied' zijn we getuige van paardendraf en in ‘Das Wandern' van een duidelijk gemarkeerd wandeltempo (en een watermolen, AvdW). Dat is aan de oppervlakte, maar daarónder is sprake van een andere laag: die van de onrust van een innerlijke wereld die feitelijk voortkomt uit de tekst maar er niet duimendik bovenop ligt. Dat betekent dus ook dat het negentiende-eeuwse lied ook vandaag aan zijn betekenis niet heeft ingeboet en dat het als zodanig ook door het publiek kan worden herkend. Het is aan de vertolkers om het daarin mee te nemen en het is die uitdaging die iedere uitvoering steeds weer nieuw maakt.  

De coronapandemie heeft op talloze terreinen danig ingevreten. Ook in het muziekdomein. Wat hebben jullie vooral gemist?

HEIJ: Ik kan hier zeker ook namens Henk spreken dat, toen het weer kon en we ons daarop voorbereidden, al de spanning ontstond van straks weer op het podium te mogen staan. Dat alleen al gaf ons zoveel energie, verbazingwekkend gewoon. De wetenschap dat we konden musiceren in een ruimte mét publiek, het fluïdum dat we zo goed kennen weer te mogen beleven: de synergetische driehoek van zanger, pianist én publiek. Henk en ik kennen elkaar al zó lang, we werken al jaren samen en we weten precies ‘dát het gebeurt' en dat ons publiek zich erbij betrokken voelt.  

Jullie vertrouwen elkaar blindelings?

HEIJ: Dat is een groot goed. Onze repetities verlopen soepel, we kennen elkaars voorkeuren, en ik als pianist kan letterlijk inspelen op onze gezamenlijke ervaring en gemeenschappelijke opvattingen. Dat geldt ook voor de samenstelling van de programma's. Het is zelfs zo sterk dat we op een gegeven moment, los van elkaar, aan dezelfde namen denken die uitgenodigd zouden kunnen worden! Nieuw is voor ons nu wel het programmeren en de talloze aspecten die daarbij om de hoek komen kijken. Maar ook in dit geval voelen we elkaar uitstekend aan: we kunnen los van elkaar zelfs tot dezelfde conclusie komen. Het is natuurlijk prachtig als programma's uit vriendschap worden geboren.  

HN: Dat je uit vriendschap en verbondenheid samen iets moois kunt maken dat het publiek op het puntje van de stoel brengt. En dit dan als tegenwicht in een wereld waarin dat vaak niet zo is.  

Zou ik mogen zeggen dat jullie in Zeist in een gespreid bedje zijn gekomen?  

HEIJ: De omstandigheden in Zeist zijn voor ons ideaal. Organisatorisch is het tot in de puntjes verzorgd, er zijn vrijwilligers voor in touw en de ruimte van de Broedergemeente lijkt gewoon toegesneden op het geven van liedrecitals. En Robert Holl is toch wel een rots in de branding, de man én vriend ook die we graag onze ideeën voorleggen, er met hem over discussiëren.   

Henk Neven en Hans Eijsackers (foto Mel Boas)

Heeft het programmeren voor het festival ook een gunstig effect op de samenstelling van jullie recitals elders?

HN: Laat ik het zo zeggen: het versterkt elkaar. Programmeren voor het liedfestival betekent het opdoen van nieuwe inzichten en dat werkt ook positief door in wat we verder op dit gebied ondernemen. Ook hier zou je best van synergie mogen spreken, van een kruisbestuiving ook.  

HEIJ: Het is ook leuk om collega's op nieuwe ideeën te brengen of als aanleiding om een nieuw stuk op het programma te zetten, zoals met de jonge, veelbelovende Duitse mezzo Marie Seidler, onder de vleugels van o.a. Wolfram Rieger en Thomas Hampson, die in ons land voor zover ik weet  vrijwel nog niet heeft gezongen en die zich op 15 mei samen met de pianist Toni Ming Geiger buigt over het spanningsveld tussen Eros en Thanatos, twee belangrijke thema's: die over levens- en doodsdrift. We vinden dit zo bijzondere thema weer terug in dat gedicht van Heine (de laatste strofe, AvdW). Wat een prachtig en rijk geschakeerd programma dat oplevert, met werken van Moesorgski (‘Liederen en dansen van de dood'), Mahler (‘Ruckert-Lieder'), Schubert, Debussy en Liszt. Seidler heeft ook literatuurgeschiedenis gestudeerd en dat heeft bij de samenstelling van het programma zeker geholpen. Wat ons betreft een schot in de roos!  

Marie Seidler en Toni Ming Geiger

HEIJ: Het heeft ook het nodige met de context te maken: Henk geeft les in Rotterdam (Codarts) en ik in Düsseldorf (Robert Schumann Hochschule). Zo maken wij kennis met de potentie van jonge duo's die we graag onder onze hoede nemen en verder begeleiden. Een mooi voorbeeld is ook de Musik- und Singschule in het Internationale Liedzentrum Heidelberg dat gezamenlijk projecten bedenkt die ook echt praktisch uitvoerbaar zijn. Wij zouden zouden graag de mogelijkheden hebben om dit soort projecten te faciliteren. De een maakt een documentaire over de gedwongen vlucht naar West-Europa en hoe zich er te settelen, de ander hoe hij het publiek wil bereiken door gewoon op straat aan te kondigen dat hij in die of die kerk een lied wil zingen en of men met hem mee wil komen. Het gaat steeds weer over verbinden en hoezeer dat leeft bij de jonge generatie. Een generatie overigens die zo is opgegroeid met Facebook, Twitter, Instagram, TikTok, YouTube, enz. dat ze die sociale media ook inzetten om wat ik, wat de klassieke muziek betreft, de vooralsnog ‘verloren generatie' noem, op die manier toch te bereiken en die te enthousiasmeren. Het is allang voorbij: de zanger met de hand op de vleugel en de gedienstig begeleidende pianist.  

Masterclass met Hans Eijsackers (foto Mel Boas)

HN: Ik zie op verschillende podia dat muziek met beeld worden gecombineerd, in feite een nieuwe poging om het publiek door projectie dichter bij de muziek zelf te betrekken, maar ik vind dat daardoor fantasie of verbeelding van datzelfde publiek danig wordt onderschat. Eigenlijk is het heel simpel: leg uit waar een lied of een cyclus over gaat en laat het gewoon verder aan de toehoorder over. Dat spreekt overigens ook uit onze thematische aanpak: liederen groeperen rond een bepaald thema. Eenmaal toegelicht kan het discours zo worden uitgerold. Het ‘o ja, dát is het dus' zie ik dan niet anders dan als een beloning. De kapstokjes die hun werk doen. Waarbij we er wel rekening mee moeten houden dat het tegenwoordigde publiek niet als vanzelfsprekend op de hoogte is van tekst of muziek. Elke generatie zal dus opnieuw moeten nadenken over hoe het genre levend en actueel kan worden gehouden.  

HN: Er is misschien iets teveel de neiging om een liedtekst in de meest letterlijke zin te interpreteren. Dat zie je bij het publiek, maar ook bij zangers; terwijl de subtekst, zeg maar wat er ónder ligt, niet of veel te weinig aandacht krijgt. Dat een Heine-lied met daarin zoiets basaals als bloemetjes (‘und wüssten's die Blumen') in wezen over iets gaat wat we allemaal zo graag willen: getroost te worden. Als Jezus in de ‘Matthäus-Passion' zegt: ‘Meine Seele ist betrübt bis an den Tod, bleibet hier und wachet mir mir', bedoelt hij niet ‘blijf hier en blijf wakker', maar ‘sta mij bij in mijn doodsangst'. Waar het menselijkerwijs wérkelijk over gaat, dát zou de vertolking moeten bepalen. En dat vind je, zoals ik het noem, in die subtekst.  

HN: Dat is ook wat op het festival in verschillende masterclasses aan de orde komt: dramaturgie, het specialisme van de actrice Waltraud Österreicher, die jonge duo's op weg helpt naar wat interpreteren feitelijk inhoudt en waarbij zij zanger en pianist als gelijkwaardig voorstelt, als een onlosmakelijke eenheid. En het publiek kan er uiteraard bij zijn.  

HN: Bezien vanuit de dramaturgie: hoe zorg je er als zanger én pianist voor dat wat je in je hoofd hebt ook bij het publiek terechtkomt, het erbij betrekt. Dat is in alle muziek de essentie van waar je mee bezig bent, maar het geldt zeker ook, dubbel en dwars zelfs, voor het kunstlied. Als duo ben je decorontwerper, light designer. choreograaf.  

Zijn er nog plannen met betrekking tot de zogenaamde ‘Entartete Musik'?

HEIJ: We zijn niet van plan er een heel festival aan te gaan wijden, maar het is wel een genre dat deel uitmaakt van onze themaprogramma's. In het komende festival staat muziek van Viktor Ullmann (1898-1944) op het programma, maar ik zou me ook liederen van bijvoorbeeld Dick Kattenburg (1919-1944) kunnen voorstellen. In ieder geval maakt een aantal vervolgde componisten met hun muziek deel uit van de reguliere recitals.  

HEIJ: We zien het belang ervan. Gelukkig is veel van in eerste instantie als verloren beschouwde muziek toch boven water gekomen. En musici en musicologen hebben het godzijdank omarmd, zoals de stukken van bijvoorbeeld Gideon Klein (1919-1945) en Pavel Haas (1899-1944). Terwijl juist daardoor het belang ervan geleidelijk aan is doorgesijpeld.  

HEIJ: Vergeten of veronachtzaamde componisten wier muziek het absoluut waard is om onderdeel te vormen van het programma. Ik denk daarbij niet alleen aan vervolgde, maar ook aan vrouwelijke componisten, met in hun voorste gelederen uiteraard Clara Wieck (1819-1896), Fanny Mendelssohn (1805-1847) en Alma Schindler (1879-1964); of wat het Franse repertoire betreft de beide zussen Nadia (1887-1979) en Lili (1893-1918) Boulanger. We letten er in ieder geval op dat ‘het er allemaal inzit', nu of in de toekomst.  

Drie festivaldeelnemers:
Nikki Treurniet, Thomas Beijer en Barbara Kozelj

Terug naar het festival. De publiciteit, hoe gaan jullie daar mee om?

HN: Het festival heeft een heel goed draaiende ‘PR-machine' met creatieve ideeën. We hebben de eerste samenwerking met 24classics. we richten ons op het internet, uiteraard ook de website, op televisie en radio. We zijn wat dit laatste betreft maar wat blij met de belangstelling van de zijde van Radio 4 die straks meerdere programma's uitzendt. Er is bovendien ruimte voor vraaggesprekken, onder meer door Hans Haffmans; en dit jaar zeker omdat Rob 75 is geworden en dat op zich al een extra cachet aan het geheel geeft. Hans heeft, naast een gefilmde documentaire over ‘Winterreise', over Rob een uitgebreide podcast gemaakt onder de titel ‘De nachttrein naar München'.

HEIJ: We zien de relevantie van ‘ons' festival, maar ook dat we de media daarbij nodig hebben. Er staat wat dit betreft al iets heel moois, maar hoe meer mensen ervan weten, des te beter. Met een zaalcapaciteit van ca. 500 plaatsen is er wat de publieke belangstelling betreft ruimte genoeg.   

HN: Waarbij ik dan gelijk maar een lans breek voor het enorme belang van goed muziekonderwijs die al zo vroeg mogelijk begint. Daar ligt immers de basis voor de muziekbeleving. De jonge dertigers van nu hebben het te druk met van alles en nog wat, en komt de behoefte aan verdieping misschien pas als ze veertig of vijftig zijn. Ik zou wel meer twintigers willen zien! Het achteraf inhalen van het gemiste zie ik eerlijk gezegd niet zo. Vandaar ook dat we op het festival ook ruimte hebben gemaakt voor het educatieve aspect en dat jonge kinderen daarin gewoon mee kunnen doen, zíngen!  

Young Artist Platform, een nieuw festivalinitiatief. Wat houdt dit precies in?

HN: Het idee erachter is dat van audities ten behoeve van jonge, maar wel professionele liedduo's. We geven ze in een recital van zo'n driekwartier de gelegenheid zich met een eigen programma aan een net zo professionele jury te presenteren. Daarbij moeten ze ook een geheel nieuwe compositie instuderen en uitvoeren. Dit jaar is dat het lied ‘Auf Flügels des Gesanges' van Meriç Artaç, eveneens op die tekst van Heine. Alle liedduo's die in de afgelopen vier jaar mee hebben gedaan de masterclas(ses) kunnen zich aanmelden. Daaruit worden dan uiteindelijk zes duo's voor de auditie gekozen. Twee van hen kunnen na de eindronde aanspraak maken op een recital in het kader van het ‘Oxford Lieder Festival' en In Zeist ‘ons' festival. We zien het als een opstapje naar het grote podium. Het is als het ware de connectie tussen leren en het echt-gaan-doen.  

Elly Ameling tijdens een masterclass (foto Mel Boas)

Als ik in dit verband denk aan masterclasses moet ik gelijk aan Elly Ameling denken.  

HEIJ: Deze ‘grande dame van het lied' speelt al vanaf het begin van het festival een belangrijke rol, als docente maar ook als raadgeefster. We hebben heel veel aan haar te danken. Met 89 jaar is zij nog vol energie en met een passie en gedrevenheid die diep respect afdwingt. Veel liedzangers komen speciaal naar onze masterclasses omdat zij juist van háár les willen hebben. Dat maak je niet vaak mee.

HEIJ: Ook met haar werken aan stem en voordracht blijkt steeds weer buitengewoon inspirerend en leerzaam te zijn. Ook Elly is iemand die echt leeft vóór de muziek.

HN: Ter voorbereiding van de Nederlandse Muziekprijs werd ik in de gelegenheid gesteld om bij Rob thuis in het Oostenrijkse Krems maar ook in Wenen te studeren. Dat heeft mij zóveel verdieping gebracht, ook in de omgang met de taal die zo wezenlijk is. Dat gun ik iedere jonge zanger. Een bepaalde tekst verbinden met een eigen wereldvisie: het is niet iedereen gegeven, maar het kan van fundamentele betekenis zijn.  

HEIJ: Er zijn in veel teksten aspecten die betrekking hebben op het eigen leven of maatschappijbeeld en waarmee een vertolker echt iets kan. Omdat het een dimensie toevoegt aan niet alleen die tekst maar ook de muziek die er onlosmakelijk deel van uitmaakt.  

HN: Rob kan zich zo sterk met een tekst identificeren dat hij het op het podium geheel en al voor zichzelf doet, maar het publiek juist daardoor met zich meeneemt. Dat komt bijzonder sterk over. Wat ik van hem ook heb geleerd is de balans tussen kennis en voorbereiding enerzijds en de expressie, zeg maar het emotionele of evocatieve op het podium. Hij kent dat proces als geen ander, mede doordat hij zo ontstellend veel weet, ook puttend uit zijn formidabele geheugen. Bij sommigen staat kennis juist in de weg, bij hem nooit. Zijn podiumkunst is een intense, emotionele gebeurtenis. Dat is ook zeker iets wat studenten van hem kunnen leren. De voorbereiding heeft zeker een intellectuele kant, maar als het moment daar is gaat het ergens anders over.  

Dat moment… Geen uitvoering die hetzelfde is…  

HEIJ: Iedere uitvoering is weer anders. In het lied, met zijn zo bijzondere accenten kan een andere nuance al het verschil maken, zoals ook de tempoverhoudingen dat doen. Er zijn zoveel varianten: hoekiger of juist minder, sneller of juist langzamer, zwaarder of juist lichter, enz. Het kan allemaal. Zelfs eenzaamheid, het desolate, heeft verschillende, niet tijdgebonden gezichten.

HN: Het kan niet vaak genoeg worden gezegd: het kunstlied, ook als het uit een ver verleden stamt, is en blijft actueel!

'Liederabend' door Henk Neven en Hans Eijsackers tijdens het ILFZ in de zaal van de Evangelische Broedergemeente in Zeist


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links