Interview

Elly Ameling:

"Inspiratie moet komen uit vroege luisterervaring"

 

© Aart van der Wal, mei 2019

 

De discografie van Elly Ameling, een van onze meest vooraanstaande vocalisten in de tweede helft van de vorige eeuw, lijkt onoverzienbaar. 401 Dutch Divas in Opera and Concert heeft een moedige en redelijk geslaagde poging gedaan om een groot aantal opnamen, zij het helaas alleen over de perode 1964-1978, te rubriceren. Dus niet het gehele tijdvak 1957-1990 (waaronder de cd-verzamelboxen Elly Ameling 75 jaar en Elly Ameling 80 jaar, ieder bestaande uit vijf cd's met live-opnamen van de concerten in het kader van de Nederlandse omroep). Wie de moeite neemt om op internet op zoek te gaan komt ongetwijfeld aanzienlijk meer releases tegen, onder andere op de website van Discogs.

Op verzoek van Elly Ameling hieronder de biografie (in het Engels), waarvan zij zelf zegt dat die de kortste, maar tevens de meest nauwkeurige is:

Elly Ameling , soprano
German and French Art Song ,  with orchestra and in recital.

1956: First Prize International Vocal Contest ,  ‘s- Hertogenbosch, the Netherlands.

1958: First Prize Concours International de Musique de Genève.

1996: Farewell Concert Amsterdam, Concertgebouw, which establishes    the ”Elly Ameling Ring” for Art Song.

Concert  tours in every part of the world with orchestras conducted by Carlo Maria  Giulini, Rafael  Kubelik, Benjamin  Britten, Seji  Ozawa, André Previn, Bernard Haitink and many others.

French and German Art Song recitals with pianists Rudolf Jansen , Graham  Johnson, Joerg Demus, Dalton Baldwin,  Irwin Gage  and many others.

Recordings: five times Edison Prize; three times Grand Prix du Disque;  Preis der Deutschen  SchallplattenKritik.

Four  honorary doctorates in the United States of America and in Canada.

Knighted by Her Majesty Queen Juliana of the Netherlands: Knight in the Order of Orange Nassau.

Knighted  by Her Majesty Queen Beatrix of the Netherlands: Knight in the Order of the Dutch Lion.

Medal of Honor of the Hugo Wolf Akademie.

Up to the present: master classes for singers and their pianists in Europe, United States of America, Japan.

Motto: “Let us try to remember that we are there for the music and not the other way around”.

Elly Ameling, een grote naam, een grote carrière, heeft inmiddels de leeftijd der sterken bereikt. Ze is 86, maar dat valt aan haar scherpe geest en energieke uitstraling absoluut niet af te lezen. Ze voelt zich nog volop betrokken bij de zangkunst en heeft vooral op het gebied van het lied nog veel te zeggen. Haar mening telt, haar inspanningen worden geroemd. Dat velen daarvan profiteren spreekt bijna vanzelf, met in de voorhoede de jonge vocalisten die de adviezen van deze in het ‘vak' gepokte en gemazelde Grande Dame maar al te graag ter harte nemen en meenemen op hun verdere loopbaan.

Op 17 mei a.s. gaat voor de vierde maal het prestigieuze Internationaal Liedfestival Zeist (ILFZ) van start, waarvan Elly Ameling beschermvrouwe is. Een reden te meer om met haar in gesprek te gaan. Ze nodigde mij onlangs uit, thuis in de zeker in dit voorjaar pittoreske Alblasserwaard, met tijdens ons eerste telefoontje haar verzoek of ik op voorhand wilde aangeven wat ik wilde drinken: “Koffie, thee of iets anders?” Het is haar ten voeten uit, want ook als zangeres ging zij planmatig te werk, was zij altijd tot in de kleinste details voorbereid en niet minder precies. Maar op de valreep leek het toch nog bijna mis te gaan met dit interview, want uit Wenen was geheel onverwacht de boodschap gekomen dat de pianist Jörg Demus was overleden. Het stond voor haar zo vast als een huis: ze moest naar Wenen, wilde de begrafenis bijwonen en dus was de reis naar de Oostenrijkse hoofdstad onontkoombaar.

 
 
De lp-hoes van
Deutsche Harmonia Mundi
 
 
Grijs gedraaid...

Toen ze het mij vertelde, schoot het me direct te binnen: het Schubert/Schumann-recital in de Cedernsaal van Schloss Kirchheim, met Demus aan de fortepiano, een opname van Deutsche Harmonia Mundi uit 1965 en 1967. Het was als 20-jarige mijn eerste kennismaking met het liedrepertoire überhaupt, en het was uitgerekend dit duo waardoor ik voorgoed verslingerd raakte aan het kunstlied. De onuitsprekelijke frisheid van haar zang en Demus' formidabele ‘begeleiding' (wat heet…) leidden al spoedig tot een werkelijk grijs gedraaide lp, waarvan ik later noodgedwongen meerdere exemplaren aanschafte, maar die ik uiteindelijk kon vervangen door de cd (voor zover ik weet nog steeds verkrijgbaar). Gisteren nog draaide ik Schuberts ‘Der Hirt auf dem Felsen', met die zo warme klarinetklank van Hans Deinzer. Wat een ademtechniek moet je als klarinettist alleen al in huis hebben hebben voor die zo meesterlijk uitgesponnen inleiding, met die schijnbaar eindeloos lang aangehouden noot!

Tussen de reisvaardigheidsbedrijven door en zelfs tot diep in de nacht (de klok wees halfdrie aan) lukte het ten slotte kort voor haar vertrek toch nog om vraag en antwoord op papier te krijgen. Op het moment dat dit vraaggesprek wordt gepubliceerd is Elly Ameling ongetwijfeld al in Wenen.

U bent beschermvrouwe van het Internationaal Liedfestival Zeist (ILFZ). Een dergelijke titel is vaak niet meer dan symbolisch, maar voor u zal dat zeker niet het geval zijn. Kunt u uw persoonlijke betrokkenheid bij het festival aangeven?
“Tja  beschermvrouwe, dat is ook maar een titel, hoor. Daar hoef je niets voor te doen! Maar toen de festivalleiding mij voorstelde ook deel te nemen aan het lesprogramma , was ik daar best voor te porren.
De artistiek leider, Rob(ert) Holl, kwam met het idee om een bepaalde dichter, wiens werk door verschillende componisten is getoonzet, centraal te stellen. Dat was in 2017 Goethe, in 2018 Eichendorff en nu in 2019 naast Heine ook voor het eerst een Franse dichter: Paul Verlaine. Het Franse repertoire is nu mijn speciale taak. We ‘behandelen' van Verlaine alle door Fauré en de meeste door Debussy gecomponeerde liederen.”

Rudolf Jansen, Elly Ameling en Robert Holl (foto Elisabeth Melchior)

U geeft mastercourses. Kunnen deze bijdragen aan de belangstelling voor de liedkunst in het algemeen?
“Jazeker. Ik ben een beetje beducht geweest voor een gebrek aan geestdrift bij jonge zangers om nu juist Verlaine, dus de Franse liedkunst te doen, maar dat is mij best meegevallen. Ik ben alleen nog bezig hen voor te stellen om nu juist de vergelijkingen van dezelfde teksten gezet door Fauré én Debussy, aan hun programma's toe te voegen. Dat is hoog interessant omdat de werkwijze van de beide componisten totaal verschillend is. Ook het publiek dat bij de mastercourses aanwezig is, raakt zo aardig op de hoogte. Trouwens, wat ik ook altijd tegen de jongelui zeg: wie niet aan de beurt is, leert meer. Er is dan gelegenheid om aantekeningen maken. IPhones en dergelijke mogen, wat zeg ik MOETEN ook altijd aan, want dan kan kun je het hele verhaal op je gemak, en zonder zenuwen!!, thuis nog eens horen.”

Hoe oordeelt u over de stemkwaliteiten en de muzikaliteit van de huidige generatie jonge zangers?
Positief! Het is natuurlijk wel zo, altijd en overal, dat die ene witte raaf er maar heel zelden bij zit. Geeft niks, de anderen doen het in de loop van hun leven misschien ook aardig , of ze geven aan hun leerlingen door wat ze hier hebben geleerd.
Maar weet u wel dat we in Zeist al twee witte raven hebben voorbij horen komen? Raoul Steffani, bariton uit Nederland, lijkt er een te zijn, bij hem bespeur je veel van dat onnoembare gevoel voor 'poezie-in-muziek', die eenheid.  Dat hoorde ik al toen hij in Tilburg op het conservatorium nog maar 19 jaar was.
En dan was er op zo'n 'Rising Star' recital van een uurtje, midden op de dag, een prozaïsch tijdstip toch, Harriet Burns, sopraan van de Guild Hall School, die werkelijk alles had: mooie stem, goede techniek, het juiste muzikale en tekstuele begrip, de juiste uitspraak, de juiste dictie (en dat is heel wat anders), daardoor de goede voordracht, en dan nog de drang, ja drang om het aan ons, het publiek mede te delen. Dat zijn factoren die allemaal aanwezig moeten zijn, wil het tot  iets bijzonders leiden. Mis je een van deze eigenschappen? Dan verbleekt de prestatie al.”

 
 
Niet alleen het lied...

Er wordt weleens gezegd dat het kunstlied op de podia helaas niet al te hoog genoteerd staat.
Ik denk dat het een misverstand is, al zolang als het lied  in de concertzaal bestaat. Het lied hoort bij de kamermuziek, het is vocale kamermuziek. Zoals instrumentale kamermuziekconcerten nooit dezelfde aantallen bezoekers trekken als orkestconcerten, zo trekt ook het lied minder publiek dan de opera. Dit is een gegeven. Het is toch duidelijk dat het lied een muziekvorm is die bij de luisteraar een zekere verfijning van het oor en van de gevoelswereld veronderstelt. Zulke mensen zijn in de minderheid, of we dat nou leuk vinden of niet. Dus dat trekt minder bezoekers dan mooi theater met dramatische zangkunst, bovendien door soms wel zes zangers! Allemaal factoren die onmiddellijk voldoen aan de meer theatrale verwachtingen bij de meeste mensen. Laten we dat toch erkennen!  Dat deze stelling klopt, zien we in onze tijd.
We moeten ook vaststellen dat tegenwoordig financieel succes een voorwaarde is waaraan alle andere factoren ondergeschikt worden gemaakt. Dus wat gaat men doen om meer mensen naar het liedrecital te krijgen? Meer theater erin brengen. Een film erbij vertonen, of de zanger een beetje laten acteren. Maakt dat de betekenis van het lied duidelijker? Ik vrees van niet. Naar wat ik ervan gezien heb, leidt het de aandacht af van waar het om gaat: tekst en muziek, in compositie (het stuk) en herschepping (de zang samen met het pianospel). Ik vermoed dat er heel weinig mensen zijn die alle woorden en noten van de Winterreise volledig in hun hoofd hebben. Laat staan van La Bonne Chanson.... Zou het dan niet beter zijn om af en toe een snelle blik te werpen in het tekstboekje? Of nog beter: de teksten te lezen vóór het concert begint? Ooit aan gedacht?! Dat spreekt toch vanzelf, ACTIEF luisteren? Maar onze tijd is veel meer op zien dan op horen ingesteld, en daarom denkt men de boel te moeten opleuken met visuele trekjes. U zei zojuist dat Adorno en Schönberg met vooruitziende blik al waarschuwden tegen het oprukkende 'entertainment'. Schönbergs Brettl-Lieder (cabaretliederen) zijn echter wel degelijk heel goed, maar die beschouwde hij als grappige uitzonderingen op zijn oeuvre.”

Met Rudolf Jansen in Göteborg (1983)

De rol van de pianist...
Gelukkig is de betiteling 'begeleider' wel zo'n beetje passé. Want de man of vrouw aan de vleugel is net zo belangrijk als de zanger of zangeres. SAMEN brengen zij muziek en tekst tot leven. Ja heus, ook tekst: veel muziek is zo gecomponeerd dat er in de pianopartij ook tekstuitbeelding zit. Neem al die Duitse liederen waar sprake is van beekjes, bijvoorbeeld in Die Schöne Müllerin: die hoor je in de begeleiding duidelijk kabbelen. Of neem Gretchen am Spinrade, en dat spinnewiel maar draaien, tegelijk met de onrust in haar hart. Zoals er ook de ritmische figuren in de pianopartij zijn die de opwinding uitbeelden van de persoon over wie de zangeres zingt, of die de zangeres uitbeeldt. Hoeveel liederen werken niet met de galop van paarden? Denkt u maar aan Abschied uit Schwanengesang, maar ook aan die inleidingen en naspelen, die vooral bij Schumann de reeds gezongen  tekst en melodie nog eens dunnetjes overdoen? Het nachtegaalmotief door de piano aan het begin van En sourdine, het eerste van de zes Fêtes galantes van Debussy? In het zesde lied, Colloque sentimental, dat hij nota bene 18 jaar later schreef, komt dat motief terug, nu als een droeve herinnering aan de voorbije liefde. En ga zo maar door.”


Met de pianist Graham Johnson tijdens de voorbereidingen van deel VII van de Schubert-editie van het Britse label Hyperion (1989) (foto Malcolm Crowthers)

Hoe heeft u zelf die samenwerking ervaren?
Ik ben uiterst gelukkig geweest met de pianisten die op mijn pad kwamen. Het begon er al mee dat ik les kreeg van een pianist: Felix de Nobel. Kort maar krachtig gaf hij mij de grondslagen mee, en wat was hij ironisch in zijn opmerkingen over het zogenaamde 'mannetjes maken', een sentimentele voordracht die geen klasse, de verkeerde lading had. Ik kon tijdens de lessen zijn raad echter niet zo snel in praktijk brengen. Hij was zeer kritisch, bleef ook herhalen. Maar .... dan mocht ik al met hem aan de vleugel een recital geven in de Kleine Zaal van het Concertgebouw! Plotseling was hij dan als een engel: de verkeerde dingen die ik nog niet had weggewerkt, hij ging erin mee, hij begeleidde om mij te helpen. Ik spreek hier uiteraard over zeer kleine nuances die de luisteraars niet zullen hebben gestoord.

 
  Met Jörg Demus in de Cedernsaal van Schloss Kirchheim (1965/67)

Voor de zojuist overleden Jörg Demus bewaar ik een bijzonder plekje in mijn hart. Al vroeg werkte ik met hem, in Duitsland en Oostenrijk, maar ook op de vele Italiaanse reizen. Door hem leerde ik de vele kneepjes  van de Duitse poëzie kennen. Hij speelde zijn partij met een soepel Weens ritme.
Dalton Baldwin, die met de Franse bariton Gérard Souzay zelf als pianist muzikaal zoveel had ervaren, straalde dat weer op mij af. En dan natuurlijk Rudolf Jansen: wij hadden allebei les van Felix de Nobel gehad, dus onze opvattingen pasten onmiddellijk naadloos bij elkaar. Ik kan me niet herinneren dat Rudolf en ik ooit iets echt besproken hebben, of afgesproken, in de trant van zo en zo gaan we het doen. Nee, het klopte al doende. En dan ontstaat er een heerlijk geven en nemen, piano leidt, zangeres leidt, om de beurt, elkaar aanvullend, samen dansend door de muziek. Ik zeg nu vaak tegen Rudolf: wat is mijn rechter oor toch altijd gelukkig geweest!”

Met Dalton Baldwin tijdens de 'Schubritteniade', Snape Maltings (1977)
(foto Nigel Luckhurst)

EMI-producer Walter Legge heeft al in de jaren dertig van de vorige eeuw veel betekend voor de promotie van het lied.
Ja, diens oprichting van de Hugo Wolf Society was zowel geniaal als moedig, wat overigens niet los kan worden gezien van de totstandkoming van de oorspronkelijke Hugo Wolf Akademie, een verjaarscadeau aan Wolf van zijn Duitse vrienden. En wat zijn die door Legge geproduceerde Wolf-opnamen met Gerald Moore aan de vleugel en de jonge sopraan Elisabeth Schwarzkopf toch geweldig van uitdrukking! Die enorme verscheidenheid aan kleuren die zij laat horen, voor iedere stemming een andere tint. Dat heb je bij Wolf meer dan bij welke andere componist nodig. 
U noemt terecht de vele opnamen van Fischer-Dieskau. Niet alleen zijn Schubert is een bron van kennis. Ik zeg dan: dat is een klinkende encyclopedie! Die man zong altijd zo dat je onmiddellijk zei: zo moet het en niet anders.
Dat brengt mij op nog een andere grote zanger: Pierre Bernac, die in zijn boek The interpretation of French Song de liederen haarfijn uitlegt. Ik heb met niemand, maar alleen met dat boek de drie liederen van Shéhérazade van Ravel ingestudeerd, voor mijn eerste uitvoering ervan met het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Jean Fournet. Het klopte, Fournet hoefde niets te veranderen of te verbeteren aan mijn vertolking.
Dat boek van Bernac vind ik nog steeds (ik ben nu 86) dé  gids. Hoe jammer is het niet dat Fischer-Dieskau naast zijn vele boeken niet ook zo'n uitvoeringsmehode schreef, over HOE je het moet DOEN dus. Ik kan dat alleen verklaren uit het feit dat in het algemeen gesproken bij het Duitse lied meer verschillen in interpretatie mogelijk zijn dan bij het Franse lied dat – alweer in het algemeen gesproken – eenduidiger gecomponeerd is.”

 
 
De Nederlandse nachtegaal...

Hoe kijkt u terug op verleden?
Ik heb het grote geluk gehad dat ik precies in de tijd leefde dat geld nog niet bij ALLES op de eerste plaats kwam. Er werd veel gedaan om het mooiste, het beste te presenteren, minder afhankelijk van de inkomsten der organisatoren.  Het publiek werd opgeheven naar de hoge standaard van de muziek, en de muziek werd niet naar beneden bijgesteld tot een betaald plaisanterietje voor de luisteraar. Welke Nederlandse schrijver was het die al voor de oorlog zei: je moet de jeugd opheffen naar de leerstof en niet de leerstof omlaag brengen naar de jeugd. Nou, kijk  even naar het huidig onderwijs! Ik heb met mijn scholen geboft, eindexamen in 1950. Vanaf 1968 gaat het al mis, steeds iets nieuws en steeds verder mis. Tja, de school, het conservatorium moet ook geld verdienen.  Daar is die misplaatste marktwerking weer. Een oud mens wordt snel  verweten dat zij klaagt, maar DIT was vroeger zeker beter. En scholing is natuurlijk de basis voor  je hele verdere leven!”

Het lied, is dat een druppel op een gloeiende plaat?
We moeten over het podium voor het kunstlied maar niet al te veel en te vaak klagen. In Europa komen er steeds meer liedfestivals. Nee, we staan natuurlijk niet stil bij Nederland alleen. Wat we al heel lang hebben is de reeds genoemde Hugo Wolf Akademie, nu in Stuttgart gevestigd. Dat gaat niet over Wolf alleen, maar over de gehele Duitse liedkunst, zoals ik merkte toen ik werd gebeld door de directeur met de mededeling dat ik de Hugo Wolf Medaille uitgereikt zou krijgen. Ik was totaal verrast door dit telefoontje, en stamelde 'maar ik heb helemaal niet zo veel Hugo Wolf opgenomen!'

Na de uitreiking van de Hugo Wolf medaille in Stuttgart (2015)

De Akademie organiseert ongeveer 30 liedrecitals per jaar, naast een tweejaarlijks concours voor liedduo's en regelmatige cursussen. De eerste medaille werd uitgereikt aan Fischer-Dieskau, vrij kort voor zijn dood. In november ben ik wel in Stuttgart, maar ditmaal aan de Hochschule für Musik om daar een paar dagen met jonge mensen het lied en de mélodie te bestuderen. Een haard van liedkunst is het daar in Stuttgart, mag ik wel zeggen.  Nu is daarbij gekomen een liedfestival met cursus in Heidelberg, met de twee bekende Thomassen: Quasthoff en Hampson, dat wordt afgesloten met een concours. Ook het Londense Wigmore Hall laat van zich horen: daar wordt een heel seizoen lang ruim aandacht besteed aan het lied, van romantisch tot en met modern. We hebben ook alweer jaren Oxford met series recitals en mastercourses. Dan is er ieder jaar jaar in april Leeds Lieder, waarvan ik al 12 jaar getuige en zelfs president ben. Belangrijk is ook het Franz-Schubert-Institut in Baden bij Wenen, met een veel omvattende cursus speciaal voor duo's. Vijf weken lang, met acht masters, met als voornaamste uitgangspunt de grondige behandeling van de Duitse poëzie. Ik kan natuurlijk niet alles opnoemen maar last not least is daar Amsterdam, met twee liedseries in de Kleine Zaal van het Concertgebouw, en ook het een en ander in het Muziekgebouw aan het IJ. En dan nu al vier jaar het Internationaal Lied Festival Zeist!  Als u het dan nog heeft over een druppel op een gloeiende plaat: die ligt wel voortdurend te sissen!”

 
 
The New York Times

U bracht het lied in de jaren zeventig en tachtig naar Carnegie Hall.
In die zaal  met ruim 2500 plaatsen heb ik inderdaad gezongen, met orkest en in recital, met Dalton Baldwin en met Rudolf Jansen aan de vleugel. Dat was toen nog wel een uitzondering, zoals de vocale recitals in de Grote zaal van het Amsterdamse Concertgebouw dat toen ook waren. Tegenwoordig lees je dat die of die in Carnegie Hall heeft opgetreden, maar er zijn intussen twee zalen in het originele complex bijgebouwd: een met rond 1000 plaatsen en een met 250. Het was Isaac Stern die de fameuze zaal redde voor afbraak en het idee van meer zalen opperde. En nu staan er ook nog dertig verdiepingen aan apartementen bovenop!

Het publiek in New York was altijd geweldig enthousiast, en er kwamen van die kleine lachjes precies tijdens de uitvoering van een humoristische regel. Hoe het nu met de liedrecitals staat in  Amerika weet ik niet, maar wel gaf een studente van mij niet lang geleden in Bostons Jordan Hall een recital  waarvan ik een opname beluisterde: zeer goed, en in alle stijlen de juiste toon getroffen. Een Amerikaanse sopraan met een aangeboren Europese inslag: Susanna Phillips, inmiddels overbekend aan de Metropolitan Opera.”

 
 
Griegs toneelmuziek natuurlijk gezongen in het Noors...

Dit brengt mij op de vraag: lied of opera, of beide?
Beide doen lijkt mij óf van groot nut óf een groot voordeel: het lied krijgt – waar nodig in de compositie – de grotere lijn en de output qua klank zoals die uit de opera komen, terwijl een opera-aria en zeker recitatieven baat kunnen  hebben bij de finesses van een duidelijke en uitdrukkingsvolle dictie. Ook voor een zekere mate van intimiteit in opera kan het nuttig zijn die te vinden in de manier van zingen, kleuren, zoals je die van het lied kent. Kortom aanvullen en uitwisselen: fantastisch. Iemand die dat heel goed doet is Lenneke Ruiten. Zij zingt op 22 mei in Zeist. Daar hebben we trouwens een geweldige variatie aan kwaliteiten: Prégardien père, Henk Neven, Sarah Connolly, Mark Padmore, en wie vergeet ik nu? Rob Holl natuurlijk, tweemaal zelfs!!”

De huidige tijd is vervuld van stress en onrust. Niet bepaald de ideale uitvalsbasis voor het lied, waarvoor rust en complatie geboden zijn.
Ja, maar iedere studie vergt nu eenmaal rust en contemplatie. Dat die ook heden ten dage nog kan leiden tot bewonderenswaardige prestaties bij jonge mensen heb ik kort geleden mogen ervaren toen ik de verdediging van haar proefschrift bijwoonde van  - nu inderaad – dr. Wieneke Jansen, dochter van Rudolf Jansen en zijn vrouw, de zangeres Christa Pfeiler. Het onderwerp was 'het Sublieme' zoals  gezien door Longinus en later ook in de Nederlanden bestudeerd. Zij is 31 jaar, de leeftijd van een jonge zangeres, wat zij overigens óók is!
Waarmee ik tevens wil zeggen dat ieder jong mens, in welk tijdsgewricht ook, zich de moeite en de tijd zal moeten geven om te groeien in waar hij of zij mee bezig is. U noemt vele grote, belangrijke schrijvers, van Ernst Newman tot Ian Bostridge, van Gerald Moore tot Dietrich Fischer-Dieskau, en natuurlijk het is zeer belangrijk daarvan kennis te nemen, maar ik denk toch dat de zo broodnodige INSPIRATIE in de eerste plaats moet komen uit de vroege luisterervaring, een live luisterervaring welteverstaan. Ik ben nog altijd dankbaar voor het recital waar mijn moeder mij mee naar toe nam in Rotterdam, in de kerk aan de Westzeedijk, lang geleden afgebroken. Daar zong de nog jonge Souzay, toen nog met Jacqueline Bonneau aan de piano. Ik was 19 en had pas anderhalf jaar zangles. Volstrekt niet op de hoogte van hoe je zingen moest, of zelfs maar waar het over ging. Toch geloof ik dat die ervaring – onbewust opgeslagen? - het begin is geweest van mijn zingend leven...”

Tijdens een mastercourse in Zeist (2018) (foto Boas)

Wat zou u - kort maar krachtig - de huidige generatie liedzangers mee willen geven?
Mijn Tien Geboden!”

______________
Het Internationaal Lied Festival Zeist vindt plaats van vrijdag 17 t/m zondag 26 mei in de Kerk van de Evangelische Broedergemeente, Zusterplein, Zeist. U vindt alle details op www.ilfz.nl.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links