Hoornist Rob van de Laar ziet de bui wel hangen



Je wint de prestigieuze Nederlandse Muziekprijs en je ziet als musicus geen toekomst in dit land. Het is het lot van de hoornist Rob van de Laar. In een interview met de Volkskrant neemt hij geen blad voor de mond. “Zit je daar dan als jong talent aan de koffietafel, terwijl iedereen om je heen steeds de vraag stelt: heb ik straks nog wel een baan, hoe zorg ik dan voor mijn gezin? Dan ligt de focus echt niet meer bij de vraag: wat heeft die ene grote dirigent gezegd over die maat? Ik was het JeugdOrkest Nederland gewend, ik wilde gewoon muziek maken.”
En: “Veel orkesten hebben niet eens meer de middelen om het grote romantische repertoire te spelen. Voor een Mahler ga je maar naar Amsterdam, wordt er dan gezegd. De orkesten worden kleiner, die geoliede machines worden vervangen door een halve ensemblecultuur. En waar kunnen jonge musici nog ervaring opdoen? Ik zie veel talent naar het buitenland vertrekken. Het is niet alleen een geldkwestie. Ik denk dat het typisch Nederlands is dat we ons om de vijf jaar afvragen: zo’n symfonieorkest, zo’n muziekschool, hebben we die nog nodig? Ik begrijp echt wel dat als er moet worden gekozen tussen een orkest en meer handen aan het bed, de zorg het altijd wint. Maar dat iemand daar op het podium zit te spelen, voor jóú, en je diep in je hart kan raken, dat is toch het mooiste wat er is? Als we daar al niet meer de waarde van inzien, waar leven we dan voor?”
Om zijn argumenten kracht bij te zetten verwijst Van de Laar naar Het Gelders Orkest, waar de orkestleden het moeten doen met zo’n zestig procent van hun oorspronkelijke salaris. Dat ze bij moeten klussen om er een redelijke levensstandaard op na te kunnen houden. Overal ziet hij het effect van de door ‘Den Haag’ ingezette bezuinigingen, de kaalslag die daarvan het onherroepelijke gevolg is.
Het is, zonder met cijfers te smijten, hier inderdaad een treurige toestand. Zeker in vergelijking met de omringende landen, waar van overheidswege veel meer geld voor de ‘schone kunsten’ (en dus ook de goede muziek) ter beschikking wordt gesteld. Misschien is het in ons land ook niet populair om over klassieke muziek te praten, er veel aandacht aan te besteden. Klassieke muziek die in sommige kringen wordt weggezet als een vermaakspelletje voor een niet nader gedefinieerde elite. Een goed voorbeeld daarvan is die bekende uitspraak van een Haagse PVV´er die het Residentie Orkest schaamteloos vergeleek met een ´tromboneclubje´. Natuurlijk, die man had geen verstand van muziek, wist nauwelijks iets af van wat een orkest nodig heeft en beweegt om überhaupt te kunnen functioneren, zag niet het maatschappelijk belang van een orkest in stad en regio. Musici waren in zijn beleving alleen maar uitvreters, parasiterend  op kosten van de belastingbetaler. Wie klassieke muziek zo belangrijk vond moest er zelf maar diep voor in de buidel tasten. Beter ettelijke miljoenen naar een noodlijdende voetbalclub, een schoolvoorbeeld van massacultuur. Voor je het weet zit je daarmee in een debatcultuur waar je eigenlijk helemaal niet in wilt zitten.
 
Hoeveel een musicus zou moeten verdienen staat – hoe kan het ook anders – open voor discussie. Het zal, zoals meestal, een kwestie van vraag en aanbod zijn. Dat het aanbod door een slopend cultuurbeleid danig is verschraald en nog verder zal verschralen s net zo evident als dat het maatschappelijk nut van de klassieke muziek door velen in twijfel wordt getrokken of zelfs miskend. Het leidt tot synergie, maar dan wel van het ongewenste soort. Of dat maatschappelijk nut een serieus criterium is? In de bankensector werden niet alleen door de banken vermogens verdiend, maar ook door di vele scherpzinnige rommelaars die voor die vermogens zorgden. Er was veel vraag naar deze Willie Wortels. Het maatschappelijk nut? Gelijk aan nul. Ergo, de maatschappij werd er zelfs beduidend slechter van, er werd schuld op schuld gecreëerd, er ontstonden rommelhypotheken, Ponzi-schema’s, rentegesjoemel.
 
Wie het maatschappelijk nut van de klassieke muziek betwist past keurig in het model van het groeiende populisme waarin schreeuwen meer waarde heeft dan het bieden van oplossingen. Al is het dan ‘Den Haag’ geweest dat zich verantwoordelijk mag voelen voor het feit dat in de cultuursector meerdere gure winden zijn gaan waaien en dat er steeds meer is opgeschoven richting profijtbeginsel. Degenen die zelden of nooit naar een concert of operavoorstelling gaan zitten er niet mee dat toegangskaartjes onbetaalbaar dreigen te worden. Maar vlak ook de lagere overheden niet uit. O wee als die ene voetbalclub geen miljoenen van het College van B&W krijgt toegeschoven, want dan is de beer pas goed los. Dan is het profijtbeginsel ineens als sneeuw voor de zon verdwenen, gaan deuren open die voor de cultuursector gesloten zijn gebleven.
 
Om de paar jaar is er weer de ongegeneerde dans rond het gouden subsidiekalf, met de onvermijdelijke winnaars en verliezers; en de even onvermijdelijke, wankele of in het geheel niet deugende motivering van het ‘ja’ of het ‘nee’, of het ‘ja mits’. Een groepje lieden aan een lange tafel dat discussieert achter gesloten deuren en waaruit dan ten slotte ‘adviezen’ voortvloeien waar men buiten de deur het verder mee kan doen. Wie teleurgesteld is kan in beroep, natuurlijk. En dan vooral maar intens hopen dat de beoordelaars de voorstellingen hebben bezocht waarover het Salomonsoordeel wordt geveld.
We zagen het al eerder bij het uitkleden van het Muziekcentrum van de Omroep, de daarmee verband houdende reorganisatie en de misère die daarvan het gevolg is geweest, zoals in artistiek als in maatschappelijk opzicht. Voor de bühne bezuinigen (“kijk ons eens”), terwijl in ronde bedragen vrijwel om niets gaat, om marginaal gehannes (een paar weken in Mali, of een paar landingsgestellen voor de JSF). Al dat gedoe leidt wel tot ophef, onrust, protestacties, onzekerheid.  Het verlies aan motivatie en afvloeiingsregelingen heeft uiteindelijk  meer gekost dan wat is bezuinigd (dat valt in de praktijk altijd tegen, maar daar hoor je dan niemand meer over). Er is echter ‘een daad gesteld’. Slechts de kunstsector beseft in volle omvang dat wat achteloos is weggegooid niet meer terugkeert.
Muziekonderwijs, beroepsopleiding, toekomstperspectief (een beetje carrièreplanning mag ook), ze horen onverbrekelijk bij dat ene orkestlid dat op rij zes op zijn viool speelt. En dan heb ik het belangrijkste nog niet eens genoemd: liefde voor de muziek. We zijn echter in ons land driftig bezig met het stelselmatig ondergraven van de muziekcultuur. We hebben popie jopie programma’s in het leven geroepen om voldoende publiek te kunnen trekken om dan tegen de subsidiegever te kunnen zeggen: “Zie je nu wel, we trekken volle zalen!” Tot ook dat voorbij is omdat dit oninteressante perpetuum mobile zijn onvermijdelijke einde wel moet bereiken. De samenhang tussen het oude en vertrouwde en het avontuurlijke is weg omdat de toekomst veel te ver weg lijkt en in de waan van de dag beleid wordt uitgezet. De kat die zichzelf uiteindelijk in de staart bijt. Onder dit deprimerende gesternte staat de Nederlandse Muziekprijs er net zo verloren bij. Kansen worden niet gegrepen maar gemist. Dagelijks. Het roer moet om, maar er is niemand die aan het roer staat.