Encyclopedie van de Opera - B

Vincenzo Bellini

 

© Paul Korenhof

 

Bellini, Vincenzo (Catania, Sicilië, 3 nov. 1801 - Puteaux, bij Parijs, 23 sept. 1835) - Italiaanse componist, telg uit een muzikale familie. Zijn grootvader, zelf een niet onverdienstelijk componist, verschafte hem al vroeg een degelijke muzikale ondergrond en in 1819 werd hij ingeschreven aan het conservatorium van Napels, waar hij in 1823 onder de hoede vankwam van Zingarelli. Diens invloed, en meer nog die van Rossini, is terug te vinden in Bellini’s eerste opera, Adelson e Salvini (1825), die ook al een grote aanleg voor het schrijven van vloeiende vocale lijnen verraadde. Op uitnodiging van de impresario Barbaia schreef hij daarna voor het Teatro San Carlo in Napels Bianca e Gernando (1826 - later bewerkt tot Bianca e Fernando, 1828) en voor de Scala Il pirata (1827).

Met Il pirata begon een jarenlange samenwerking met de librettist Felice Romani en tevens Bellini’s internationale erkenning, hoewel het succes aanvankelijk sterk beïvloed werd door Rubini’s vertolking van de speciaal voor hem geschreven titelrol. Van begin af aan toonde Bellini zich een langzame, zorgvuldige werker, die zijn muziek minutieus modelleerde naar betekenis en klank van de tekst, en het geringe succes van La straniera (1829) en Zaira (1829) is misschien vooral te wijten aan een te korte voorbereidingstijd. Het herstel kwam met I Capuleti e i Montecchi (1830), na een afgebroken poging om (veertien jaar vóór Verdi) Ernani te componeren, in 1831 gevolgd door zijn beste opera’s: La sonnambula en Norma.

De samenwerking aan Beatrice di Tenda (1833) leidde tot een breuk met Romani, zodat Bellini voor I puritani (1835), genoegen moest nemen met een veel minder op zijn muzikale gaven afgestemde libretto van Carlo Pepoli. Van deze opera schreef Bellini vrijwel gelijktijdig twee verschillende versies, de eerste voor Napels, waar Maria Malibran de hoofdrol zou vertolken, de tweede voor Parijs, waar de componist de beschikking kreeg over een uniek zangerskwartet, bestaande uit de sopraan Giulia Grisi, de tenor Giovanni Rubini, de bariton Antonio Tamburini en de bas Luigi Lablache.
Door een samenloop van omstandigheden zou de première van de 'Malibran-versie' pas plaatsvinden in 1986, maar de première van de ‘Parijse versie' werd mede dankzij de solisten een enorm succes. Enkele maanden later stierf de componist aan de gevolgen van een acute darminfectie in combinatie met een abces in de lever en oververmoeidheid. Hij werd in Parijs begraven, maar in 1871 werden zijn stoffelijke resten overgebracht naar Catania.

Bellini is vaak bekritiseerd wegens een schijnbaar gebrek aan evenwicht tussen de prominente, gedetailleerd uitgewerkte zangpartijen en eenin grote lijnen oninteressante orkestratie, die meer dan eens heeft geleid tot een vergelijk met een ‘grote gitaar’. Latere pogingen om de instrumentatie te herzien, liepen op niets uit gevolg van een sterke muziekdramatische eenheid, die niet verbroken kan worden zonder nadelige gevolgen voor de tekstbehandeling en het effect van de vocale lijnen.
Juist die aandacht voor de tekst, de omzetting daarvan in muziek en de voorkeur voor lange melodische lijnen (de zgn. ‘oneindige melodieën’) bezorgden Bellini de bewondering van Wagner, bij wie nog invloeden zijn terug te vinden in o.a. de opbouw van Kundry’s vertelling in de tweede akte van Parsifal en de 'Karfreitagszauber' in de derde akte van diezelfde opera).

De hernieuwde belangstelling voor het 19de-eeuwse bel canto heeft bovendien aangetoond dat Bellini’s muziek geenszins beschouwd mag worden als een mogelijkheid voor louter oppervlakkig vocaal trapezewerk, maar dat er wel degelijk sprake kan zijn van geëmotioneerde muzikale dramatiek, en dat zijn met overleg gehanteerde structuren bij een stilistisch verantwoorde uitvoering ruimschoots opwegen tegen de minder interessante orkestpartijen. Zijn overige werk: liederen, aria’s, kerkmuziek en instrumentale muziek, is vrijwel onbekend gebleven en het Museo Belliniano in Catania herbergt o.m. ontwerpen voor de onvoltooide opera’s Virginia en Oreste. - Van het bestaan van een door sommige bronnen genoemde opera Il Fu ed il sarà is tot op heden geen bewijs gevonden.

OPERA’S: Adelson e Salvini (1825 - een later herzien versie werd nooit uitgevoerd), Bianca e Gernando (1826), Il pirata (1827), La straniera (1829), Zaira (1829), I Capuleti e i Montecchi (1830), La sonnambula (1831), Norma (1831), Beatrice di Tenda (1833), I puritani (1835).

terug naar alfabet

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links