Encyclopedie van de Opera - B

François Adrien Boieldieu

 

© Paul Korenhof

 

N.B. Zolang dit deel van de site onder constructie is, zullen niet alle trefwoorden en links toegankelijk zijn of functioneren.

Boieldieu, François Adrien (Rouen 16 dec. 1775-Jarcy 8 okt. 1834), Frans componist, studeerde bij Cordonnier en Broche in Rouen en debuteerde in 1793 met de *opéra-comique La Fille coupable. Na het succes van zijn tweede opera, Rosalie et Myrza (1795), vertrok hij naar Parijs, waar zijn samenwerking met Cherubini leidde tot La prisonnière (1799). Na het succes van Le Calife de Bagdad (1800) ging hij enige tijd bij Cherubini in de leer en Ma Tante Aurore (1803) toont waarschijnlijk daardoor een duidelijker eigen stijl dan de meeste voorgaande werken. Van 1804 tot 1810 was hij kapelmeester in St.-Petersburg; terug in Parijs werd hij hofcomponist van Lodewijk XVIII en docent compositieleer aan het conservatoire. Zijn opera’s, geschreven in een vloeiende, aangenaam in het gehoor liggende stijl, brachten hem talloze successen, maar zijn blijvende roem dankt hij aan La Dame blanche (1825), ondanks de situering in Schotland het prototype van de romantische *opéra-comique uit de eerste helft van de 19de eeuw en een werk dat de bewondering oogstte van o.m. Weber en Wagner. Met Jean de Paris (1812) vormt deze opera het hoogtepunt van zijn oeuvre en hoewel de sfeer ervan luchtiger is dan die van Der Freischütz, zijn beide werken elkaars tegenhangers in hun verwantschap met resp. Franse en Duitse volksliederen. Zowel in de harmonische verwerking van de melodieën als in zijn instrumentatie toonde Boieldieu zich hier van zijn beste zijde en door de combinatie van melodische charme met muzikale inventiviteit zou invloed uitoefenen op een hele generatie Franse componisten. Met zijn laatste opera, Les Deux nuits (1829), probeerde hij het succes van La Dame blanche te herhalen, maar het zwakke libretto van Scribe en Bouilly ontnam dit werk de kans op een vaste plaats op het repertoire, hoewel de componist hier zelfs een koorscène schreef, die door Berlioz gezien werd als de voorloper van het bruidskoor in Lohengrin. De laatste jaren van zijn leven brachten Boieldieu en zijn vrouw, de zangeres Philis Desoyres in betrekkelijke eenzaamheid door, verarmd door het faillissement van de *Opéra-Comique en ongunstige politieke ontwikkelingen.
OPERA’S: La Fille coupable (1793); Rosalie et Myrza (1795); La Famille suisse (1797); L’Heureuse nouvelle (1797); Le Pari, ou Mombreuil et Merville (1797); Zoraïme et Zulnar (1798); La Dot de Suzette (1798); Les Mépris espagnoles (1799); La Prisonnière (1799, i.s.m. Cherubini); Béniowski, ou Les Exiles du Kamchattka (1800); Le Calife de Bagdad (1800); Ma Tante Aurore, ou Le Roman impromptu (1803); Le Baiser et la quittance (1803, i.s.m. Méhul, R. Kreutzer, Isouard); Aline, reine de Golconde (1804); Abderkhan (1804); La Jeuze femme colère (1805); Amour et mystère (1806); Un Tour de soubrette (1806); Télémaque (1806); La Dame invisible (1808); Les Voitures versées (1808); Rien de trop, ou Les Deux paravents (1811); Jean de Paris (1812); Le Nouveau seigneur de village (1813); Bayard à Mézières (1814, i.s.m. Cherubini, Catel, Isouard); Les Béarnais, ou Henri IV en voyage (1814, i.s.m. R. Kreutzer); Angéla, ou L’Atelier de Jean Cousin (1814, i.s.m. Mme Gail); La Fête du village voisin (1816); Charles de France, ou Amour et gloire (1816, i.s.m. Hérold); Le Petit chaperon rouge (1818); Blanche de Provence, ou La Cour des fées (1821, i.s.m. Berton, Cherubini, R. Kreutzer, Paer); La France et l’Espagne (1823); Les Trois genres (1824, i.s.m. Auber); Pharamond (1825, i.s.m. Berton, R. Kreutzer, Le Sueur); La Dame blanche (1825); Les Deux nuits (1829); La Marquise de Brinvilliers (1831, i.s.m. Auber, Batton, Berton, Blangini, Carafa, Cherubini, Hérold, Paer).
Aida - opera in vier bedrijven van Verdi.

terug naar alfabet

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links