DVD-recensie

 

© Maarten Brandt, oktober 2014

 

Bruckner: Symfonie nr. 5 in Bes
(versie Leopold Nowak 1951, revisie 2005)

Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Nikolaus Harnoncourt.

RCO Live 14103 • 68' •
(ook verkrijgbaar in Blu-ray formaat)

Live-opname: 25 en 27 oktober 2013,
Concertgebouw, Amsterdam

 

Bruckner dirigeren is en blijft een vak apart. En eigenlijk is het veel meer dan dat. Want het is ook een manier van zijn, een wijze van ademen. Met daarin inbegrepen, ook het natuurlijke vermogen op muzikale gebeurtenissen te kunnen anticiperen en terugblikken. Dit alles binnen de continuïteit van lang doorgetrokken spanningsbogen. Spanningsbogen die op hun beurt slechts dan overeind blijven wanneer de overgangen tussen de elementen waaruit die bogen zijn opgebouwd, perfect worden gearticuleerd. Bruckner verkeert daarbij ten opzichte van Mahler in die zin in het nadeel dat in zijn muziek onverschillig welk effectbejag schittert door afwezigheid. Met andere woorden, een dirigent die met Bruckner in de weer is kan zich op geen enkele manier daarachter verschuilen en dit alles verklaart dan ook waarom veel meer dirigenten in Mahler dan in Bruckner weten te overtuigen. En dan hebben we het nog helemaal niet gehad over tempo. Nu zegt tempo op zich niet zoveel, maar wel in relatie tot de onderliggende puls. En dan komen we weer bij die continuïteit uit. Waar het bovenal om gaat is de vraag wat je doet met de tijdspanne waarbinnen het symfonische betoog van Bruckner zich ontvouwt. Er zijn evenzovele dirigenten die daarin binnen langzame en zelfs zeer langzame tempi hogelijk weten te overtuigen als zij die dat in vlotte tempi doen. Celibidache (DG en EMI) en Jochum (DG, Briljant Classics en Tahra) behoren bijvoorbeeld tot de eerste en Furtw ä ngler (Music & Arts en EMI), Van Beinum (Decca/Eloquence), Andrea (Music & Arts) en (deels) Wand (RCA, vooral de opname met de Berliner Philharmoniker) en Klemperer (EMI) tot de tweede categorie. Dus ook bij Bruckner zijn er meerdere wegen die naar Rome leiden, al moet men wel weten hoe die te bewandelen.

Deze gedachten speelden weer eens door mijn hoofd tijdens het beluisteren en bekijken van de heet van de naald verschenen dvd met de Vijfde symfonie van Bruckner en het Koninklijk Concertge-bouworkest onder leiding van qua origine oude muziek-specialist Nikolaus Harnoncourt die met de concerten waarop dit werk stond geprogrammeerd voor het laatst voor dit ensemble stond. Een gezelschap waarmee hij eerder voor Teldec de Derde en de Vierde symfonie vastlegde in een nooit afgemaakte cyclus, die verder zijn visie op de Vijfde, Zevende, Achtste en Negende symfonie (in het laatste geval met zowel een lezing over als vertolking van de schetsen van de finale) bevat met de Berliner- (nummer acht) en Wiener Philharmoniker. Met andere woorden, deze videoregistratie meegerekend , beschikken we over twee vertolkingen van de Vijfde Bruckner onder Harnoncourt.

Als ik moest kiezen tussen beide uitvoeringen van de Vijfde, dan gaat mijn voorkeur uit naar deze nieuwe met het KCO. Ook al biedt Harnoncourt zeker niet het laatste woord (als zoiets al mogelijk is, maar dat is weer een ander verhaal). En, zoals altijd bij deze musicus, is ook nu het resultaat, hoewel nooit saai (integendeel!), altijd weer controversieel en wisselend. Met dien verstande dat deze vastlegging van de Vijfde mij meer heeft weten te boeien dan de alweer de nodige jaren oud zijnde opnames met de Derde en de Vierde met hetzelfde orkest. Wat me weer zeer opviel is de enorme flexibiliteit van het KCO , dat binnen een minimum van tijd in staat bleek de sonoriteit van Harnoncourt's klankideaal over te nemen. Een ideaal dat kan worden getypeerd als strak, soms grofkorrelig , om niet te zeggen ronduit weerbarstig, hoekig en met een duidelijke tendens naar een geluid dat - wat op zich genomen niet onterecht is en vanuit Bruckners achtergrond als gevierd organist natuurlijk heel goed valt te verdedigen - neigt naar het orgelachtige, alle manuaalwisselingen incluis. Met dien verstande , dat dit geluid bij vlagen ook, althans wat het door Harnoncourt in termen van orkestrale kleuren vertaalde klankgemiddelde betreft, wat anoniems heeft, met meer nadruk op bijvoorbeeld (om me tot het koper te beperken) de trombones dan de hoorns.

Soms ontstaan hierdoor verrassende doorkijkjes, zoals gedurende de introverte koraalachtige passages in de finale , die dan opeens heel sterk aan de Canzoni van Gabrieli doen denken. En dat is dan wel weer een sterk punt in Harnoncourts benadering, die juist ook - en dit als geen ander - dat aspect er uit weet te lichten. Dus die barokke kant van Bruckner. Daar staat weer tegenover dat het openingsdeel - en dit bedoel ik in deze context louter positief - een onverbiddelijke strak- en rechtlijnigheid bezit die ik zelden in deze muziek heb gehoord en die daardoor niet zozeer barok als wel twintigste eeuws en haast stravinskiaans overkomt. Ook de cesuren tijdens de op zich in een gaand, maar hier zeker niet te snel genomen, tempo van de Adagio-inleiding krijgen ongekend dwingend en daarom ontzagwekkend gestalte. Als geheel vind ik dan ook dat Harnoncourt in dit eerste deel zijn hoogste troeven uitspeelt, evenals in het scherzo waarvan het trio precies de vereiste pastorale atmosfeer bezit die Bruckner voor ogen moet hebben gezweefd.

Helaas wordt dit op zich superieure niveau in de twee overige delen amper gehaald. Het Adagio waait niet alleen ongemerkt en volstrekt 'harmlos' voorbij, de articulatie van het befaamde zangthema voor het strijkorkest mist iedere diepte en allure, om nog maar te zwijgen van het veel te rap genomen daarbij aansluitende gepuncteerde gegeven (waarvan de pizzicati en de hoorns de ritmische kern vormen) dat door Harnoncourts aanpak haast iets karikaturaals krijgt. Ik wil hiermee niet beweren dat het qua tempo altijd à la Celibidache of Jochum moet (hoewel met name diens live op 4 december 1986 met het KCO voor het label Tahra vereeuwigde vertolking voor mij wat dit deel betreft - maar ook elders overigens - het' nec plus ultra' biedt), want nogmaals, tempo zegt bepaald niet alles. Wat dat aangaat beluistere men de eveneens (zij het wat minder extreem) vlotte lezingen van Klemperer (EMI) en Wand (RCA, vooral die met de Berliner Philharmoniker) en het verschil wordt op slag duidelijk. Want de grandeur die veelal en in het bijzonder het langzame deel bij Harnoncourt ontbreekt is bij hen wel in optima forma aanwezig.

En dan de finale die onder Harnoncourt veelbelovend begint en dat blijft zo tot aan het begin van de fuga in de doorwerking. Want daar verliest de dirigent zijn greep op de zaak namelijk volledig. Wie de volumeknop helemaal uitdraait en naar Harnoncourts gestiek kijkt, weet wat hem voor ogen staat: een binnen een koortsachtig tempo haarscherp gearticuleerde realisatie van het polyfone reliëf met ook een maximale doorhoorbaarheid van het stemmenweefsel, waarbij zijn ogen niet zelden vuur lijken te spuwen uit angst dat men hem niet volgt. Het klinkende resultaat verhoudt zich daar spijtig genoeg haaks toe, want het is een- en al onduidelijk- en groezeligheid wat hier de klok slaat. Ligt dat aan het (te?) hoge tempo? Nee, absoluut niet. Dat bewees Haitink nog tamelijk recentelijk met dezelfde symfonie en met hetzelfde orkest, die juist die doorwerking overrompelend - en ook in een zeer hoog tempo! - tot leven wekten en waarbij de spanning tijdens de oogverblindende coda nota bene nog werd opgevoerd. Harnoncourt mag nog zo'n fascinerend theoreticus en musicus zijn (wat aan geen enkele twijfel onderhevig is), dat is nog wel wat anders dan een groot dirigent. En dat maakt onder meer de vergelijking met Haitink hoe dan ook pijnlijk duidelijk. Wie het allemaal niet gelooft, moet onverwijld de door mij besproken opname van laatstgenoemde met het Sinfonieorchester des Bayerische Rundfunk op het BR-label aanschaffen (klik hier voor de recensie), waartegen Harnoncourts lezing van de finale het ten enen male aflegt. Temeer ook daar hij de coda ontsiert door vreemde diminuendi, als gevolg waarvan de spanning er zozeer aan moet geloven dat het geheel daar als een kaartenhuis in elkaar stort en de symfonie in een anticlimax eindigt. En zoveel is zeker, dat is wel het laatste wat Bruckner bij de totstandkoming van deze visionaire muziek voor de geest stond.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links