Encyclopedie van de Opera - O

opéra-comique

 

© Paul Korenhof

 

N.B. Zolang dit deel van de site onder constructie is, zullen niet alle trefwoorden en links toegankelijk zijn of functioneren.

opéra-comique

De huidige verwarring rond de term 'opéra comique' is deels te herleiden tot een verschuiving van de woordbetekenis. In het Frans en tot in de vorige eeuw ook in het Nederlands was 'comédie' (meestal gespeld als 'comedie') een normale aanduiding voor 'toneel', 'schouwburg'. Zo heet het oudste Franse toneelgezelschap nog altijd Comédie Française en op de gevel van menige schouwburg prijkt de benaming 'Comédie', terwijl u misschien aan de andere kant van het plein het 'Théâtre Lyrique' zult zien, de oude benaming voor 'operatheater'. Nederlandse equivalenten vinden we nog in 'De Kleine Komedie' voor het uit 1786 daterende Théâtre Français in Amsterdam, en in de oude, in België nog steeds gangbare aanduiding 'lyrisch toneel' voor 'opera'. Als in romans van Louis Couperus de personages naar 'de comedie' gaan, betekent dat dus gewoon dat zij naar het toneel gaan. Ook na de Tweede Wereldoorlog werd het woord comedie in het Nederlands nog gebruikt in de neutrale betekenis van 'toneel' of 'toneelgezelschap' getuige de benamingen van de twee belangrijkste gezelschappen uit die tijd: de Nederlandse Comedie en de Haagse Comedie. Ook in modern Nederlands betekent 'komedie spelen' nog steeds 'toneel spelen'. *)

Les Enfants du Paradis
De tegenstelling tussen de gezongen 'opera' en de gesproken 'comedie' ligt waarschijnlijk ook ten grondslag aan de term 'opéra-comique' als aanduiding voor 'opera met gesproken dialogen'. Voor het ontstaan ervan moeten we teruggaan naar de zeventiende eeuw, toen een belangrijk deel van het Parijse vertier zich afspeelde op de 'foires', een combinatie van markt en kermis zoals we die nog kennen uit de openingsscènes van de film Les enfants du paradis. Aanvankelijk werden daar uitsluitend toneel gespeeld, eerst op geïmproviseerde podia, later in kleine theatertjes, maar na enige tijd werkten ook musici en pantomimespelers aan de voorstellingen mee.
De term 'opéra-comique' werd voor het eerst vermeld toen in 1712 op de Parijse Foire Saint-Germain een 'troupe' neerstreek met de naam Nouvel Opéra Comique de Baxter et Saurin, een reizend gezelschap met een repertoire van luchtig toneel en zangnummers. Er was echter één probleem, want beducht voor concurrentie hadden de Parijse toneelgezelschappen van het stadsbestuur gedaan gekregen dat op dat moment in de Foire-theaters een spreek- en zangverbod heerste. Van de nood werd toen een deugd gemaakt. De gesproken dialogen werden omgezet in pantomime en zodra het orkest inzette, hielden de acteurs grote kaarten omhoog met daarop de tekst van hun liederen. Omdat de melodieën makkelijk in het gehoor lagen of zelfs algemeen bekend waren (het was de tijd van de 'vaudeville'), nam het publiek toen met groeiend enthousiasme zelf de zang voor zijn rekening, wat natuurlijk de populariteit van deze voorstellingen alleen maar vergrootte.

Definitieve splitsing
Het gevolg was voorspelbaar: de 'forains' kregen weer vergunning om zelf hun teksten te brengen en in 1714 werd de benaming 'opéra-comique' officieel erkend ter aanduiding van deze snel in populariteit groeiende vorm van muziekthea¬ter die gesproken dialogen en zang combineerde. Dit had weer tot gevolg dat nu ook het officiële Parijse operatheater, de Académie de la Musique et de la Danse, zich bedreigd voelde en zich aansloot bij de andere protesterende gezelschappen. Een nieuwe periode van verbieden en toch weer toestaan was het gevolg, maar het Parijse publiek liet zich de nieuwe kunstvorm niet meer ontnemen en na enkele decennia van touwtrekken won het Foire-theater de strijd.
De première van La Fileuse van Jean-Joseph Vadé op 3 februari 1752 markeert het moment waarop de Opéra-Comique voorgoed de status van kermisattractie was ont¬groeid. De concurrentie met de Académie (beter bekend als 'de grote Opéra') duurde voort, maar nu volgens nauwkeurig omschreven spelregels die aan beide instellingen een eigen repertoire toekenden. De Opéra speelde klassieke tragedies waarin uitsluitend gezongen en gedanst werd, terwijl de Opéra-Comique zich ont¬fermde over werken met een merendeels luchtiger karakter voor een breder publiek. Essentieel was echter niet de inhoud, maar het feit dat die werken een combinatie moesten vormen van muziek, zang en gesproken dialogen. En zoals ballet verboden was in de Opéra-Comique, zo waren gesproken dialogen taboe in de Opéra.

Concurrentie
Natuurlijk hadden de werkjes die op de Foire Saint-Germain werden gespeeld, een sterk amusementskarakter, maar toen de opéra-comique officieel erkend was en zich uiteindelijk vestigde in de Salle Favart, later bekend als 'de Opéra-Comique', kwam ook daarin verandering. Enerzijds gebeurde dat onder invloed van de concurrentie met de nabijgelegen 'Opéra, anderzijds ook onder invloed van de Franse theatertraditie die in feite geen strenge scheiding tussen 'toneel' en 'opera' toelaat en die ook veel meer tekstgericht was dan bijvoorbeeld de Italiaanse opera.
Het samengaan van gesproken woord en zang, inherent aan het Franse theater uit die tijd, leidde bijvoorbeeld tot een populair subgenre als de 'comédie mêlée d'ariettes'. Dit toneel waarbij de dialogen vloeiend overgingen in een groot aantal korte aria's, was geschreven voor doorgewinterde acteurs met een volwaardige zangopleiding en die theatervorm werkt in de 19de eeuw nog door in het werk van Eugène Labiche, wiens theaterteksten op het eerste gezicht meer weg hebben van musicals dan van toneelstukken.

Offenbach
Dat alles leidde ertoe dat de opéra-comique zich langzaam verwijderde van haar oorsprong als 'kermisvermaak' en steeds meer uitgroeide tot een volwaardige concurrent van de Opéra, maar wel met een repertoire waarin de combinatie van muziek en gesproken woord essentieel was. Daarmee werd de basis gelegd voor omvangrijker en ook meer serieuze werken als Manon, Mignon en Carmen, maar door deze uitgroei van de opéra-comique naar een serieuzer en grootschaliger operavorm, kreeg het Parijse publiek behoefte aan een nieuw muzikaal amusement van het 'populaire' soort dat het op de Foires gewend was.
Een man die daar met enorm succes op inspeelde, was Jacques Offenbach die in februari 1855 toestemming kreeg voor de uitvoering van korte muzikale kluchten, uitgevoerd door een klein orkest en slechts enkele acteur-zangers. Deze korte werkjes voor twee tot vijf solisten en een speelduur van hooguit een uur werden uitgevoerd in een zaaltje voor driehonderd toeschouwers, door Offenbach omgedoopt tot Bouffes Parisiennes, en omdat voor dit genre nog geen officiële aanduiding bestond, noemde hij zijn composities 'opérettes' (operaatjes).

Operette
Nog tot in de vorige eeuw bleef in Frankrijk de naam 'opérette' voorbehouden aan werkjes van geringe omvang en de avondvullende werken van Offenbach werden er opgevoerd als 'opéra bouffe' of gewoon 'opéra comique'. De naam drong echter ook door in Oostenrijk en Duitsland, waar Offenbach eveneens enorm populair was, en ging daar rond 1880 over op alle nieuwe werken met gesproken dialogen en met een luchtiger karakter dan het grote operarepertoire. De verhaallijnen van deze Weens-Duitse operettes waren echter toegankelijker dan die van de Franse 'opéras-bouffes', terwijl de personages zo herkenbaar werden, dat zij vaak iets clichématigs kregen. De muzikale nadruk kwam bovendien steeds meer te liggen op toegankelijke melodieën, coupletliederen en refreinen die zich makkelijk in het geheugen vastzetten, waarbij het 'Franse' satirische element steeds meer werd vervangen door 'Duits' sentiment.

*) De naam 'De Kleine Komedie' dateert uit 1947. Het feit dat in hetzelfde jaar Walter Felsenstein voor het theater aan de Berlijnse Behrenstrasse de naam 'Komische Oper' koos, lijkt erop te duiden dat ook toen de woorden 'komisch' en 'komedie' in de Europese theaterwereld nog werden geassocieerd met de oude Franse betekenis.

 

terug naar alfabet

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links