Interview

Maarten 't Hart: 'Met Bach ben ik altijd bezig'

 

© Aart van der Wal, mei 2017

 

Maarten 't Hart (73) houdt zielsveel van de muziek van Johann Sebastian Bach. Hij speelt ook graag Bach. Niet alleen op de vleugel, thuis in Warmond, maar ook op het orgel van de vlakbijgelegen kerk. Hoewel inmiddels wel een tandje minder, na een ongelukkige val met de e-bike en de nog steeds oprukkende osteoporose die ook nog een stukje van zijn lichaamslengte heeft afgeknabbeld. Dat heeft ook gevolgen gehad voor het werken in zijn enorme moestuin. Het onkruid tiert welig, maar de schoonheid van het landschap vergoedt veel.

 
 
Het nieuwste boek

Een vroege vogel, een echt ochtendmens die meestal om vijf uur opstaat, maar hij gaat ook vroeg op stok: steevast na het Journaal van 20.00 uur. Na de ochtendboterham wacht dan de schrijftafel, terwijl echtgenote Hanneke nog een poosje doorslaapt. Zomer of winter, het patroon is ongeveer hetzelfde, met de verwarming zeker niet in een hoge stand. Hij kan nog steeds goed tegen kou en zijn Hanneke gelukkig ook. Dat scheelt. Het heeft veel weg van een nogal Spartaanse leefstijl in dat fraai gelegen landhuis met zijn vele kamers, de inrichting ervan sober en efficiënt. Geen fratsen wat deze volksschrijver betreft (die titel verdient hij wel, met ruim 40 boeken op zijn naam). Hij is en blijft verknocht aan zijn uitgever, De Arbeiderspers, maar zucht zoals zoveel collega's onder steeds wisselende correctors. Dat bleek ook weer uit zijn jongste boek over Bach. Een aantal storende fouten daarin had gemakkelijk voorkomen kunnen worden, maar ook de auteur zelf had incidenteel best wel iets kritischer mogen zijn, al doet dat weinig af aan waarde en betekenis van het boek. Het is allemaal keurig maar wel nogal zwartgallig opgetekend in een recensie in het Reformatisch Dagblad.

Tijd nu om uitsluitend Maarten 't Hart aan het woord te laten.

Genesis
Ik neem een gewoon vlinderblok en schrijf de tekst eerst met de hand uit, met een vulpen waarvan het vulmechanisme al jaren kapot is, maar die heerlijk schrijft. Indopen dus in de inktpot, deze best schrijvende vulpen die ik heb. Tja, er zijn zo van die dingen waar je aan verknocht raakt, geen afscheid van kunt nemen.
Ik schrijf niet aan een stuk door. Een paar zinnen en dan ga ik weer wat anders doen. Ondertussen wel nadenken over het vervolg natuurlijk. Dat werkt voor mij het beste. Nog niet zo lang geleden was mijn moestuin een uitstekende afleiding, maar helaas is mijn bottenstelsel er met de jaren niet beter op geworden en moet ik mijn heil daarom deels elders zoeken. Gelukkig biedt het schrijven van een boek ook de broodnodige afwisseling, al is het alleen maar omdat ik dan het een en ander moet opzoeken of napluizen, terwijl ik bovendien graag in oude boeken en teksten spit. Dat is ook veel minder vermoeiend dan spitten in de tuin – haha!
Uiteindelijk ontstaat een volledig met de hand geschreven manuscript, dat ik dan vervolgens uittyp. Vroeger deed ik dat op een IBM, maar tegenwoordig natuurlijk op de computer, in Word. Tijdens het typen verander ik nog, vul aan, schrap. Als het klaar is ga ik er nogmaals helemaal doorheen, lees ik alles zeer kritisch na en wijzig ik nog het een ander. Pas daarna gaat is het typoscript klaar om naar de uitgeverij te worden gestuurd..

 
 
Maarten 't Hart

Het gehele proces vraagt tamelijk veel tijd. Aan de eerste versie van mijn Bachboek – dat stamt uit 2000 - heb ik ruim een jaar gewerkt. Dat was niet alleen schrijven, maar ook nog een hele uitzoekerij, want niemand heeft zoveel feiten en feitjes paraat. Ik gebruikte toen niet het internet mede als bron, maar de tientallen boeken in mijn kast (hij wijst op drie rijk gevulde boekenplanken met uitsluitend boeken over Bach). Dat is nu anders geworden: de informatie op het internet is intussen veel beter geworden en voor mij een welkome aanvulling op het traditionele bronnenonderzoek, al is voorzichtigheid wel geboden: niet alles op het internet is betrouwbaar. Nog steeds moet met een kritisch oog het kaf van het koren worden gescheiden. Maar het is ook interessant om Bachs handschriften te raadplegen, eerste drukken of bepaalde documenten te bestuderen. Het Bach-Archiv in Leipzig biedt daarvan een bijzonder uitgebreid arsenaal. Een aanrader! Maar ook ander notenmateriaal is ruimschoots voorhanden, zoals van iedere cantate. ‘Bach Digitaal' zogezegd.

Nieuwe God?
Ik lees het weleens: dat ik een nieuwe God zou hebben gevonden in de persoon van Johann Sebastian Bach. Het is wat al te kort door de bocht, want van een nieuwe God is wat mij betreft geen enkele sprake. Bovendien zou het impliceren dat er dan een oude God zou zijn. Maar dan nog: de ene God inruilen voor de andere, een nogal merkwaardige gedachte. Maar dat je het geloof in God verliest is zo merkwaardig niet. Dat komt iedere dag voor. Bij mij heeft dit proces zich geleidelijk ontwikkeld, tot het in 1964 geheel en al was verdwenen. Als ik eens mijn hoofd voorgoed neerleg, is het voor mij gewoon over, in de meest letterlijke zin: er is geen hemel, geen paradijs, niets. Niet dat ik dat niet jammer vind: ik zou graag in de hemel nog de cantates willen horen die zijn weggeraakt en waar we op het aardse niets over weten. Maar mijn moeder zei het al: in de hemel spelen ze geen Bach, dat is onvolmaakte wereldse muziek. Hoewel... vaak heb ik daarbij het gevoel dat ik naar de hemel zit te luisteren…

Bach is voor mij niet de een of andere god, maar wel een ontstellend goede componist. Met Bach ben ik altijd bezig, met andere componisten minder. Omdat ze in mijn beleving minder zijn. Met Bach ben ik iedere dag in de weer, ik speel Bach, ik luister Bach, ik lees over Bach. En ik schrijf over Bach!

Natuurlijk is alles wat wij in muziek ervaren subjectief. Dat geldt ook voor zoiets als schoonheid. Daar is geen enkele objectieve maatstaf voor. Niemand kan afdoende uitleggen waarom hij iets mooi vindt, maar wel anderen daarmee op het spoor zetten. Zoals ik dat in mijn boek heb gedaan. De superlatieven die ik daarin heb gebruikt zijn dus de mijne en van niemand anders. Subjectief dus: voor muzikale schoonheid kan geen enkel bewijs worden aangevoerd.

 
 
Maarten 't Hart thuis aan de vleugel

Dat er in Bachs muziek bepaalde elementen te vinden zijn die mij enorm aanspreken is uiteraard evident. Dat begint voor mij bij het melodische karakter ervan. Bach schreef schitterende melodieën, mooier dan van wie ook. Ze kunnen gemakkelijk worden nagefloten, ze gaan niet kapot, ze kúnnen niet kapot, zelfs niet in de meest onzinnige bewerkingen. Maar ook zijn harmonisaties zijn subliem. Daarom ook vind ik de Goldberg-variaties - met al die variaties in G-groot - in melodisch opzicht niet zo geweldig. Er naar mijn gevoel (daar heb je het weer!) niet veel boeiends in te ontdekken, al is het ritmisch wel degelijk een heel sterk stuk.

Een ander belangrijk aspect is het intellectueel hoogstaande karakter van zijn muziek. Bach verveelt nooit. Dat heeft er ook mee te maken dat hij doelbewust het intellect aanspreekt en dat zijn stukken navenant in elkaar zitten. Ik ervaar daarbij steeds weer die zo overtuigende balans tussen het gevoelsmatige en het intellectuele, zoals in dat onvolprezen meesterwerk: ‘Die Kunst der Fuge', een zowel emotioneel als mathematisch opgebouwd werk. Dat herken ik in die mate niet bij andere componisten. Misschien enigszins bij Franz Schmidt.

Mozart is geweldig, daarover geen enkel misverstand. Maar hij had – anders dan Bach – ook mindere momenten. Waarvan ik dan denk: dit had beter gekund. Dat niet alle Bachcantates even sterk zijn vind is ook waar, maar dat heeft wel met het krankzinnig hoge tempo te maken waarin hij die moest leveren. Iedere zondag in Leipzig, ga er maar aanstaan! Logisch dat er dan soms sprake is van een nogal routineuze aanpak, dat hij in dit opzicht niet voortdurend op zijn best kón zijn. Of dat hij wel moest teruggrijpen op eerder werk, of bij andere gelegenheden zelfs de parodie niet schuwde. Hoe geniaal hij ook was, het was wel mensenwerk. Maar echt mindere momenten bij Bach? Nee, ik heb ze niet mogen ontdekken. Zelfs niet bij de ‘Hohe Messe', die in mijn ogen eerder een compilatie dan een compositie is. Het hergebruik van oude stukken, hij was er een ware meester in. Bach kon recyclen als de beste. En de fragmenten in de mis die nieuw lijken te zijn, zijn volgens mij eveneens afkomstig uit oud materiaal dat we echter niet kennen omdat het verloren is gegaan. Zoals we ook niet weten hoeveel cantates Bach in zijn zeer werkzaam leven heeft gecomponeerd. Er zijn schattingen van honderd verloren gegane cantates. Dat is bijna de helft van wat is overgeleverd!

Suzuki
Tja, wat zijn de beste uitvoeringen? Ook daarover kunnen de meningen behoorlijk verschillen en ook daarin huist een zekere mate van subjectiviteit. Ik heb wat de cantates betreft een sterke voorkeur voor Masaaki Suzuki met zijn Bach Collegium Japan. Hij heeft voor het Zweedse label BIS werkelijk prachtige opnamen gemaakt. Zijn vertolkingen hebben ‘iets' dat de andere niet hebben. Het is ongrijpbaar, niet goed definieerbaar, maar het is er wel. Ton Koopman is sowieso te snel, te hijgerig, te gejaagd, zoals Glenn Gould dat was in de klavierwerken. Iedereen vindt Gould geweldig, maar ik begrijp werkelijk niet waarom. Gardiner en Herreweghe vallen voor mij eveneens af. Bovendien zijn de uitvoeringen onder Gardiner sterk wisselend. De top is Suzuki. Voor mij is dit authentiek musiceren op een zeer hoog niveau. Bovendien is hij een meer dan uitstekend organist. Dat hij een Japanner is, is voor sommigen misschien geen aanbeveling, maar hij heeft wel bij Ton Koopman gestudeerd en zich geleidelijk aan de achttiende-eeuwse uitvoeringspraktijk volkomen eigen gemaakt. Nee, voor Suzuki als Bachvertolker ga ik bij wijze van spreken door het vuur.

Masaako Suzuki dirigeert het Bach Collegium Japan in Bachs 'Hohe Messe'

Klavecimbel
Ik vind dat Bach moet worden gespeeld op het instrument waarvoor het is bedoeld. Voor zover we dat uiteraard kunnen weten. De piano is een heel ander instrument dan het klavecimbel, een instrument bovendien dat niets maskeert. De stemvoering is in alle registers zo helder als glas, iedere noot is als het ware geëtst, terwijl er ook praktische kanten aan een dergelijke keus zijn. Neem de Goldberg-variaties, waarover we het al eerder hadden. Dit stuk is gecomponeerd voor twee klavieren en kan op een piano eigenlijk niet eens goed worden gespeeld. Hoewel op dit vlak tegenwoordig wel erg veel kan. Zelfs de ‘Kunst der Fuge‘ wordt op de piano gespeeld!
Maar hoe het ook zij: Bach had tijdens het componeren van zijn klavierwerken het klavecimbel in gedachten en dus: waarom zou je het dan anders doen? Professioneel althans, want er kan niets op tegen zijn om thuis de piano te gebruiken. Dat doe ik ook: ik ben nu eenmaal geen klavecinist. Je hoort wel eens: áls Bach nu had geleefd, dán zou hij… Je hebt niets aan dergelijke puur hypothetische stellingen.

Een boek over boeken
Het is waar: ik heb in mijn boek tal van biografen stevig de maat genomen. Ik heb ijverig gespeurd naar de onvolkomenheden en die ook gevonden. Gelukkig maar, want anders had ik dit nieuwe boek niet zo geschreven; of misschien wel helemaal niet. Maar ik wil wel een nuance aanbrengen: het is niet allemaal kommer en kwel wat dit onderwerp betreft. Ik heb ook – zij het misschien enigszins gedempt – de loftrompet gestoken over de Bachbiografie van Christoph Wolff, al heeft hij daarin Bach eerder als een heremiet gepresenteerd dan als een levende mens. Anderzijds: over Bach zelf weten we helaas ook maar weinig. Er is nauwelijks correspondentie bewaard gebleven, zijn tijdgenoten hebben niets genoteerd over zijn opvattingen, laat staan over zijn muzikale denkbeelden en uitvoeringen. Hoewel het voor het genieten of uitvoeren van zijn muziek geen direct gemis hoeft te zijn. Misschien is het zelfs wel een voordeel dat we weinig van Bach weten: het luisteren naar zijn muziek wordt er niet door beïnvloed, we zijn niet al gelijk vooringenomen. Maar toch, ik vind het best jammer. Van veel componisten weten we wel relatief veel en dat biedt een zekere kijk op niet alleen hun leven, maar ook de tijd waarin ze leefden en die beleefden. En ook op hun muziek, zoals bij Händel, Mozart en Beethoven.
Dat we over Bachs jeugd helemaal niets weten zal menigeen heel jammer vinden, maar zelf zie ik dat niet als een echt gemis omdat zijn componeren in die tijd slechts rudimentair is geweest. Hij moest niet alleen als organist of toetsenist nog worden gevormd, maar ook als componist zijn weg nog vinden. Pas later zou hij zich tot de ‘grote Bach' ontwikkelen, met Leipzig als zijn laatste en belangrijkste werkplaats.
Helaas heb ik het Bachfest dat daar jaarlijks wordt gehouden nooit bezocht, maar in de stad zelf ben ik wel geweest, tweemaal zelfs, en natuurlijk heb ik, zoals ook op andere plaatsen in Duitsland (Mühlhausen, Dornheim, Ohrdruf, Arnstadt Weimar), Bachs voetstappen zo ongeveer wel gevolgd. Köthen is er om de een of andere reden bij ingeschoten: ik ben er jammer genoeg nooit geweest.

 
 
Georg Philipp Telemann

Inspirerend
Het is bijna niet te bevatten wat Bach alleen al in termen van volume heeft geschreven. Dat geldt trouwens nog meer voor zijn tijdgenoot Georg Philipp Telemann. Onwaarschijnlijk gewoon! En dan ook nog het uitschrijven van al die verschillende partijen! Zelfs wie de manuscripten alleen maar zou overschrijven komt een leven tekort. En nu de naam Telemann toch valt: ik schat Bach als componist veel hoger in, maar ik kan met de beste wil van de wereld niet uitleggen waarom ik dat vind. Aan de techniek ligt het niet, want die is – net als bij bijvoorbeeld Buxtehude – zonder meer perfect. Bach spreekt mij meer aan, zo is het.

Geen dag zonder Bach. Net als Stravinsky begint mijn werkzame dag met een klavierwerk van Bach. Das Wohltemperierte Klavier is voor mij altijd een inspirerend begin. Bij mijn echtgenote (Hanneke) ligt dat iets anders. Ook zij houdt erg van Bach, maar niet in die mate als ik. Ze speelt nog steeds heel goed dwarsfluit en we spelen thuis regelmatig samen Bach.
Ik denk dat per saldo het erom gaat dat de vonk overslaat, dat bepaalde muziek iets met je doet. Ik schreef toentertijd voor OpusKlassiek recensies over muziek van Engelse componisten. Daar houd ik nog steeds van: ook zij doen bij mij de vonk overslaan. Wat ik bij Mahler en Sjostakovitsj veel minder heb. Dat kan misschien omstandig worden uitgelegd, maar het draait uiteindelijk toch om persoonlijke voorkeuren.

Somberheid
Misschien lijkt het wel zo, maar ik ben niet zo eenzijdig dat ik alleen Bach oelaat. Er zijn heus meer componisten waar ik van houd. Zo ben ik onlangs weer eens in het werk van de grote Tsjech Bohuslav Martinu gedoken. Hij heeft een prachtig oeuvre nagelaten, zij het dat het een mengsel is van grootheid en routine. Maar hij kon alles, was stilistisch van alle markten thuis. Ik werd zo getroffen door zijn Zesde symfonie, dat ik besloot om me er verder in te verdiepen. En daar heb ik geen spijt van gekregen. Uitstekend opnamen genoeg, van onder meer Claus Peter Flor en Jirí Belohlávek.

Voor Sjostakovitsj en Mahler zou ik echter geen lans willen breken; voor zover dat overigens nog nodig zou zijn. Er zit teveel depressiviteit, teveel ‘hoor mij eens met mijn gevoelens' in hun muziek. Bekentenismuziek ook, met focus op het eigen leed, maar ook op Weltschmerz, verschrikking, oorlog. Muziek die niet over muziek gaat en lijkt te worden gedragen door een inktzwarte somberheid. Bach schreef ook droevige muziek, treurmuziek zelfs, maar dat is heel iets anders en het is nooit depressief. Dat vind ik prachtig, daarmee kan ik uitstekend overweg, maar die andere muziek? Daar kan ik slecht tegen. Alleen al de somberte van Sjostakovitsj' Achtste en Mahlers Zesde! Ik zeg niet dat ik depressief ben, maar wel dat ik van dit soort muziek echt last zou kunnen krijgen. En dat wil ik niet: erin te worden meegetrokken.

Bachs lutherbijbel met Calov-commentaar in de facsimile-uitgave

Hiernamaals
De treurende Bach is altijd wel de Bach die het hiernamaals als realiteit ziet. Op zijn geloof valt niets af te dingen, het is er in zijn vocale muziek en in de orgelkoralen in zijn volle omvang. Heel interessant daarbij is de verschenen facsimile-uitgave van de zogenaamde Bachbijbel, die - het woord zegt het al - precies overeenkomt met het origineel. Met daarin talloze aantekeningen in de marge van Bach zelf, maar ook zijn vele onderstrepingen en door hem gecorrigeerde of aangevulde passages. Bach heeft die bijbel duidelijk intensief gebruikt en uitvoerig bestudeerd. Drie enorme boekdelen in een beperkte oplage (hij wijst: daar liggen ze) die ik momenteel bestudeer en mogelijk over een poosje een nieuw boek van mij zullen opleveren, dat dan uitsluitend daarover zal gaan. Mits die connotaties – en dan vooral voor de cantates - muzikale relevantie hebben. En voor zover ik die aantekeningen goed kan ontcijferen. Het vaak nogal korzelige handschrift was uiteraard voor eigen gebruik en dat maakt het bijzonder lastig. Maar ik denk er wel uit te komen met behulp van de door Bach met rode inkt in het net geschreven tekst in de partij van de evangelist in de Matthäus-Passion. De typische kenmerken van dat handschrift zullen me ongetwijfeld verder kunnen helpen bij de ontcijfering van Bachs aantekeningen in de bijbel.
Het heeft me overigens zeer verbaasd dat Bach daarin überhaupt notities maakte, wat toch zeker voor hem een heilig boek moet zijn geweest, het Woord van God. Terwijl hij het, voor zover ik dat tot nu toe heb kunnen zien, juist meer als werkdocument heeft gebruikt. Al is er een keerzijde: het becommentariëren ervan betekent immers ook dat hij het boek zeer serieus nam, gedragen door zijn religiositeit. Daardoor is Bachs muziek ook niet inktzwart: er is altijd dat zeer sterke geloof, hetzij op de voor-, hetzij op de achtergrond dat letterlijk meespeelt. Het kan niet zo somber zijn of er is altijd wel een toekomst, of uitkomst, zelfs in de nabijheid van de dood. De dood die ook in zijn eigen leven zo'n belangrijke rol heeft gespeeld, zowel door het verlies van zijn eerste echtgenote Maria Barbara als door het vroegtijdig overlijden van de helft van zijn kinderen.

Aantekening van Bach in de lutherbijbel

Geen exegese
Het is zo jammer dat veel muziekliefhebbers het na de Matthäus- en misschien nog de Johannes-Passion het wat Bach betreft verder voor gezien houden. Die passiemuzieken trekken weliswaar nog steeds volle zalen en kerken, maar daarmee houdt het zo ongeveer wel op. Wie kent meer dan hooguit een handvol cantates? Of de partita's, de inventies, 'Das Musikalische Opfer', 'Die Kunst der Fuge'? Misschien heeft dat ook wel enigszins met ons huidige tijdsgewricht te maken, met de vluchtigheid die ons overspoelt. En er is tegenwoordig zoveel om ons mee bezig te houden, te amuseren. In zoveel oppervlakkigheid zakt de serieuze muziek al vrij snel weg. De ‘jeugd van tegenwoordig!', mijn ouders riepen het al, maar wat weet de jeugd nog van die muziek af? Toch niks meer? Maar vlak ook mijn generatie niet uit: dat The Beatles en The Rolling Stones die muziekgeschiedenis zouden hebben geschreven. Dan denk ik: welke dan? Maar misschien is het straks wel helemaal voorbij als er niemand meer zal zijn om het voort te zetten. Dat menigeen de moed intussen in de schoenen is gezonken na de maar niet ophoudende kaalslag die de kunstensector in de afgelopen jaren heeft overvallen en de afkalving die daarvan het gevolg is geweest. En wat weg is, komt niet meer terug. Te midden van een generatie die zich nauwelijks rust gunt, geen geduld meer kan opbrengen, materialistisch is en alles tegelijk wil hebben.

Albert Schweitzer
Ik heb iets met deze Bachkenner. Zijn Bachboek vind ik geweldig en ik stond er versteld van dat hij Bachs gehele oeuvre goed kende, met inbegrip van de cantates. Dat hij daarover zo gedetailleerd kon schrijven, terwijl dat in een tijd was zonder internet en zonder opnamen van een groot deel van dat oeuvre. Hij moet die kennis al studerend en spelend hebben opgedaan en dat ook nog eens in een volbezet leven als arts. Over zijn orgelspel kan ik helaas weinig zeggen. Ik heb weleens een opname gehoord die aan hem werd toegeschreven, maar of dat werkelijk zo was? Maar zijn denkbeelden hebben we wel degelijk geïnspireerd.

 
 
Bach rond zijn zestigste, geschilderd door Elias Gottlob Haussmann

Niet zwaarwichtig
De vraag is overigens hoe je het Bachspel in het algemeen zou moeten beoordelen. De stilistische kenmerken daarvan werden vroeger anders beleefd dan nu. Men heeft het dan al gauw over ouderwets, maar men vergeet daarbij dat een nieuwe generatie dat straks ongetwijfeld over ons zal zeggen.
Vroeger was er duidelijk sprake van een meer monumentale, minder lichtvoetige Bachstijl, waarbij het mogelijk ook een rol heeft gespeeld hoe toen tegen Bach werd aangekeken: met veel respect en niet, zoals nu, gewoon als ‘een' componist. Dat uit dat vroegere spel in zekere zin het respect kan worden afgeleid, dat Bach toen als een man van groot gewicht werd beschouwd. Ernstig, verheven ook. Dat straalt zijn bekende portret ook uit. Maar die zwaarwichtigheid past zijn muziek niet. Integendeel, er zit juist veel speelsheid in! En omdat Bach meestal geen tempi voorschreef, moet je als uitvoerder daarin zelf je weg zien te vinden. Hij heeft er nu eenmaal geen rekening mee gehouden dat zijn muziek na zijn dood zo'n enorme en langdurige vlucht zou nemen. Anderzijds: als er aanwijzingen zijn genoteerd, worden ze soms doelbewust genegeerd. Ik denk bijvoorbeeld aan de altaria in de cantate nr. 117: er staat duidelijk ‘largo', maar vrijwel iedereen speelt het (veel) sneller. Terwijl het tempo mede de sfeer van het stuk bepaalt, waarmee dan helaas onvoldoende rekening wordt gehouden.

Cantateteksten
De eerlijkheid gebiedt het te zeggen: Bachs cantateteksten zijn vaak verschrikkelijk. Ik wil de term ‘ouderwets' bewust niet hanteren, maar eigenlijk kunnen ze in deze tijd niet meer. Daarbij doel ik niet op de bijbel-, maar op de teksten van uiteenlopende dichters. Bach zal er zeker blij mee zijn geweest, maar voor ons ligt dat meer dan driehonderdvijftig jaar later toch wel anders. Teksten met veelal de duivel erin, de satan, met hellepijn, met slangen, met smart, het is vaak heel verschrikkelijk. Voor Bach vormden deze teksten klaarblijkelijk geen enkele belemmering om een muzikaal wonder te voltrekken. Ik roep nogmaals die cantate nr. 117 in herinnering, die daarvan een mooi voorbeeld is. Wat overigens juist zonneklaar maakt dat Bach zich door die teksten wel degelijk liet inspireren. ‘Eilen', ‘laufen', doodsklokken en zo verder werden door hem ook in de muziek zelf afgebeeld.

Opportunistisch
Bach de lutheraan die er geen moeite mee had om een mis op een Latijnse tekst te componeren! Het heeft iets van opportunisme. Hij wilde, hoewel gesetteld in Leipzig, liever naar het hof in Dresden en ik denk dat hij met de 'Hohe Messe' een brevet van zijn compositorisch kunnen wilde afgeven om in die opzet te kunnen slagen. Wat hem uiteindelijk niet lukte. Voor Leipzig was die mis in ieder geval niet bedoeld. Ergo, hij moest het daar onder de pet houden, laat staan dat van een uitvoering in Leipzig sprake had kunnen zijn. Ik zie Bach daar al in Leipzig rondlopen, tandenknarsend, zich te weer stellend tegen dat stijfkoppige kerkbestuur dat niets van zijn plannen en 'verbeteringen' moest hebben. Hij zal daarentegen bijzonder jaloers zijn geweest op de muzikale pracht en praal, maar hij moet ook hebben uitgezien naar de vrijheid die hij als musicus en als componist in Dresden kon genieten. Alleen al de opera daar! Ik ben ervan overtuigd dat, als Bach daar aan het werk was gegaan, er een of meerdere opera's van zijn hand zouden zijn verschenen. Trouwens, zowel in zijn passies als in zijn cantates zijn er vele opera-achtige elementen te vinden. Hij had het absoluut gekund, en waarschijnlijk ook gewild!

Moeilijkheidsgraad
We zien het ook vandaag: solisten, maar ook koren en instrumentalisten die er moeite mee hebben om Bachs muziek zonder kleerscheuren, laat staan moeiteloos uit te voeren. Vooral de vocalisten hebben het extra moeilijk. Er wordt weleens aan voorbijgegaan dat Bach niet specifiek voor de zangstem schreef, maar eerder bijna instrumentaal. Zeker, hij stond midden in het muziekleven, hij componeerde niet voor de bureaula maar voor daadwerkelijke uitvoering, waar hij zelf als praktizerend musicus direct bij betrokken was.. Bach moet een uitgesproken pragmaticus zijn geweest. De stem moest het maar aankunnen, punt uit.

Openingspagina van het Brandenburgs Concert nr. 5

Maar ook instrumentaal zijn er buitengewoon lastige stukken, zoals bijvoorbeeld de zes Brandenburgse concerten, door Bach zeer elegant 'Concerts avec plusieurs instruments' gedoopt. Waaruit volgens mij blijkt dat deze deels al vóór 1717 geschreven concerten bedoeld moeten zijn geweest voor een uit virtuozen bestaand ensemble, toen hij nog in dienst was van de markgraaf Wilhelm Ernst von Sachsen-Weimar, en later van prins Leopold van Anhalt-Köthen. Dit zijn stukken die veel moeilijker waren dan die van bijvoorbeeld Telemann. Al weten we natuurlijk niet hoe hoog Bach de lat bij de uitvoering legde. Mij lijkt het niet waarschijnlijk dat het op het hoogst denkbare niveau moet zijn geweest; of anders gezegd: zoals we er nu mee verwend geraakt zijn. Een rommeltje zal het echter zeker niet zijn geweest.

Ook over de omvang van de koor- en instrumentale bezetting wordt al sinds jaar en dag geschreven en gediscussieerd. Het ene (tegen)bewijs volgt met een zekere regelmaat op het andere, maar een feit is wel dat Bachs muziek in kleine bezetting in dramatisch opzicht net zoveel impact kan hebben als in grote bezetting. Als het maar goede stemmen en instrumentalisten zijn, zoals de praktijk vaak genoeg heeft uitgewezen. Het draait daarbij om zaken als articulatie, dictie, frasering, ritmiek en natuurlijk het tempo. Met als grootste winstpunt bij een kleine bezetting: de detaillering en de transparantie. Dat speelt met name bij Bach, die geen enkele verkeerde noot heeft geschreven en die je als het ware dwars door de stemvoering heen laat kijken, waarvan iedere noot telt, zijn eigen soortelijk gewicht heeft.

Clean sheet
Bach moet al heel veel in het hoofd hebben gehad alvorens de noten neer te schrijven. Dat zien we ook bij Mozart. Zelfs in diens grote opera's zijn er nauwelijks doorhalingen, aanvullingen of wijzigingen. Vergelijk dat eens met die enorme kraspartij waaraan Beethoven zijn manuscripten onderwierp! Soms zelfs zo, zoals in opus 111, dat er gaten in het papier ontstonden! Al zegt dit natuurlijk niets over de uiteindelijke kwaliteit.
Voor het uitschrijven van de verschillende partijen zal Bach ongetwijfeld zijn medegezinsleden hebben gemobiliseerd: vrouw en zonen: er moet aan de huistafel met grote haast en onder druk zijn gewerkt. Denk alleen maar aan de wekelijkse cantates.

Beethovens Pianosonate nr. 32 in c, op. 111 (openingsdeel, vanaf maat 87)

Het geniale van Bachs muziek kun je er vrij gemakkelijk aan afhoren, maar wie noten kan lezen krijgt er zelfs nog een belangrijke dimensie bij. En wie deze muziek kan spelen al helemaal. Er huist een fantastische geest achter deze muziek, met een enorme verbeeldingskracht, maar ook van een man die de techniek tot in al zijn vezels beheerste, voor wie geen zee te hoog ging. Geen vulkaan die zomaar wild uitbarst, maar in ordelijke lavastromen.

De kennismaking met Bachs muziek verloopt langs bepaalde lijnen. Eerst is er het totaalbeeld, terwijl bij herhaalde beluistering pas de verschillende lagen worden geopenbaard, het contrapunt meer en meer van zich doet spreken. Eerst dan wordt duidelijker hoe vernuftig deze muziek in elkaar steekt. De doorwrochtheid ervan, de soevereine beheersing van de materie, maar ook de niet aflatende spontaniteit van de muzikale gedachtestroom, zoals in bijvoorbeeld de vioolconcerten. En altijd rotsvast gestructureerd. Er was in die tijd nog geen sonate- of hoofdvorm: die moest nog worden uitgevonden, maar zowel de horizontale (melodie) als de verticale (harmonie) structuur is bij Bach zo ongekend sterk ontwikkeld! Constantheid en variëteit, bij Bach zijn beide elementen volmaakt met elkaar in evenwicht.

De organist
We weten niet of het orgelspel van Bach bij zijn toehoorders als een bom is ingeslagen. Wie nu naar zijn orgelstukken luistert zou die indruk overigens wel kunnen krijgen. Wel weten we dat men in Dresden van zijn spel zeer onder de indruk was. Mogelijk was dat spel mede inzet om uit het hem benauwende Leipzig weg te komen. Het is een wonderwerk: de virtuoze behandeling van twee handen en twee voeten, met een enorme beheersing van de alles omvattende architectuur. Die uitwaaierende panorama's zoals die zich boven de pedaaltonen manifesteren, het is werkelijk ongehoord. Er is bij mijn geen enkele twijfel over: Bach heeft als organist en orgelcomponist de vele mogelijkheden van het instrument ten volle uitgebuit en ook in zijn vele ‘Orgelprüfungen' daarvan overtuigend getuigenis afgelegd.

Bewerkingen
Als het goed wordt gedaan heb ik tegen bewerkingen geen bezwaar. En eens te meer omdat Bach het zelf immers ook deed. Al zijn die zonder uitzondering van zeer hoge kwaliteit. Helaas, dat kan niet van iedere mij bekende bewerking worden gezegd. Principieel ben ik er dus niet tegen, terwijl Bachs muziek zich voor bewerking uitstekend leent, ook als het de jazz betreft. Waarbij het iedereen vrijstaat om daarin zijn eigen grens te trekken. Wel vind ik dat zo'n bewerking echt iets toe moet voegen, een stuk in een ander licht moet plaatsen. Ik heb niet zoveel met bijvoorbeeld symfonieën die tot kamermuziekstukken worden gedegradeerd, terwijl we nu juist dat prachtige origineel hebben en zelfs te kust en te keur de uitvoering ervan kunnen kiezen.
Het ominstrumenteren zie ik niet zozeer als een bewerking. Bachs triosonates voor orgel laten zich prima omzetten naar bijvoorbeeld fluit en piano (ik heb ze vaak genoeg met Hanneke gespeeld), waarbij ik de beide onderstemmen en zij de bovenstem speelt, maar een bewerking in zijn ware betekenis is dit toch eigenlijk niet.

Voorliefde
Ik heb een nogal uitgesproken voorkeur of voorliefde voor de cantates, maar ik wil absoluut daarmee geen onrecht doen aan Bachs overige werk dat ik net zo fantastisch vind. Zo is het 'Wohltemperierte Klavier' bij wijze van spreken mijn dagelijkse kost. Maar die cantates vormen wel het grootste deel van zijn totale oeuvre en daar loopt, wat de kerkcantates betreft, Bachs geloof onafgebroken dwars doorheen. Dat is voor mij een uitermate fascinerende verkennings- en herkenningstocht, met daarin zijn beste en zijn mindere momenten. Bovendien was dat ook het deel waarmee hij zich jegens het kerkbestuur voortdurend moest verantwoorden. Dat was de primaire opdracht die hij als cantor had: wekelijks een kerkcantate leveren. Dat hij de laatste twintig jaar van zijn leven – voor zover bekend – vrijwel geen kerkcantates meer heeft geschreven doet daaraan niets af. Wel voerde hij cantates van anderen uit, wat blijkbaar niet of nauwelijks op bezwaren stuitte. Misschien was men in Bachs eigen cantates niet eens zo geïnteresseerd: als hij een cantate van een andere componist uitvoerde vond men dat in Leipzig prima. Maar met vijf jaargangen cantates kon Bach uiteraard ook teruggrijpen op eerder gecomponeerde stukken. Dat betreft dan de kerkmuziek. Maar laat ik ook de in latere jaren gecomponeerde, schitterende wereldse cantates niet vergeten, die eveneens een ware lust voor het oor zijn.

Bachs handschrift: de cantate 'Jesus nahm zu sich die Zwölfe' BWV 22

Onderdanig
Het is nogal raadselachtig dat Bach, die zozeer van zijn eigen kunnen overtuigd was, in zijn brieven aan vorsten en bestuurders zo'n onderdanige toon aansloeg. Natuurlijk, in de meeste gevallen wilde hij van hen iets gedaan krijgen, maar dat gold voor Telemann ook, terwijl die zich wel degelijk van een gewone toonzetting bediende. Het zal er ongetwijfeld mee te maken hebben gehad dat Telemann in hoger aanzien stond, hij zijn positie niet voortdurend hoefde te verdedigen, maar die zelfs vrij gemakkelijk kon uitbouwen. Terwijl Bach het veel moeilijker had. Telemann en niet Bach was de gedoodverfde opvolger als Thomascantor in Leipzig. Doordat Telemann weigerde, met werd Bach pas eerste keus. Het weinige dat van Bachs correspondentie bewaard is gebleven toont een componist en musicus die zich jegens zijn broodheren of anderen die macht over hem konden uitoefenen, bijna kruiperig opstelde. De indruk die daaruit bovendien ontstaat is dat de geadresseerden veel belangrijker waren dan hijzelf, een beeld waarmee de geschiedenis korte metten heeft gemaakt.
In Bachs muziek vind je die onderdanige aspecten echter geenszins terug: daarin toont hij zich, anders dan in het gewone leven, juist onafhankelijk en creatief. Een componist ook die precies wist wat hij wilde, het beste schiep met de middelen die hem ten dienste stonden en daarbij een onwankelbaar geloof in zowel zijn eigen kunnen als in God had. Had hij een meer eigengereide, meer onafhankelijke opstelling jegens zijn superieuren gekozen? Dan had hij zijn positie in Leipzig waarschijnlijk niet kunnen behouden en hadden we mogelijk daardoor niet dat omvangrijke, rijke oeuvre gehad waar we nu over mogen beschikken. Johann Sebastian Bach: Soli Deo Gloria!

__________________
De recensie van Maarten 't Harts nieuwste Bachboek vindt u hier.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links