Encyclopedie van de Opera - A

aria

 

© Paul Korenhof

 


aria
(Ital. v. Gr. aër = lucht, Frans: air) - traditionele benaming voor alle verschillende vormen van solozang in de opera (i.h.b. in de nummeropera), ook als zich aan het slot of voor interrupties een tweede vocale stem bij de eerste voegt. Van oorsprong is de aria een meerdelige solozang met instrumentale begeleiding die zich naast het lied ontwikkelde, niet alleen in opera en oratorium, maar ook als zelfstandig concertstuk. Het karakter kan zowel lyrisch en beschouwend als dramatisch zijn, en dat geldt eveneens voor de concertaria (bijv. Ah, Perfido! van Beethoven).
In de 17de eeuw ontwikkelde de aria zich in de Italiaanse opera uit het recitatief op plaatsen, waar de voortgang van de handeling vertraagd werd door momenten van sterke emotionaliteit. In opera’s van Monteverdi zien we, hoe de vroegste ariavorm ('aria ostinato', korte solozang met een regelmatig terugkerend motief) zich ontwikkelt uit een recitatief boven de thematische herhalingen van een 'basso ostinato' (instrumentale begeleiding op basis van een regelmatig terugkerend motief), o.a. in het slotduet van L'incoronazione di Poppea, dat beschouwd kan worden als een voorloper van de latere da capo-aria. Naar analogie van de instrumentale aria of air hoefde ook de gezongen aria in eerste instantie niet eenstemmig te zijn, in de opera's van Alessandro Scarlatti zijn zelfs nog voorbeelden te vinden van een aria voor vier solostemmen ('aria a quattro').

De bloeiperiode van de aria tussen het midden van de 17de en het einde van de 18de eeuw viel samen met de bloei van de opera seria en het bel canto. De traditionele ariavorm in die tijd was de aria col da capo (de ‘da capo-aria’) met een opbouw in drie delen (A-B-A), in sommige gevallen uitgebreid tot vijf delen (rondò of aria in rondò: A-B-A-C-A), waarbij het tweede deel (in een verwante toonsoort) meestal beschouwend en rustiger van aard was dan de hoekdelen. Het derde en eventueel het vijfde deel vormden een herhaling (da capo) van het eerste, opgesierd met variaties en ornamenten. De gewoonte deze versieringen over te laten aan het stijlgevoel en de `goede smaak' van de uitvoerende leidde tot voorspelbare excessen: het da capo werd aangegrepen om ongelimiteerd de eigen virtuositeit te demonstreren en maakte het drama ondergeschikt aan de zangkunst in een snoer van aria's, van elkaar gescheiden door recitatieven met sporadisch een duet of finale-ensemble.

Uit de periode van het hoogtepunt van het bel canto stamt ook een nauwkeurig omschreven indeling in genres, waarvan er enkele tot in de eerste helft van de 19de eeuw in de Italiaanse opera in zwang gebleven:
aria di agilità (agilità = beweeglijkheid): aria om vocale virtuositeit te demonstreren;
aria agitata (agitata = opgewonden): aria waarvan de hoekdelen een hoge mate van emotionaliteit suggereren;
aria di baule (baule = koffer): aria die een zanger met zich meevoerde om die overal waar dat mogelijk was in een andere opera in te lassen;
aria di bravura (bravura = bravoure): zie aria di agilità;
aria cantabile (cantabile = zangerig): lyrische aria, dikwijls uiting van weemoed of droefheid met weinig versieringen;
aria di carattere (carattere = karakter): aria die specifiek bedoeld is om een bepaalde emotie uit te drukken;
aria di catalogo (catalogo = catalogus): aria, meestal in een komische opera, waarin een opsomming verwerkt is (ook: registeraria);
aria concertato (concertato = in samenwerking, in ensemblevorm): aria met rijke instrumentale begeleiding, al dan niet met een of meer solo-instrumenten;
aria declamata (declamata = voorgedragen): aria waarin de uitdrukking van een bepaalde emotie wordt versterkt door een declamatorisch opgebouwde zangpartij;
aria di imitazione (imitazione = nabootsing): aria waarin door solist(e) en orkest natuurgeluiden worden nagebootst;
aria infuriata (infuriatoa = woedend): zie aria agitata;
aria di lamento (lamento = treurzang): aria waarmee uiting wordt gegeven aan grote droefheid (dikwijls alleen: lamento);
aria di mezzo carattere (mezzo = half): gematigde aria di carattere;
aria parlante (parlante = sprekend): zie aria declamata;
aria di portamento: aria waarmee virtuositeit gedemonstreerd wordt, maar met de nadruk minder op de beweeglijkheid dan op de stemomvang (en dan vanzelfsprekend vooral op een uitzonderlijk bereik in de hoogte);
aria in rondò (rondo = muzikale afwisseling van vaste thema's met varianten): vijfdelige aria (A-B-A-C-A);
aria di sentimento (sentimento = gevoel): zie aria agitata;
aria senza accompagnamento (accompagnamento = begeleiding): aria zonder orkestbegeleiding;
aria del sonno (sonno = slaap): aria gezongen bij wijze van slaapliedje ofwel aria gezongen bij het aanschouwen van een slapende geliefde;
aria del (di) sorbetto (sorbetto = sorbet): aria van een bijfiguur die de toeschouwers in staat stelde even hun plaats te verlaten om een verfrissing tot zich te nemen;
aria di sortita (sortita = vertrek): entree-aria van een hoofdrolzanger of -zangeres (de naam heeft waarschijnlijk betrekking op het opkomen vanuit de coulissen;
aria di strepito (strepito = rumoer, opwinding): zie aria agitata;
aria variata (variata = gevarieerd): aria met variaties op het traditionele schema;
arietta (= kleine aria): eenvoudige ariavorm, meestal één- of tweedelig en zonder mogelijkheden tot demonstratie van virtuositeit (n.b. de Franse ariette was van oorsprong een *coloratuuraria op een Italiaanse tekst, die de virtuositeit juist wel aan bod liet komen);
arioso (of: recitativo arioso): korte aria zonder specifieke formele opbouw en soms ook zonder overgang van of naar een recitatief (zie cavata).

Deze strakke indeling overleefde de 18de eeuw niet, omdat zij strijdig was met het groeiende streven meer aandacht aan het drama te schenken (hoewel i.h.b. door Mozart bewezen is dat de da capo-aria wel degelijk een dramatische functie kan vervullen) en de eerste helft van de 19de eeuw toont een veel flexibeler houding t.o.v. de vormgeving. Wel kende de serieuze opera nog lange tijd een basisschema, de solita forma (It.: 'zelfstandige vorm') dat bestond uit:
a. recitatief (accompagnato);
b. lyrische aria of cavatine (één- of tweedelig);
c. recitatief met dramatische omwenteling of versterking van de gevoelens, in veel gevallen te danken aan mededeling door koor of ander personage);
d. cabaletta of stretta.

Deze solita forma, die eveneens van toepassing kon zijn op duetten en grotere ensembles, werd geleidelijk maar heel bewust door Verdi opzijgeschoven en na Il trovatore (1853), waarin het voor het laatst in volle glorie werd toegepast, zou dit schema in zijn zuiverste vorm nog slechts een incidentele functie vervullen, bijvoorbeeld in La forza del destino, waar Verdi teruggrijpt op deze ariavorm voor de aan convemties verknochte Don Carlo di Vargas. Parallel daaraan won de doorgecomponeerde opera terrein, waardoor de Italiaanse aria steeds meer overeenkomsten vertoonde met de soloscène of monoloog, zoals die bij Wagner en diens navolgers in Duitsland en Frankrijk te vinden is, en ook in de Italiaanse operaliteratuur wordt vanaf dat moment gewag gemaakt van monologo of scena. De stereotiepe, door het publiek geprefereerde benaming bleef echter ‘aria’ en deze aanduiding wordt zonder enige relatie tot vorm of inhoud eveneens gebruikt voor soloscènes uit Franse, Duitse, Russische en nog andere opera's.

terug naar alfabet

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links