Encyclopedie van de Opera - A

acteren

 

© Paul Korenhof

 

acteren (v. Frans acte = gebaar, daad, handeling): toneelspelen, in uiterlijk en gebaren een ander personage uitbeelden dan men zelf is (een 'rol', spelen). Lange tijd werd acteren in de opera ondergeschikt geacht aan de muzikale expressie (zang). In het Franse en het Italiaanse muziektheater golden tot halverwege de 18de eeuw bovendien conventies die nauwkeurig voorschreven waar een bepaalde zanger(es) zich in een bepaalde situatie hoorde te bevinden en/of welke gebaren bij een bepaalde situatie pasten. Vooral in de opera seria kon dit leiden tot vervlakking: met een door clichés beheerst 'spel' stonden solisten vooraan op het toneel hun aria's te zingen, terwijl bewegingen soms vooral dienden om met de overdadig uitgevoerde kostuums te pronken.
De uiterste consequentie werd door Händel en diens tijdgenoten getrokken bij de uitvoering van een serenata of een dramatisch oratorium: de zangers bevonden zich gekostumeerd op een toneel met decors, maar iedere handeling ontbrak. Het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw bracht een groter verlangen naar theatrale expressie, o.a. bij componisten als Verdi en Wagner die min of meer optraden als de eerste 'operaregisseurs' in de moderne betekenis. In de meeste theaters bleef de aandacht voor de regie echter minimaal en kreeg iedere vernieuwing snel een clichématig karakter kreeg - tot tevredenheid van de zangers, die met een beperkt arsenaal aan gebaren en een minimum aan repetitietijd iedere rol in ieder theater konden uitbeelden.
De opkomst van stromingen als realisme, naturalisme en verisme in de tweede helft van de 19de eeuw bracht hierin weinig verandering. Het arsenaal aan gebaren onderging enige uitbreiding en de `speelstijl' werd iets heftiger, maar aandacht voor details, karakterisering en psychologische achtergronden bleef zeldzaam en werd vooral overgelaten aan de artisticiteit van de individuele zanger(es). In de 20ste eeuw kwam hierin langzaam verbetering en na de Tweede Wereldoorlog kon men zelfs spreken van een explosieve ontwikkeling. Tegenover theaters die nog moeizaam vasthielden aan het oude systeem en met een minimum aan repetities zoveel mogelijk voorstellingen trachtten te geven, stonden steeds meer andere, waar repetitieperiodes van vier weken tot enkele maanden normaal zijn. Een voortrekkersrol werd op dit punt vervuld door de Bayreuther Festspiele, het Glyndebourne Festival en de Komische Oper Berlin.
De grotere nadruk op het drama leidde in de tweede helft van de 20ste eeuw niet alleen tot een groeiende invloed van de regisseur, maar ook tot een verschuiving van het accent in de voorstelling, soms ten koste van de muzikale kwaliteit. Zangers ontwikkelden zich tot acteurs van een hoog niveau, maar niet zelden werd ook voor bepaalde rollen ook de voorkeur gegeven aan minder goede of minder ervaren zangers dan muzikaal wenselijk was, omdat deze meer beantwoordden aan de wensen van de regisseur ten aanzien van uiterlijk of acteerkwaliteiten.

terug naar alfabet

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links