Orkesten en ensembles

een mannenfamilie van 124 leden

 

© 2007 Jan de Kruijff en Aart van der Wal

 

Seiji Ozawa dirigeert de Wiener Philharmoniker in de Weense Musikverein

Het is wat al te makkelijk om het vruchtbare muziekklimaat in Wenen alleen naar toe te schrijven aan de ligging, aan het feit, dat zoveel componisten er woonden en werkten en aan de atmosfeer van de stad. Toch hebben die samen het juiste klimaat geschapen.

Kunst vergt een juiste 'omgeving' om te gedijen. Dat Londen honderden jaren een ideale theaterstad was, heeft beslist te maken met de fenomenen Shakespeare en Shaw. In Wenen geldt hetzelfde voor de muziek sinds de dagen van Haydn, Mozart en Beethoven plus de tweede injectie van de Nieuwe Weense School.

Typisch genoeg heeft men in Wenen steeds tijd gehad (of genomen) voor muziek. Het is geen toeval, dat er 's morgens al zoveel concerten worden gegeven, een historische traditie, die zich niet alleen tot de kerkmuziek beperkt, maar ook wereldse muziek omvat.

Het heeft wel iets om op een mooie lentemorgen in de Musikverein naar de Philharmoniker te gaan met een echt volwaardig concert. Een goed ding om de dag mee te beginnen.

Opvallend is ook altijd de muzikale zuigkracht van Wenen geweest. Een minderheid der beroemde componisten werd er geboren; de meeste vestigden zich er later. Ook de geografische ligging van Wenen was een factor van belang. Wenen ligt op een belangrijk kruispunt van oost naar west en noord naar zuid, middelpunt van de dubbelmonarchie, die verschillende volken - soms tegen wil en dank - verbond. Door de eeuwen heen trokken Tsjechen, Hongaren, Turken, Slovenen, zigeuners, Bulgaren, Duitsers, Italianen en West-Europeanen naar de stad. Iedereen bracht zijn muziek mee, ongeacht of ze over de weg of via de Donau reisden. De wals werd geboren op de Donaukades. De stroom van melodieën, ritmen en tempi was eindeloos en onweerstaanbaar.

Die oneindige variëteit is nog te horen in de menuetten van Haydn, de dansen van Mozart, de quasi Turkse muziek van Mozart en Beethoven, de trio's van Schubert en de in finales van Brahms geïntegreerde dansen. De essentie hiervan is terug te vinden in verre dorpen en door kampvuren verlichte kampementen, de laatste verfijningen werden in Wenen aangebracht. Daar werd munt geslagen uit die verworvenheden.

Het hebzuchtige muziekinstinct kwam al tot stand in de tiende eeuw met de hertogen van Babenberg, die minnezangers uitnodigden. Het feodale muziekleven beleefde echter zijn  hoogtijdagen in de nadagen van de keizerlijke Habsburgers, die aan hun hof prinsen verzamelden, welke op hun beurt de Haydns en Mozarts vergaarden.

Daarna kwam de prinselijke muziek ten einde, nog voordat Haydn en Mozart stierven. Het risico bestond, dat daarmee ook het grootschalige muziekleven zou eindigen. De Franse revolutie, die weliswaar technisch een mislukking was, had een drastische verandering teweeg gebracht in de rol van monarchen en adel. De hogere standen beseften, dat ze verantwoording waren verschuldigd aan de mensen, op wier zak ze teerden. Privé orkesten werden een toevallige luxe; bestaande oude werden vaak opgeheven, nieuwe werden niet meer gefor­meerd.

De ironie van het lot wilde, dat Beethovens revolutionaire Eroica, die voor het eerst in kleine kring in het Palais Lobkowitz werd uitgevoerd, één der laatste premières beleefde in een exclusief adellijk milieu. Uitvoerende musici in Wenen waren aangewezen op baantjes in de keizerlijke kapel, de hofopera of het Kärtnertor theater; dit laatste was trouwens nogal dubieus, want de exploitatie was afhankelijk van promotie, een "kunst," die men nog niet goed verstond aan het begin van de negentiende eeuw.

Beethovens latere leven ondervond veel schade van het feit, dat hij niet in staat was om de musici én het publiek tegelijkertijd bij elkaar te krijgen. Geen van tweeën bestond in betrouwbare, hechte vorm en er was niemand, die wist, hoe die twee-eenheid kon worden gesmeed. Getuige de successen van het koppel van Salomon en de oude Haydn was het Beethoven mogelijk in Londen wel gelukt, maar hij wilde niet uit Wenen weg. Net als voor veel andere musici was Wenen ook voor hem  - for better or worse - "thuis."

            See to their desks Apollo's repair
            Swift rides the rosin o'er the horse's hair!
            In unison their various tones to tune
            Murmurs the hautboy, growls the hoarse bassoon

Dat noteerden de Engelse humoristen Horatio en James Smith in 1812, dat een goed jaar moet zijn geweest voor klanken (inclusief kanonnen en klokken) wanneer we Tsjaikovski's gelijknamige ouverture voor de geest halen.

Dit bij wijze van essentieel voorspel bij een verhaal over de Wiener Philharmoniker. Dat hoort te beginnen met een stukje over het nemen van initiatieven en over een veranderende houding van de kunstenaar jegens de maatschappij (en vice versa). Het heeft iets van een Beethoveniaans of Jefferson-achtig) aanzien, omdat het gaat om een onafhankelijkheidsverklaring.

Tussen de noodzaak daarvoor en de vervulling ervan komt een triest stukje muziekge­schiede­nis. Tijdens de verdwijning van de laatste vorstelijke orkesten schreef Beethoven zijn laatste sonates en strijkkwartetten bij wijze van de fraais denkbare persoonlijke testamenten. Maar tijdens dit duistere interim schreef Schubert ook een van de drie grootste en mooiste symfonieën uit de hele 1Negende eeuw. Hij kreeg het werk zelf nooit te horen, omdat er niemand was om het werk uit te voeren. "Daar denk ik vaak aan terug als we het werk - de grote symfonie in C - spelen," zegt hoornist Volker Altmann, één der filharmonici.

De Wiener Philharmoniker richtte zichzelf veertien jaar te laat op om de levende Schubert nog iets goeds te kunnen bieden, al is daarna veel van de schade ingehaald. Maar dertig jaar na 1812 was het dan zover: de Wiener Philharmoniker werd opgericht, niet door gemeentelijke instanties of enige andere institutie, doch door de musici zelf, die meestal in Operaorkesten speelden. Zij bundelden enthousiast hun krachten en kwamen met resultaten. Franz Lachner, een dirigerende vriend van Schubert, had negen jaar eerder reeds een Künstlerverein opgericht die concerten organiseerde om de symfonieën van Beethoven uit te voeren en die na regelmatige samenkomsten in de herberg Zum Amor besloot de Wiener Philharmoniker te formeren.

Bij de oprichting speelden twee figuren de hoofdrol: Karl Otto Nicolai, toen pas 31 jaar en later vooral beroemd geworden met zijn opera Die lustigen Weiber von Windsor en Nikolaus Lenau, een dichter, die later triest in het gekkenhuis eindigde, maar die een obsessie had voor het werk van Beethoven. 28 Maart 1842, rond het middaguur, hief Nicolai het dirigeerstokje om de nieuwe Philharmonische Akademie in de grote Redoutensaal te leiden in het eerste van een reeks concerten waarin telkens een belangrijke symfonie op het programma stond.

Er bestond een aanzienlijke overlapping van personeel bij de drie Weense orkesten. De organisatoren leek dat van het Kärtnertor theater het meestbelovende. Zonder in het dispuut te treden, wat het oudste professionele orkest in Europa is, staat vast, dat de Weense musici, die in 1842 de basis voor het Filharmonisch Orkest legden, geen precedent kennen. Ze kozen eenvoudig een uitvoerend comité en regelden dus die Redouten­saal (de formele keizerlijke zaal) voor hun eerste optreden.

Nicolai leidde in totaal elf concerten voordat hij in 1847 Wenen verliet en in 1849 overleed; daarna ontstond enige stagnatie waarin het ensemble slechts tot tien volgende optredens kwam. Onder andere de revolutie van 1848 leidde tot die onderbrekingen zoals dat veel later, aan het eind van de Tweede Wereldoorlog nogmaals zou voorkomen. Medio januari 1860 leidde Carl Eckert het eerste van vier abonnementsconcerten en algauw ontstond een vast patroon van acht concerten per seizoen. Eckert bracht een bonus mee in de vorm van Wagner voor wie hij zich ook in de opera had ingezet. Eckert en Wagner waren een succes. In 1870 verliet het ensemble het Kärtnertortheater en betrok het zijn eigen huis, de Grosse Musikvereinsaal.

Vanaf dat moment is sprake van een continue geschiedenis die eigenlijk ook voortdurend is verbonden met grote namen uit de muziekwereld. Wat ooit was begonnen als een coöperatie, heeft dat karakter steeds behouden. Er zullen in de loop der tijd best interne conflicten zijn geweest, naar buiten toe werd steeds eenheid getoond.

Na Eckert kwam Otto Dessof, die de tegenpartij koos en zich voor Brahms inzette. Brahms speelde in 1871 zijn eerste pianoconcert met het orkest, maar om een of andere reden weigerden de leden van het orkest om zijn Serenade in D te spelen. Dessof, die was ingehuurd nadat hij een grote meerderheid van de stemmen op zich verenigde onderdrukte de opstand. Daarom mochten in 1873 de Haydnvariaties weer wel.

Hij werd op zijn beurt opgevolgd door Hans Richter die zelf als hoornist in het orkest was begonnen. Andere opvolgers waren Artur Nikisch en de componist/dirigent Franz Schmidt. Richter voerde vooral een campagne voor Bruckner. Merkwaardig genoeg werd hij tenslotte zowel bij de opera als de filharmonie vervangen door de man die vaak in één adem met Bruckner wordt genoemd: Mahler.

Mahler maakte zijn debuut bij het orkest tijdens de Parijse Wereldtentoonstelling in 1900. Mahler had de aantrekkingskracht van wat we nu een "controversiële persoonlijkheid" noemen. Gefascineerd door klank - zoals zijn eigen werken illustreren - experimenteerde hij voortdurend met de klankbalans en de opstelling van het orkest. Hoewel nooit drastisch sloeg hij zelfs aan het herorkestreren van de symfonieën van Beethoven en Schumann op basis van het feit, dat deze werken deels voor kleinere zalen waren geschreven, deels omdat ze zo ondoorzichtig waren georkestreerd. Misschien een best zinvol experiment. Later ondernamen ook Weingärtner, Tovey en Toscanini pogingen in die richting zonder daarmee te koop te lopen. Alleen de Weners hadden wat tegen de manier, waarop het werd gerealiseerd. De kaartverkoop liep goed, maar heel wat mensen kwamen alleen om boe te roepen. Mahler hield het vier jaar uit.

Daarna engageerde het orkest dirigenten per concert. Het spelschema werd opgezet volgens een plan, dat nu nog van kracht is. Het ging nog steeds om acht abonnementsconcerten per jaar, die voldoende tijd lieten om tussendoor onderhandelingen met dirigenten te voeren. Onder andere Richard Strauss, Karl Muck, Artur Nikisch, Felix Mottl, Felix Weingärtner en de jonge Bruno Walter voerden het orkest de twintigste eeuw binnen en verbonden hun lot aan het ensemble gedurende de eerste kwart eeuw.

Later, misschien wat inconsequent, maar wel in overeenstemming met de moeilijke tijden na de Eerste Wereldoorlog, probeerde men het weer met een vaste dirigent: Felix Weingartner, die bijna twintig jaar aanbleef. De Weners vonden hem hun elegantste dirigent. Hij nam het orkest de eerste keer mee op een tournee door Oostenrijk en maakte het orkest ook internationaal beroemd dankzij een stel Columbia LX opnamen met cyclusgewijs de symfonieën van Beethoven en Brahms. Tenslotte verliet hij het orkest en bijna niemand wist waarom. Mogelijk tengevolge van politieke intriges, mogelijk op grond van zijn ouderdom. Hoe dan ook, hij trok zich in Zwitserland terug. Tussen 1934 en 1937 gaf ook Arturo Toscanini liefst 46 concerten met het orkest.

Maar toen kwam Hitlers annexatie van Oostenrijk, de Anschluss in maart 1938. De nazi's hieven het orkest zelfs op en hoewel Furtwängler voor elkaar kreeg dat het decreet werd verzacht, moesten alle Joodse musici het ensemble verlaten; later kwamen zes van hen om in concentratiekampen.

Wilhelm Furtwängler was in 1939 tot chefdirigent van de Wiener Philharmoniker. Hij had toen al ruim vijftien jaar voor het orkest gestaan. Tijdens de moeilijke oorlogsjaren was Furtwängler met Richard Strauss de belangrijkste pijler onder het orkest. Een besmeurd blazoen, dat wel. Al op 16 september 1939 gasteerde het orkest in het Poolse Krakov, waar het eerste 'Duitse' concert plaatsvond in aanwezigheid van Dr. Hans Frank, die als gouverneur van het generaalgouvernement Polen als de 'slachter van Polen' in de beklaagdenbank van Neurenberg terecht zou komen.

Muziek van de Straussdynastie

Als blijk daarvan moet men eens luisteren naar de uitvoering van Johann Strauss' polka Vergnügungszug tijdens het Nieuwjaarsconcert 30 december 1944 onder Krauss. Dit is net zo'n blijk van positieve levenshouding als Till Eulenspiegel van die andere Strauss. De bewuste opname is ontleend aan het ene van een tweetal hieronder in de discografie genoemde cd albums dat DG in 1992 uitgaf ter herdenking van het 150-jarig bestaan van de Philharmoniker. Dat album bevat louter muziek uit de Strauss dynastie, gedirigeerd door niet minder dan dertien dirigenten van Mahlers discipel Bruno Walter tot jongere figuren als Zubin Mehta en Claudio Abbado met daar tussenin de reuzen Furtwängler en Karajan. Leuk in dit geheel is dat driemaal de Kaiserwalzer is vertegenwoordigd. Met een op uiterste élégance gerichte Walter (1937), een voor lekkere kruidigheid zorgende Furtwängler (1950) en een hier tere, somptueuze en vrij trage, want twee minuten langere Karajan (1987). Misschien met het voorgevoel van een naderend afscheid want de dirigent was toen 79 en stierf twee jaar later.

Kostelijke muziek, liefdevol uitgevoerd. En hoe terecht dat beroemde dirigenten dit moois wilden laten spelen. Het herinnert aan een uitspraak waarin wordt gezegd dat eind Negende eeuw "heel Wenen danste". Strauss zelf dirigeerde als Stehgeiger 22 april 1873 zijn eigen orkest in Wiener Blut en in Wenen was men nooit snobistisch als het erom ging "lichte muziek" uit te voeren; ook Brahms was een Straussfan.

Nostalgie: Willy Boskovski dirigeert het Nieuwjaarsconcert van de Wiener Philharmoniker in de Weense Musikverein in de jaren '50.

Hoe het later met de muziek van de Straussdynastie ging tijdens de Nieuwjaarsconcerten van de Weense filharmonici is uitgebreid gedocumenteerd: eerst op lp door o.a. Krauss en Boskovski (Decca, EMI), later op cd, tv en video door al die opvolgende groten: Maazel, Mehta, Muti, Abbado, opnieuw Karajan, Kleiber tot in 2001 de vernieuwende Harnoncourt aan toe (op Decca, DG, Sony, EMI, RCA en Teldec).

Hoewel de opvatting nog steeds omstreden is, zijn velen ervan overtuigd dat het echt wienerische karakter van de Philharmoniker zorgt voor een beter begrip en een juistere realisatie van de duisterder onderstromen uit de muziek van Mozart, Schubert en in wat mindere mate ook van Beethoven. Dat het orkest behalve mild en vriendelijk ook machtig en onaardig kan zijn, ondervond Mahler als eerste; hij verliet Wenen daarom ook ongelukkig. De affiniteit met die andere tijdelijke Wener, Haydn, is minder evident dan die met Bruckner, ook al was diens Weense lot erg wisselend.

Résumé van 150 jaar Weners

Daarvan getuigt dat tweede cd album van DG met twaalf schijfjes die 'live' opnamen uit het tijdvak 1940-1976 bevatten. Neem - wat Bruckner betreft - nr. 5 onder Schuricht uit 1963, waarin onnavolgbaar Bruckers spirituele onschuld naar voren wordt gebracht. Of de zeldzaam pakkende nr. 9 onder Karajan tijdens het Salzburg festival 1976. Dit album geeft een waardevol overzicht van wat het orkest gedurende een langere tijd aan centraal repertoire uitvoerde; de meeste uitvoeringen hebben ook wel iets bijzonders. Maar er zijn negatieve uitzonderingen, zoals Leonard Bernstein als solist/dirigent in Ravels pianoconcert in G uit 1971 en Clemens Krauss die in 1952 Stravinsky's Pulcinella gaf: daar blijkt dat het ensemble ook zijn stilistische grenzen bezat.

Dat het om essentieel 'live' opnamen gaat, heeft ook zijn beperkingen; correcties waren onmogelijk en soms is het aandeel (publieks) bijgeluiden storend, maar daar staat vaak een geëngageerder spel tegenover. Een bijzonderheid vormen de vertolkingen die Richard Strauss 15 juni 1944 zonder repetities vooraf in een lege zaal gaf van zijn Sinfonia domestica en Till Eulenspiegel (met een foute tweede noot van de hoornist aan het begin van zijn beroemde solo). Vier dagen eerder had hij zijn tachtigste verjaardag gevierd. Zijn uitvoering van Wagners Meistersinger voorspel is ontleend aan een gewoon concert uit datzelfde jaar.

Het geluid van de merendeels van de Oostenrijkse omroep stammende opnamen is soms verrassend goed, maar soms ook moeilijk aanvaardbaar, zeker in de forse tutti, hoewel er compensaties zijn dankzij  de voor Wenen kenmerkende brutale houtblazers. Maar de opname van Beethovens Missa solemnis door Krauss van 5 november 1940 heeft veel weg van een gezandstraald olieverfschilderij.

Ook Decca liet zich indertijd niet onbetuigd en kwam met een herdenkingsalbum met 12 cd's voor de 150-jarige Weners. Het gaat om een vergelijkbaar geheel uit het tijdvak 1951-1983 met uiteraard wel ander repertoire en deels andere dirigenten, zoals Pierre Monteux met twee symfonieën van Haydn, met respectievelijk Fritz Reiner en Lorin Maazel in Strauss' Tod und Verklärung en Don Quixote, George Szell in een Beethovenprogramma met onder meer de Egmont muziek, Georg Solti in Schuberts Negende symfonie, Zubin Mehta in Schumanns Eerste symfonie, Claudio Abbado in Beethovens Achtste en Bruckners Eerste en Willi Boskovski in een Straussprogramma.

Ook van EMI moet er een dergelijk overzicht over de vroegere periode 1928-1949 zijn, maar daarvan is in de catalogus anno 2000 niets meer terug te vinden. Aangevuld met de EMI albums over Karajans "Weense jaren" plus de aan de Weners gewijde cd's uit de "Karajan Edition" en "Furtwängler in Wenen".

Het behoeft geen nader betoog dat alk deze dirigenten iets persoonlijks inbrachten bij het orkest en evenzeer is duidelijk dat zelfs een orkest als dit prominente Weense ook een 'gewoon' soort veelhandig instrument is dat door de dirigent wordt bespeeld. Bekend is ook dat de blaasinstrumenten - hoorns, het intense koper als geheel en houtblazers, met name hobo's voorop - een uitgesproken eigen karakter bezitten. Niettemin heeft dit orkest een eigen karakter, een eigen persoonlijkheid met een duidelijk zelfbestuur (dat helaas nog steeds vrouwelijke orkestleden weigert) en een zelfstandige keus van de uit te nodigen dirigenten. Als zodanig is het ook de oudste instelling in Europa.

Als resultaat hebben de meeste vertolkingen van dit orkest iets herkenbaars, zoals de warme strijkersklank en het soort articulatie dat de individuele spelers realiseren met behulp van speciale streken. Dat alles vormt de kracht, maar soms ook de zwakte van het ensemble.

In de annalen van de Weners is nauwelijks Franse, Engelse, Italiaanse, Spaanse, Scandinavische en Amerikaanse muziek aan te treffen, maar ook naar Liszt, Prokofjev en Bartók zal men bijvoorbeeld vrijwel vergeefs zoeken. Al maakte Karajan in 1961 een opname van Holsts Planets.  Ook muziek van vóór Haydn is terra incognita. Zelfs aan de - al dan niet entartete - Mahler waagde men zich pas na de Tweede Wereldoorlog echt al had Bruno Walter op het nippertje in 1938 nog een Negende opgenomen. Hij was het ook die met Mahler in Wenen terugkeerde, eerst in 1948 met een Tweede symfonie, daarna in 1952 met dat bijzondere Lied von der Erde met Ferrier en Patzak; daarna volgde onder andere Scherchen in 1960 met een Zevende en nog weer later volgden afzonderlijke symfonieën met Bernstein, Abbado, Rattle en Boulez. Lorin Maazel was in de jaren tachtig de enige die een volledige Mahlersymfonie cyclus op Sony afleverde. Of dat nog steeds berust op lang nawerkende effecten van een ongemakkelijke directeur? Verrassender is eigenlijk dat er zo weinig van Mozart, Schubert en Brahms is. Böhm, Karajan en Abbado gingen daarvoor liever naar het neutralere (?) Berlijn.

Operataken

Sinds 1869, het jaar waarin de Opera in gebruik werd genomen - eerst de Hofoper tot 1918, later de Staatsoper - vervullen de Philharmo­niker een dubbelrol als operaorkest. Het bestaan van het orkest is feitelijk gered door een dirigent. Na de Anschluss door Hitler raakte het orkest in een moeilijk parket. Het ministerie van cultuur in Berlijn toonde vooral jaloezie en stichtte zelfs een alternatief ensemble om musici weg te lokken. Maar niemand uit de Philharmoniker gaf gevolg aan deze verlokking. Wilhelm Furtwängler ontpopte zich als een éénmanslobby in Berlijn en kreeg doorgaans zijn zin. Collegiaal werden Joodse musici tijdig aan onderduik- en uitreis­mogelijkheden geholpen. Na de oorlog heeft het jaren geduurd voordat weer Joden in het orkest plaats namen. Tijdens de oorlog ging men op heel Oosten­rijks lakse manier met nazimaatregelen om zover dat mogelijk was. Toen bijvoorbeeld de order werd uitgevaardigd, dat niet alleen de muziek van o.a. Mendelssohn, Mahler en andere niet-Ariërs niet meer mocht worden uitgevoerd, maar zelfs moest worden verbrand, heeft archivaris Franz Schreinzer op zoek naar de oven een tocht naar het huis van de concertmeester gemaakt, die over een ruime kelder beschikte, waar de manuscripten veilig konden worden opgeborgen. Jaarlijks verzorgen de Philharmoniker twee herdenkingsconcerten, het ene voor Nicolai, het andere voor Furtwängler.

Daarnaast zijn er negen andere concerten, acht abonnementsavonden in de Musikvereinsaal aan de Dumba- en Bösendorferstrasse achter het Imperial Hotel, dat op zijn beurt aan de Ring ligt, en het bekende Nieuwjaarsconcert dat om 12.00 begint en dat vroeger veelal in de Sofiensäle (waar men ook kon dansen), maar al lang ook in de Musikverein wordt gegeven. Clemens Krauss nam in 1952 die traditie weer op, gevolgd door de senior concertmeester Willi Boskovski, die net als Strauss als een soort Stehgeiger het ensemble leidde. Hij werd opgevolgd door bij toerbeurt (en afhankelijk wie vaste dirigent van het ensemble is of speciaal wordt uitgenodigd).

Het is razend moeilijk om een zitplaats te krijgen voor een concert door de Philharmoni­ker. Ongeveer 80% gaat rechtstreeks naar abonnementhouders (fraai 'geassocieerde leden' genaamd) en de rest is in een mum uitverkocht. Het orkest zou best meer concerten willen geven, maar dat is fysiek onmogelijk. Gedurende tien maanden vraagt de Opera bijna avond aan avond om een forse orkestbezetting, het Salzburg Festival en eventuele tournees eisten hun tol en dan zijn er verplichtingen jegens de muziekindustrie om opnamen te maken.

Volker Altmann: "Een beetje idealist moet je wel zijn, maar het is natuurlijk ook een eer. Voor ons levensonderhoud is de Opera van wezenlijk belang, de Philharmonie is onze renommee." Die symbiose is van het grootste belang. De Opera engageert de individuele musici op contractbasis. De totale pool bevat zo'n 150 musici, 124 daarvan behoren tot de vaste kern van de Philharmoniker, de overige hopen dat ooit te worden nadat ze hun lange proefperiode met succes hebben uitgediend volgens de toelatingscommissie. Vrouwen worden nog steeds niet toegelaten. Met andere woorden: de Philharmoniker selecteren, trainen en bedruipen het Operaorkest. Het leeuwedeel van het inkomen vloeit voort uit het werk in de opera, net als de basis van het pensioen (de opera is tenslotte een staatsinstelling). Dat pensioen bedraagt net als elders gewoonlijk zeventig procent van het laatst genoten salaris.

Volgens Helmut Wobisch, de eerste trompettist, bedroeg het gemiddelde vaste salaris medio 1959 80.000 Schilling. Daarbij komen dan inkomsten uit plaatopnamen, radio-uitzendingen, kamermuziekwerk - het Weens Octet, Konzerthaus-, Wiener Musikverein-, Baryllli-, Danubius­kwartet, de Blazers uit de Wiener Philharmoniker, de Wiener Solisten en -Virtuosen, het Ensemble Wien-Berlin, het Wiener Kammerensemble waren en zijn dergelijke afsplitsingen.

Bovendien geven de mensen aan de eerste lessenaars heel wat muzieklessen. aan de beroemde Akademie. Daar krijgen ze ook de elders wat hilarisch beschouwde, want opgeblazen titel Professor. Zo'n 52 leden bezitten deze docenttitel en o wee als ze door een buitenstaander niet met Herr Professor worden aangesproken.

Wobisch beschouwt het orkest als een heel democratische instelling: "Het is een grote familie van 124 leden. Over elk besluit wordt een geheime stemming gehouden. De verdiensten van concerten, tournees en opnamen worden gelijk verdeeld, ongeacht wie meespeelde. Het maakt qua bezetting nogal verschil of je Strauss' Also sprach Zarathustra of een late Haydnsymfonie doet, zoals afgelopen voorjaar. Maar de trombonisten en slagwerkers kregen gewoon hun deel. Vóór de Eerste Wereldoorlog werden de verdiensten op de bank gezet, maar toen ging tengevolge van de inflatie veel verloren. Nu worden bijvoorbeeld appartemen­ten gekocht. We bezitten er twee. Belegging in vastgoed is nuttig in Wenen, waar een permanent tekort aan woonruimte is."

Het orkest vormt trouwens het levende bewijs, dat musici ook zakenmensen kunnen zijn. "Bijna iedereen, die u hier ziet," zegt Wobisch tussen twee telefoontjes door in het drukke orkestbureau op de tweede verdieping in de Musikverein, "is een musicus: de president Dr. Otto Strasser, is violist, net als de bibliothecaris en de penningmeester, Walter Weller. Behalve de accountant en de PR dames speelt iedereen een instrument. We worden telkens voor een periode van drie jaar gekozen. Meestal zijn er meer baantjes dan beschikbare mensen, maar het werk wordt steeds gedaan."

Nog een verdieping hoger zetelt Dr. Slawicek in een bibliotheekachtig milieu. Elke meter van de wanden wordt in beslag genomen door geautografeerde foto's en schetsen, behalve de wanden, die zijn gevuld met ingebonden banden met concertprogramma's, die ruim een eeuw teruggaan. Daarnaast is er een collectie brieven met langzamerhand verblekende inkt van Brahms, Wagner, Mahler en Richard Strauss. Zelfs een lichte, stevige wandelstok van Beethoven is er te vinden. In elk ander museum zou deze afgesloten in een vitrine zijn opgeborgen, niet in de bibliotheek van de Philharmoniker.

Vanwege het zelfbestuur heeft de Wiener Philharmoniker geen vaste dirigent. De meeste vastigheid ontstaat tengevolge van het muzikaal leiderschap aan de Staatsopera. Het is een hele eer om door de Philharmoniker te worden uitgenodigd en dat is maar goed ook, want voor het honorarium hoeft een dirigent niet te komen.

Vroeger werd weleens geklaagd, dat de Weners de Amerikaanse mode volgden met een hoge, op brille gerichte stemming (A=447Hz). "Onzin," zegt Dr. Strasser, "dat gerucht is waarschijnlijk door zangers zonder voldoende hoogte in de wereld gebracht. Normaal houden we ons aan de internationale A (van 440Hz) en we komen zelden hoger dan 444Hz. Voor opnamen is 443Hz standaard praktijk."

Zuivere brille is dan ook niet het handelsmerk van de Wiener Philharmoniker. Dat is eerder een geheimzinnige transparante dieptewerking en van kamermuziek maken op grote schaal. De spelers lijken erg goed naar elkaar te luisteren. Eenmaal aangenomen verlaten musici de Philharmoniker ook hoogst sporadisch. Soms gaat het vaak over van vader op zoon, in de fluit- en hoorngroep bijvoorbeeld. Het muzikaal geven en nemen is tweede natuur én traditie geworden.

Wat onderscheidt de Weense filharmonici van andere toporkesten? Dirigenten met ervaring ter plekke uitten zich daarover als volgt:

- een musiceervreugde, gebaseerd op het goed naar elkaar luisteren, zoals dat in de kamermuziekwereld gebruikelijk is. Bovendien een sterk muzikaal bewustzijn, gepaard aan artistiek verantwoordelijkheidsgevoel (Abbado).

- een warme, ronde klank, die zich naar alle interpretatieve voorstellingen voegt. Geen orkest kan zo duidelijk fraseren, zo elegant en logisch (Maazel).

- het onmiddellijk herkennen van de Weense klank hangt niet alleen af van de specifieke kwaliteit van de Weense hoorn en de oude hobo, maar ontstaat doordat dit ensemble met zijn instrumenten spreekt (Muti).

- er is geen orkest, dat met zijn diepe, ronde klank zo ideaal past bij het ideaal van de burgerlijke kunstmuziek. Het regelmatig in de opera spelen zorgt voor extra plooibaar­heid; de orkestleden zijn gewend om met de zangers mee te ademen (Schirmer).

- de basis wordt gevormd door de strijkers met hun unieke, fluwelen klank. Elders vind je vermoedelijk betere hout- en koperblazers. Het is ook van voordeel, dat alle nieuwe musici uit eenzelfde school komen. De Weense hoorn bijvoorbeeld klinkt prachtig, maar is moeilijk bespeelbaar. Invoering van scherper klinkende Amerikaanse instrumenten en Franse houtblaasinstrumenten moet absoluut worden vermeden! (Solti).

Uit het orkest komen vergelijkbare reacties in een gesprek met Werner Resel, Walter Blovsky en Roland Altmann. Net als in Berlijn valt het momenteel in Wenen op, dat het ensemble wordt verjongd. "Het kwaliteitsniveau hangt inderdaad duidelijk af van de leeftijdstructuur van zijn leden. In de jaren zeventig hadden we daar een probleem mee, maar nu ligt de gemiddelde leeftijd al veel gunstiger rond de veertig."

Wat zijn de voor- en nadelen van een regime zonder vaste dirigent?

"We moeten aan interne kwaliteitsbewaking doen, kunnen collegialer met elkaar omgaan, maar ook meer onderlinge kritiek uiten. De meeste dirigenten vinden het een eer als ze door ons worden uitgenodigd. Wie ons minder goed bevalt vragen we niet nog eens. Afwisseling zorgt verder voor meer levendigheid. We moeten er niet aan denken één dirigent voor het leven te hebben, zoals dat in Berlijn het geval was!"

Hoe denkt het gemiddelde orkestlid over vrouwen in het orkest?

"Of en in welke vorm een besloten vereniging, die zijn statuten zelf maakt, op lange termijn rekening moet houden met maatschappelijke ontwikkelingen, zal de tijd leren. Eens komen er zeker vrouwen in het orkest. Maar vergeet niet, dat onze traditie feitelijk tot de in 1498 opgerichte Hofmusikkapelle teruggaat. Daar gold eeuwenlang het 'Zwijgen van de vrouw in de kerk'." Er schijnt sprake van te zijn, dat het orkest wil overstappen op luider klinkende instru­menten.

"Daarmee wordt op de strijkers gedoeld, maar ik ken geen orkest, waar ik zo luid kan spelen zonder de anderen van het podium te vagen. Onze eigen 'sound' zou bovendien verloren gaan en als je aan de samenstelling gaat morrelen, gaan misschien ineens de houtblazers een dominerende rol spelen. Ons strijkerstapijt is dik genoeg en nu klinkt elk houtblaasinstrument veel homogener, beter geïntegreerd. Misschien ook wat minder solistisch, maar So what?"

Hoe zwaar bezet is het dagelijks leven van een Philharmoniker?

"Als we even de flinke klus van de operabegeleidingen buiten beschouwing laten, geven we per seizoen tien abonnementsconcerten, tenminste vier speciale concerten, enige festivaloptredens en gaan we een paar keer op tournee. Vergeet verder het Nieuwjaars- en Allerzielenconcert niet. Daarnaast zijn er de nodige engagementen om cd's en beeldregistraties te maken."

Ontvangt het orkest veel staatssubsidie?

"Met een vrij magere 1,25 miljoen OS is het wel bekeken."

Al een paar keer kwamen de Weense hobo en hoorn ter sprake. Wat is daar zo bijzonder aan? De typische Weense hobo klinkt week en toch pittig. Minder nasaal en "mekke­rend" dan zijn Franse evenknie, die echter een halve toon lager reikt. Het Weense laag is echter ronder en ook de hoge tonen klinken stabieler. Grote intervalsprongen zijn makkelijker te realiseren. Om dat alles te bereiken, moet de Weense hoboïst wel meer als een hoge druk pomp werken.

De in Wenen gebruikte hoorn in F, een product uit de vorige eeuw, ontleent zijn bijzondere klankkleur aan de werking van de pompventielen, die trager reageren dan de gangbaarder rotatieventielen, maar die zo wel mooiere voordrachtsbindingen mogelijk maken. Ook hier verbruikt de speler meer adem, wat extra belastend is. Maar behalve die nadelen heeft de Weense hoorn ook het voordeel van een nobele, romantische klank.

DE 150STE VERJAARDAG

Erfenis en missie

De enige echte dissonant klonk al vóór het feest, dat 29 maart 1992 in de Musikverein werd gevierd. De Oostenrijkse minister voor vrouwenzaken, Johanna Dohnal, vond het terecht hoogste tijd, dat het ensemble plaats inruimde voor vrouwelijke leden. Dat ze niet kon ingrijpen in de statuten van de vereniging, die de Philharmoniker vormen, was haar duidelijk. Maar, dreigde ze, wanneer het orkest in één van zijn drie, compleet mobiliseerbare bezettingen in de Staatsopera speelt, heeft ze wel degelijk middelen om te interveniëren.

Als ongeveer laatste topklasse orkest zijn de Wiener Philharmoniker nog een volslagen mannenbastion volgens het simplistische motto, dat "vrouwen nu eenmaal minder goed zijn en altijd problemen geven."

Men neemt ze dan ook slechts bij uitzondering waar en bij voorkeur achter de schermen bij een opname of in de operabak: twee piccolo's in een paar maten uit de laatste akte van Wozzeck, een harpiste bij de DG opname van Bergs Orkeststukken op. 6.

Het contrast blijkt pas goed, wanneer onmiddellijk na een opnamenessie van Bruckners Zevende symfonie de Philharmoniker mannen de Musikverein verlaten om plaats te maken voor het Wiener Jeunesse orkest, dat voor het die avond te geven concert komt repeteren. Zonder precies te tellen, lijkt de m/v verhouding daar fifty-fifty. Je vraagt je wel af waar al die andere Oostenrijkse musiciennes blijven. Bij omroep- en provinciale ensembles waarschijnlijk. Of wacht slechts emigratie of een lespraktijk? Ook de Sinfoniker vormen nog steeds een essentieel mannenclub, zoals tijdens een  vrij parallelle waarneming in het Konzerthaus bleek.

Tijdens die 150e verjaardag was geen gebrek aan gemeenplaatsen in de toespraken. Kurt Waldheim: "Ze hebben ons leven verrijkt en veel vreugde gebracht. Ze zijn een zinne­beeld van een Oostenrijkse en wereldomspannende cultuur, die grenzen en harten opent. Juist door hun talrijke tournees hebben ze veel aan muzikale tradities, aan culturele en humanitaire waarden vergaard en verspreid."

In Nederland ondenkbaar was ook een kardinaal als gastspreker: Franz König, die het had over "de spirituele boodschap, over de vredestichtende muziekboodschap." Zo werd die verjaardag niet alleen met muzikale middelen gevierd, maar ook met de inbreng van wereldlijke en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders. Geen wonder, dat ook nog een plechtige mis in de Hofburgkapel werd opgedragen door de "Bischofsvikar für Wissen­schaft, Kunst und Kultur," Christoph Schönborn. Ter omlijsting werd passend Nicolai's Mis in D uitgevoerd. Met de Wiener Sängerknaben en al.

De voorzitter van de Philharmoniker vereniging, Werner Resel, merkte nogal ironisch op, dat "Het grote publiek vaak meer geïnteresseerd was in het feit of Furtwängler dan wel Karajan dirigeerde dan in de uit te voeren muziek en in het lot van de bondskanselier." De stichting van het orkest noemde hij "een sensationeel en moedig idee, dat tot de verwezenlijking van een van de oudste democratische instellingen in Oostenrijk leidde."

Kanselier Vranitzky temperde zijn lof wat door ook nog eens op te merken, dat de jubilaris nog een bolwerk van mannelijkheid is"; vervolgens ontving hij zijn gasten aan de Ballhausplatz.

En het muziekgedeelte zelf? Claudio Abbado dirigeerde behalve de ooit voor de Weners geschreven Fanfare van Richard Strauss nog Wagners Meistersinger ouverture en Beethovens Leonore 3 ouverture; het orkest toonde wat het onder klankschoonheid verstaat.

De vrijdag tevoren was het feest al enigszins gevierd met een gedeeltelijke herhaling van het programma van het allereerste optreden van het "k.k. Hofopernorchester" onder Otto Nicolai, 150 jaar eerder. Ging het 28 maart 1842 om een drie uur (!) durende "Akademie," ditmaal stond Beethoven met de genoemde ouverture, de scène Ah perfido! en de Zevende symfonie centraal. Cheryl Studer, op dat moment een van Abbado's lievelingszangeressen, zong verder Mozarts voor de Weense opvoering van Idomeneo nagecomponeerde scène en rondo "Non temer amato bene" KV 490, waarin concert­meester Gerhart Hetzel violistisch als bel canto artist met fluwelige viooltoon en veel noblesse quasi meezong. Als matinée werd het programma de 2Negende herhaald.

De Weners als muziekconserven

Geen zichzelf respecterend platen- of cd label, of het heeft opnamen van de Weners in zijn bestand: CBS/Sony, Decca, DG, HMV/EMI, Philips, Telarc. De discografie van het orkest is enorm groot en groeit gestaag.

Voor menigeen vormen die muziekconserven en het jaarlijks door de TV uitgezonden Nieuwjaarsconcert de enige indirecte kennismaking met het orkest. Wat dat betreft is het jammer, dat de fonografie veel jonger is dan de fotografie. Anders zouden nu veel meer geluidsdocumenten ter beschikking staan. Bovendien moesten orkesten, grote klanklichamen in het algemeen, veel langer wachten op klankmatige genoegdoening op schellak en vinyl dan zangers en violisten, die met hun dikwijls anonieme begeleiders al in de steentijd van de 78-toeren opname makkelijker voor de trechter waren te "van­gen."

Pas nadat de speelduur was opgevoerd, de dynamiek werd verruimd, het frequentiebe­reik werd vergroot en de vervorming was gereduceerd, kregen orkesten een kans om zich enigermate redelijk te laten horen per plaat. In de jaren twintig maakten de Weners in de Mozartzaal van het Konzerthaus hun eerste opnamen voor His Master's Voice. Franz Schalk, Bruno Walter, Clemens Krauss en Robert Heger dirigeerden. Beroemd werden de in de jaren dertig van de afgelopen eeuw gemaakte opnamen van de Beethoven symfonieën door Felix Weingärtner en de eerste Mahlerwerken door Bruno Walter.

Gauw na de tweede wereldoorlog, na de invoering van de lp werd de draad weer opgenomen. Kort voor hun dood maakten o.a. Clemens Krauss (Salome, Fledermaus, symfonische gedichten van Strauss, Nieuwjaarsconcert), Furtwängler (Fidelio, Walküre, symfonieën van Beethoven, Brahms, Franck en Tsjaikovski), Erich Kleiber (Nozze di Figaro, Rosenkavalier), Hans Knappertsbusch (Meistersinger, Weense walsen), Josef Krips (Don Giovanni) en Bruno Walter (Lied von der Erde) een aantal van hun mooiste opnamen in Wenen.

Rond het midden van de jaren vijftig ging Decca intensief aan de slag. Het grootste project van producer John Culshaw was de spectaculaire uitgave van Wagners complete Ring onder Georg Solti in '58. Maar ook Karajan kreeg in Wenen zijn eerste kansen met o.a. een 5e Beethoven, een Brahms Requiem plus Mozarts Figaro en Zauberflöte, later gevolgd door onder meer een Derde Brahms, Zevende Beethoven, Achtste Dvorák, Adams Giselle, Strauss' Zarathustra, Bizets Carmen, Verdi's Aida en Otello en Puccini's Tosca, maar dus ook Holsts Planets en balletmuziek van Tsjaikovski.

Niet te versmaden destijds in het Decca repertoire waren ook de opnamen van de complete Tsjaikovski- en Sibeliussymfonieën onder Maazel. Ook nu nog geven die opnamen blijk van veel muzikale pracht, briljant orkestspel en een opulente klank. Later keerde Maazel terug met onder meer een wat omstreden, doch respectabele Mahlerserie voor CBS, die nu op Sony Classical verkrijgbaar is.

Wel nam eind jaren zestig de Weense platenvloed duidelijk af. Andere orkesten - uit Berlijn, Londen, Amsterdam en de V.S. - genoten de voorkeur van de mediagroten met hun vaak onverklaarbare commerciële en financiële voorkeuren. Tengevolge van de eerder genoemde veroudering was het orkest toen misschien ook niet op zijn best. Vandaar waarschijnlijk, dat er maar zo weinig opnamen met de oude Karl Böhm zijn.

In de jaren tachtig werd een nieuwe, vruchtbare era ingeleid. Het orkest zocht samenwerking met dirigenten als Bernstein, Giulini, Mehta, Levine, Harnoncourt, Kleiber, Ozawa, Maazel (die geruime tijd chef was), Abbado (zijn opvolger). Ook Philips ging nu naast DG en Telarc registraties met de Weners maken. Zelfs met Karajan werden in zijn nadagen weer opnamen gerealiseerd: een Zevende en Achtste van Bruckner en zelfs een Nieuw­jaarsconcert.

Geleid door een hen welgevallige dirigent, kent het Weense orkest zijns gelijke nauwelijks. Als buitenstaanders, niet Centraal- en Rand Europeanen zoals Colin Davis (Berlioz), Aram Khatchatoerian (Gayaneh), Pierre Monteux (Haydn), Lorin Maazel (Mahler, Tsjaikovski, Sibelius, Berio), Carlos Kleiber (Beethoven, Brahms), Carlo Maria Giulini (Bruckner), Giuseppe Sinopoli (Zemlinsky), Kirill Kondrashin (Beethoven, Dvorák), Myung-Whun Chung en Seiji Ozawa (Dvorák), Christoph von Dohnányi (Glass, Schnittke, Schönberg), Mariss Jansons (Sjostakovitsj), Kubelík (Martinu en Smetana), André Previn (Orff), Valery Gergiev (Tsjaikovski), de lang gemeden Nikolaus Harnoncourt (Bruckner, Mozart) en John Eliot Gardiner (Chabrier), Rattle. Ook Haitink toog naar Wenen om in het hol van de leeuw Bruckner op te nemen.

Pas Claudio Abbado waagde het met een paar werken van de Tweede Weense School, zoals orkestwerken van Webern en Schönbergs Überlebender aus Warschau (al had Böhm wel ooit Schönbergs Pelléas et Mélisande uitgevoerd), Schönbergs Gurre-Lieder (DG 439.944-2) en nog moderneren als Boulez, Ligeti, Nono en Rihm op een DG cd en Nono, Furrer, Kurtág en Rihm op een andere in de te vroeg gestaakte serie Wien Modern.

Het in de loop der jaren verschenen opnamen is legio en zou een interessante, maar in dit kader te lange opsomming vergen. Interessanter is het te wijzen op een drietal jubileumuitgaven, dat niet alleen herinnert aan de lange traditie en de cultureel-informa­tieve betekenis, maar ook aan de veelzijdige mediale mogelijkheden, die de Wiener Philharmoniker door de jaren heen zo goed benutten.

De Decca uitgave bevat louter studio-opnamen uit het tijdvak 1950 tot 1982. De meeste registraties vonden toen nog niet in eigen huis - de Musikverein - plaats, doch in de vroeger bij voorkeur voor bals gebruikte Sofiensäle. We horen o.m. Karajan, Kleiber sr., Walter, Krauss, Knappertsbusch, Monteux, Solti, Szell, Bernstein, Maazel, Mehta, Böhm, von Dohnányi en Solti aan het werk.

Het DG album biedt een breder spectrum in de tijd gezien, beginnend met een nogal vervormd klinkende en ook in ander opzicht nogal begrensde Missa solemnis van Beethoven door Krauss. Maar er zijn ook kwalitatief heel mooie en interessante bijdragen van Knappertsbusch, Klemperer, Schuricht, Strauss, Furtwängler, Karajan, Böhm, Walter en Bernstein.

Voor wie meer wil lezen over de Wiener Philharmoniker staat heel wat literatuur ter beschikking. Speciale aanbeveling verdient het boek van het echtpaar Herta Singer en Kurt Blaukopf.

Literatuuropgave (een bescheiden keus):

Die Wiener Philharmoniker. Herta en Kurt Blaukopf. Löcker Verlag, 1992.

Botschafter der Musik. Boese en Rottensteiner, Wenen 1967.

Philharmonische Begegnungen. Burghauser, Zürich, 1979.

Seid umschlungen, Millionen. (Nieuwjaarsconcert traditie). Diemann, Wenen 1983.

Die Wiener Philharmoniker. Endler, Wenen 1986.

Philharmonische Capriolen. Ohlberger, Wenen 1992.

Die Wiener Philharmoniker und ihre Dirigenten. Purdom, Klagenfurt 1991.

Speciale CD uitgaven:

150 Jahre Wiener Philharmoniker. DG 435.321-2 (12 cd's).

Wiener Philharmoniker spielen Johann und Josef Strauss. DG 435.335-2 (2 cd's).

Wiener Philharmoniker - 150 Jahre. Decca 433.330-2 (12 cd's).

Enige van de hierboven ter sprake gekomen bijzondere opnamen:

Claudio Abbado:   

Berg: 3 Orkeststukken; 7 Vroege liederen; Der Wein. Met Anne Sofie von Otter. DG 445.846-2.

Berg: Lyrische suite; Lulusuite; Altenberg liederen. Met Juliane Banse. DG 447.749-2.

Boulez: Notations I-IV; Ligeti: Atmosphères; Lontano; Nono: Canto d'amore; Rihm: Départ. Met koor. DG 429.260-2.

Bruckner: Symfonieën nr. 1, 4, 5 en 9. Respectievelijk DG 453.415-2, 431.719-2, 445.879-2 en 471.032-2.

Mahler: Symfonieën nr. 2, 3, 4 en 9; Adagio uit nr. 10. Met solisten en koren. Respectievelijk DG 453.037-2 (2 cd's), 410.715-2 (2 cd's), 423.564-2. 

Webern: Passacaglia; Orkeststukken op. 6 en 10; Variaties op. 30; Ricercata;Schönbergs Überlebender aus Warschau DG 431.774-2.

Furrer: Face de la chaleur; Kurtág: Samuel Beckett; What is the word?; Nono: No hay caminos; Rihm: Bildlos/Weglos. Met solisten en koor. DG 437.840-2.

Leonard Bernstein:

Mahler: Symfonieën nr. 5, 6 en 8; Kindertotenlieder. Met Thomas Hampson e.a. Resp. DG 423.608-2, 427.697-2 (2 cd's), 435.102-2 (2 cd's).

Pierre Boulez:     

Mahler: Symfonieën nr. 5 en 6. Resp. DG 453.416-2 en 445.835-2.

Myung-Whun Chung:

Dvorák: Symfonieën nr. 3 en 7. DG 449.207-2.

Rossini: Stabat mater. Met solisten. DG 449.178-2.

Colin Davis:          

Berlioz: Symphonie fantastique. Philips 432.151-2.

Berlioz : Roméo et Juliette. Met solisten en koor. Philips 442.134-2.

Chr. von Dohnányi:

Glass: Vioolconcert; Schnittke: Concerto grosso nr. 5. Met Gidon Kremer. DG 437.091-2.

Schönberg: Erwartung. Met Anja Silja. Decca 448.279-2 (2 cd's).

Wilhelm Furtwängler:    

Furtwängler in Wenen". EMI 566.770-2 (3 cd's).

Franck: Symfonie. Dante Lys LYS 124.

John Eliot Gardiner:     

Chabrier: Espana; Habanera; Suite pastorale; Marche française; Fête polonaise; Ouverture Gwendolyne; Larghetto voor hoorn en orkest; Prélude pastoral. DG 447.751-2.

Valery Gergiev:   

Tsjaikovski: Symfonie nr. 5. Philips 462.905-2.

Carlo Maria Giulini:      

Bruckner: Symfonieën nr. 7-9.  Respectievelijk DG 445.553-2, 445.529-2 en 427.345-2.

Bernard Haitink:        

Brahms: Pianoconcert nr. 2. Met Vladimir Ashkenazy. Decca 410.199-2.

Brahms: Deutsches Requiem. Met Gundula Janowitz, Tom Krause en koor. Philips 446.581-2.

Bruckner: Symfonieën nr. 3, 4, 5, 8 en Te Deum. Philips 422.411-2, 412.735-2, 422.342-2 en 446.659-2.

Nikolaus Harnoncourt:

Bruckner: Symfonie nr. 7. Teldec 3984-24488-2.

Mozart: De 5 Vioolconcerten; Concertante symfonie. Met Gidon Kremer en Kim Kaskashian. DG 453.043-2 (2 cd's).

Mariss Jansons:  

Sjostakovitsj: Symfonie nr. 5. EMI 556.442-2.

Herbert von Karajan:

"Karajan in Wenen" 1946-1949. EMI 566.483-2 (10 cd's).

 Holst: The Planets; Elgar: Enigmavariaties. Decca 452.303-2.

Joh. Strauss II: Ouvertures, dansen. EMI 566.395/6-2 (2 cd's).

Carlos Kleiber :      

Beethoven : Symfonieën nr. 5 en 7. DG 447.400-2.

Brahms: Symfonie nr. 4. DG 457.706-2.

Kirill Kondrashin:        

Beethoven: Vioolconcert. Met Kyung-Wha Chung. Decca 425.035-2.

Dvorák: Symfonie nr. 9. Decca 430.702-2.

Aram Katsjatoerjan:

Suite uit Gayaneh. Decca 458.006-2.

Rafael Kubelík:   

Martinu: Fresques de Piero della Francesca. Orfeo C 521.991.

Smetana : Má vlast. Decca 458.650-2.

Lorin Maazel:

Berio: Un re in ascolto. Met solisten. Sony  20005 (2 cd's).

Mahler: De 10 symfonieën. Met solisten en koren. Sony 48198 (14 cd's, ook afzonderlijk leverbaar)

Sibelius: De 7 symfonieën. Decca 430.778-2 (3 cd's).

Tsjaikovski: De 6 symfonieën; Manfred. Decca 430.787-2 (4 cd's).

Pierre Monteux:

Haydn : Symfonieën nr. 94 en 101; Brahms: Haydnvariaties. Decca 452.893-2.

Seiji Ozawa:                

Dvorák: Symfonieën nr. 8 en 9; Ouvertures In de natuur en De middagheks. Philips 434.990-2 en 432.996-2.

André Previn:     

Orff: Carmina burana. Met Barbara Bonney, Frank Lopardo, Anthony Michaels-Moore en het Schönberg koor. DG 439.950-2.

Simon Rattle:        

Mahler: Symfonie nr. 9; Strauss: Metamorphosen. EMI 556.580-2 (2 cd's).

Hermann Scherchen:  

Mahler: Symfonie nr. 7. AS Discs AS 302 (1960).

Giuseppe Sinopoli:  

Zemlinsky: Lyrische Symphonie. Met solisten. DG 449.179-2.

Georg Solti:      

Wagner: Ring des Nibelungen. Decca 455.555-2 (14 cd's).

George Szell:         

Beethoven: Egmont (compl.). Met Pilar Lorengar. Decca 448.593-2.

Bruno Walter:         

Mahler: Symfonie nr. 2. Nuova Era 23145 (1948).

Mahler: Symfonie nr. 9. Dutton CDEA 5005 (1938)

Mahler: Lied von der Erde. Met Kathleen Ferrier en Julius Patzak. Decca 414.194-2.

Nieuwjaarsconcerten

Nieuwjaarsconcerten onder Willi Boskovski. Decca 455-254-2 (6 cd's).

Nieuwjaarsconcert 1979 onder Willi Boskovski. Decca 448.572-2.

Nieuwjaarsconcert 1987 onder Herbert von Karajan. DG 419.616-2.

Nieuwjaarsconcert 1988 onder Lorin Maazel. DG 445.300-2 (2 cd's).

Nieuwjaarsconcert 1989 onder Carlos Kleiber. Sony 45564 (2 cd's) en 45938 (selectie).

Nieuwjaarsconcert 1990 onder Zubin Mehta. Sony 45808.

Nieuwjaarsconcert 1991 onder Claudio Abbado. DG 431.628-2.

Nieuwjaarsconcert 1992 onder Carlos Kleiber. Sony 48376.

Nieuwjaarsconcert 1993 onder Riccardo Muti. Philips 438.493-2.

Nieuwjaarsconcert 1994 onder Lorin Maazel. Sony 46694.

Nieuwjaarsconcert 1995 onder Zubin Mehta. Sony 66860.

Nieuwjaarsconcert 1996 onder Lorin Maazel. RCA 09026-68421-2.

Nieuwjaarsconcert 1997 onder Riccardo Muti. Philips 438.493-2.

Nieuwjaarsconcert 1998 onder Zubin Mehta. RCA 09026-63144-2 (2 cd's).

Nieuwjaarsconcert 1999 onder Lorin Maazel. RCA 74321-61687-2.

Nieuwjaarsconcert 2000 onder Riccardo Muti. EMI 567.323-2.

Nieuwjaarsconcert 2001 onder Nikolaus Harnoncourt. Teldec 8573-83563-2.


terug naar index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links