Dirigenten

De muzikale nalatenschap van

Bruno Walter (1876 ~ 1962)

 

© Aart van der Wal, oktober 2004

 

Menigeen zal zich Bruno Walter (zijn werkelijke naam was Schlesinger) vooral herinneren van zijn tussen 1958 en 1962 gemaakte opnamen met het Columbia Symphony Orchestra, maar zijn opnamegeschiedenis gaat veel verder terug, tenminste naar het begin van de jaren twintig toen hij voor Polydor (later Deutsche Grammophon) met de Berliner Philharmoniker korte stukken opnam: Préludes en ouvertures van o.a. Berlioz, Wagner, Beethoven en Mendelssohn. Het was nog de tijd van de akoestische hoorn en de resultaten waren er dan ook naar: een beperkt frequentiebereik, congestie en vervorming. Met Partiturtreue werd noodgedwongen een loopje genomen: de bastuba ondersteunde de contrabassen bij gebrek aan voldoende laagfundament, de orkestrale balans was dubieus en zelfs de term ‘lo-fi’ is nog te ruimhartig voor hetgeen uiteindelijk uit de luidspreker kwam. De orkestmusici zaten in een vrij kleine ruimte in een soort kooiconstructie met de dirigent ver boven hen gepositioneerd. Het moet een koddig schouwspel zijn geweest. Daarnaast was de orkestbezetting fors uitgedund tot ongeveer 30 musici: ze moesten immers zo dicht mogelijk bij de akoestische trechter spelen.

Meer muziek dan plaatruimte

Een ander niet te verwaarlozen probleem was de noodzaak om de muziek over meerdere plaatkanten te verdelen. De 78 toeren-plaat was namelijk gebonden aan maximaal zo’n vijf minuten per kant, wat betekende dat alleen zeer fragmentarisch kon worden opgenomen, en het van de breaks wemelde, waarvoor een passende oplossing moest worden gevonden, wilde er althans geen sprake zijn van hiaten in de muziek. Een ander veel voorkomend probleem was dat van de tijdsduur die dan net niet meer paste. Een deel met een lengte van ongeveer 15 minuten kon net op drie plaatkanten, maar bij 16 minuten was er een vierde kant nodig, die dan bovendien deels nog ongebruikt bleef.  Het was in die dagen de gewoonste zaak van de wereld om musici te vragen om sneller te spelen, maar wellicht was wel het grootste probleem voor de uitvoerenden dat van hen werd verlangd dat ze in het midden van de muziek gewoon ophielden om de technici in staat te stellen de plaatkanten naar behoren te benutten. Dat was fnuikend voor de concentratie en de ‘lange adem’ in de muziek. Nee, een feest zal dat toen niet geweest zijn. Pas toen aan het einde van de jaren veertig de lp was ontwikkeld, konden veel langere takes worden gemaakt en behoorde het hectische passen en meten tot het verleden.

Vanaf de jaren dertig werden voor opnamen soms meerdere recorders op locatie gebruikt die elkaar overlapten en waardoor continuïteit tijdens het opnameproces mogelijk werd. Op die wijze ontstond o.a. de opname van Mahlers Das Lied von der Erde (1936) en Negende symfonie (1938) onder Walter. Die Negende had Walter in eerste aanleg liever op de plank laten liggen, maar hij draaide uiteindelijk bij.

Primitief maar toch tevreden

Walter was in de jaren twintig bijzonder te spreken over de toen ronduit primitieve opnametechniek, wat voor een dirigent die over een zeer fijnzinnig gehoor beschikte en iedere nuance in het orkest haarscherp waarnam, nogal merkwaardig lijkt. Maar hij moet zeker hebben beseft dat alleen de opname-industrie de duurzaamheid van zijn vertolkingen kon waarborgen, hij taxeerde het belang ervan op zijn enig juiste waarde en daarom ook kon hij waarschijnlijk zonder blikken of blozen in een wervingsbrochure van Polydor verklaren:

“What sonic beauty in the voices (orkeststemmen), what pure reproduction and instrumental subtleties, what clarity and fullness in the recording of the orchestra’s performance!”

Maar zo’n veertig jaar later beschouwde hij de eerste platenspelers als apparaten die slechts een afgrijselijk geluid konden voortbrengen dat in de verste verte niets met muziek te maken had.

Rond het midden van de jaren twintig maakte Walter ook zijn eerste opnamen met het Royal Philharmonic Orchestra in Londen, wederom met de akoestische hoorn als opnamemedium, maar naast miniaturen was er nu ook ruimte voor Wagners Siegfried Idyll en Strauss’ Tod und Verklärung. Vreemd genoeg is de opnamekwaliteit incidenteel aanzienlijk beter, komt het orkest helder en met présence uit de luidspreker, wat in dit geval extra opvalt.

Oog en oor voor detail

In diezelfde periode trad Walter voor de Berliner Staatskapelle met zowel ouvertures van Berlioz, Cherubini, Mozart en Schumann als met de Zesde symfonie van Tsjaikovski. Het was de eerste keer in de opnamegeschiedenis dat de Pathétique werd vastgelegd, terwijl het daarmee tevens Walters eerste complete opname van een symfonie was. Het primitieve karakter van de akoestische opname is ook hier weer evident: het inherente hoge stoorniveau betekende voor de uitvoerenden dat zij luider moesten spelen dan de partituur aangaf, een werkelijk pianissimo zat er gewoon niet in. Duidelijk wordt ook dat ‘knippen en plakken’ waardoor we zo ‘verwend’ zijn geraakt in die tijd volstrekt uitgesloten was en dus moeten we genoegen nemen met wankel ensemblespel, ritmische ongelijkheid en een opvallend groot aantal intonatieproblemen. Wél wordt duidelijk dat Walter toen al een begenadigd musicus was, met veel aandacht voor ogenschijnlijk minder belangrijke details, die echter in het verdere discours een belangrijke rol blijken te spelen. Zijn inzicht in de structuur van een dergelijk groot werk staat dan al buiten kijf en hij weet de dramatische lading in de partituur zonder enig effectbejag te realiseren. Ook valt op dat de in die tijd bijna ingebakken voorliefde voor het portamento door Walter niet wordt gedeeld: hij past het althans zeer spaarzaam toe, en dan vrijwel uitsluitend in de klagende finale.

Eerste optreden in Parijs

Spijtig is dat Walter op 20 mei 1928 - als onderdeel van zijn eerste optreden in Parijs met voornamelijk Mozart-opera’s op het overvolle programma – de toen onder zijn leiding uitgevoerde Vierde symfonie van Mahler (met de sopraan Renée Destanges) niet tevens in de studio heeft laten vastleggen. Wat we uit die periode wel hebben is een studio-opname van Mozarts ouverture Die Zauberflöte en Schumanns Vierde symfonie met het Festivalorkest, een gelegenheidsensemble. De uitvoering van de symfonie is uitgesproken teleurstellend, met wederom forse intonatieproblemen, een rammelend ensemble, het staat niet recht onder elkaar, en er zijn merkwaardige tempokeuzes te registreren. Het is typisch een vertolking die niet ‘zit’, het klink allemaal ongemakkelijk, alsof het orkest met deze muziek absoluut niet vertrouwd is en de dirigent uitgeput is (wat zou kunnen kloppen: Walter nam met dat kolossale Mozart-festival wel érg veel hooi op zijn vork).

 
  Walter begin jaren 30

Hoewel vanaf eind jaren twintig de opnamekwaliteit er al aardig op vooruitging nadat de elektrische opname zijn intrede had gedaan, beperkt Walter zich tot korte stukken, zoals met het British Symphony Orchestra in 1931. Buiten de studio dirigeert hij echter met groot succes avondvullende opera’s en weet hij ook in het symfonische en concertrepertoire als Kapellmeister van het Gewandhausorchester Leipzig van wanten.

In juni 1935 maakten Walter en de Wiener Philharmoniker, met Melchior (Siegmund), Lehmann (Sieglinde) en List (Hunding) een (elektrische) opname van de eerste en deels de tweede akte van Die Walküre. Deze opname is helder en gedetailleerd genoeg om Walters affiniteit met Wagners Gesamtkunstwerk hier bevestigd te horen.

Eerste opname van Das Lied von der Erde

Hét fonografische hoogtepunt in het jaar daarop is de eerste opname van Mahlers Das Lied von der Erde, een mijlpaal, ook voor de toen bijna 60-jarige Walter. Bijzonder is ook dat het een live concert betreft. Voor zover dat uit de matige opname valt af te leiden steken zowel de Wiener Philharmoniker als de solisten (Charles Kullman en Kerstin Thorborg) in grootse vorm. Dat Walter ook de eerste uitvoering van dit werk van zijn vriend en leermeester dirigeerde, op 20 november 1911 in de Tonhalle in München, maakt deze opname zeker bijzonder.

In november 1936 is Walter weer in Wenen en neemt hij met de Wiener Philharmoniker in de Musikverein Beethovens Pastorale en Mozarts Praagse op. Walters visie op beide werken kan zich meten met de opnamen die hij zo’n twintig jaar later met het Columbia Symphony Orchestra zou maken. Ze behoren ongetwijfeld tot Walters beste vertolkingen überhaupt.

Op 20 februari 1937 dirigeerde Walter in Amsterdam het Concertgebouworkest met de pianist Paul Wittgenstein als solist het Pianoconcert voor de linker hand van Maurice Ravel, die het concert kort daarvoor had gecomponeerd en opgedragen aan Wittgenstein, die in de Eerste Wereldoorlog zijn rechter arm had verloren. De opnamekwaliteit is redelijk en daardoor krijgen we méér dan slechts een vleugje authenticiteit te horen. Het is – behoudens enkele notoire ontsporingen – best wel een memorabele vertolking, maar het is duidelijk dat het werk in interpretatief opzicht voor Walter nog geen open boek is.

Voor het eerst als solist

In mei 1937 horen we Walter in Wenen voor het eerst als solist en dirigent in een pianoconcert van Mozart: het concert in d, KV 466. De opname maakt duidelijk dat de Weners aan Walters vingertoppen hangen, hem naadloos weten te volgen, waarbij het pianospel van groot technisch raffinement en muzikaal inzicht getuigt, hoewel het – overigens spaarzaam en erudiet toegepaste - rubato in onze moderne oren toch wel even wennen is. Het is wonderlijk hoe ‘modern’ Walters visie op Mozart hier toch is.

Aanzienlijk minder geslaagd is de opname van een live concert in juni in Parijs, waarin Walter Mozarts Requiem dirigeert. De Wiener Philharmoniker, op tournee door Europa, streek voor de gelegenheid neer in het Théâtre des Champs-Élysées. Het werd een matige uitvoering met een duidelijke mismatch tussen solisten, koor en orkest. Thorborg let niet goed op en Elisabeth Schumann geeft enige wankele noten ten beste, maar Kipnis en een nog jonge Dermota maken veel goed. Het koor van de Weense Staatsopera is niet voldoende attent en hobbelt soms duidelijk hoorbaar achter het orkest aan. Vooral aardig als curiosum.

Eerste opname van Mahlers Negende

Op 16 januari 1938 dirigeert Walter in de Musikverein met ‘zijn’ Wiener Philharmoniker Mahlers Negende, die – evenals eerder Das Lied von der Erde – daarmee voor het eerst werd opgenomen. Walter dirigeerde de première van het werk in 1911, niet meer dan een maand na Mahlers overlijden. De woelige politieke situatie in Oostenrijk, kort voor de Anschluss, zette een bedrukkend stempel op de voorbereidingen en de uitvoering van het concert. RCA bracht in 1954 de opname uit zonder daarvoor eerst toestemming aan Walter te hebben gevraagd, die daarop furieus reageerde. In zijn brief merkt hij o.a. op:

“The turbulent political happenings of March 1938 in Austria interfered drastically with my ability to concentrate on the merits of the test pressings then forwarded to me to Holland and made it very difficult for me to come to a definite approval or disapproval.”

RCA zond als weerwoord een proefpersing van de opname die bij Walter alsnog enige genade vond. Duidelijk is evenwel dat met name het begin van het derde deel (Rondo-Burleske) door ernstige ontsporingen – het hoge tempo is daaraan uiteraard debet - wordt ontsierd en dat in de zachtere passages een aantal verkouden Weners op de koop toe moet worden genomen. Daar staan echter de magische aanpak van de beide hoekdelen en een werkelijk subliem gerealiseerde Ländler tegenover. Walter zou die prestatie in de Columbia Symphony Orchestra-opname zeker niet herhalen, ook al klinkt die natuurlijk beter. Waarbij ik nog bij de opname uit 1938 aanteken dat de klank van de Dutton-uitgave – die blijkbaar digitaal behoorlijk is opgelapt – behoorlijk uitstijgt boven die van EMI.

Politieke turbulentie

De dagen van kanselier Schuschsnigg waren geteld, de spanningen in Oostenrijk en met name in Wenen liepen al hoog op. Er waren bijna dagelijks demonstraties vóór en tegen Schuschnigg Rond 11 maart stelde Hitler hem een ultimatum waarna de Anschluss een feit was en de kanselier in een emotionele rede afscheid nam van de Oostenrijkers. Seyss-Inquart, de man die later in Nederland de bestuurstouwen in handen zou nemen, werd zijn opvolger.

Het was Walter duidelijk dat iedere hoop de bodem was ingeslagen, dat het Horst Wessel-lied de plaats zou innemen van de Weense polka’s en walsen, en Oostenrijk vanaf nu tot het Derde Rijk zou behoren. De Weense pers nam Walter weliswaar op de korrel, maar dat liet hem in Amsterdam – waar hij het Concertgebouworkest dirigeerde - verder onberoerd. Hij was eerder bezorgd over de arrestatie van zijn dochter Lotte die in Wenen was achtergebleven en hij deed vanuit Nederland alle mogelijke moeite om haar het politiebureau uit te krijgen en vervolgens de stad te verlaten. Uiteindelijk kon Lotte in april 1938 naar Lugano uitwijken waar Walter en zijn echtgenote Elsa toen verbleven. Dochter Gretel, getrouwd met een Duitse architect, bevond zich echter nog steeds in Duitsland. De Walters vestigden zich voorlopig in Zürich.

Walter probeerde vervolgens weer enige regelmaat in het turbulente leven te brengen. In Parijs nam hij op 7 mei met het Parijse conservatoriumorkest Haydns symfonie nr. 92, waaruit weer Walters voorliefde blijkt voor weliswaar affectieve maar strikt heldere fraseringen en portamenti worden vermeden. Tempoversnellingen en vertragingen passen naadloos in Walters overtuigende concept. Het resulteert in ieder geval in een sprankelende vertolking die ook nu nog indruk maakt.

Bruno, Elsa en Lotte betrokken uiteindelijk een huis aan het meer van Lugano, Gretel en haar echtgenoot vestigden zich in Zürich. Zij waren veilig in Zwitserland. Nog een bron van vreugde was de oplossing van het sluimerende nationaliteitsprobleem: het Oostenrijkse paspoort had na de Anschluss zijn geldigheid verloren, een Duits paspoort was vanzelfsprekend uitgesloten en reizen zonder geldige reisdocumenten een onmogelijke zaak. De Franse regering bood echter uitkomst in de vorm van een Frans paspoort. Walter accepteerde het aanbod met beide handen en werd hij in september 1938 Frans staatsburger, niet belemmerd door allerlei reisbeperkingen. Vervolgens vertrok Walter naar de Abbey Road studio in Londen om met het London Symphony Orchestra Corelli’s Concerto grosso op. 6 nr. 8 (het zogenaamde Kerstconcert) en Haydns symfonie nr. 86 op te nemen. Het werden geen memorabele vertolkingen. Het werkje van Corelli gaat ten onder in een overdaad aan rubati en portamenti, met bovenal stoort de logge en zelfs sentimentele aanpak. De symfonie mist de vereiste sprankeling, is in deze vertolking zwaar op de hand en tamelijk sfeerloos, en komt daardoor zelfs niet in de buurt van de begin mei in Parijs opgenomen Oxford symfonie.

Naar Amerika

In maart en april 1939 is Walter in Amerika aan het werk. Op uitnodiging van NBC dirigeert Walter het door dirigent Artur Rodzinski en Arturo Toscanini naar een hoog plan getilde NBC Symphony Orchestra in vijf van de fameuze zaterdagavondconcerten. De concerten gingen live de ether in en zijn her en der middels privéopnamen bewaard gebleven, maar de gemiddelde kwaliteit is nogal bedroevend, en niet in de laatste plaats door de beruchte, gortdroge akoestiek van Studio 8-H in Radio City, New York.

Bijzonder is dat we hier ook voor het eerst Mahlers Eerste symfonie gedirigeerd door Walter horen, maar het ensemble rammelt behoorlijk en is menige onzorgvuldig afgewerkte frase te bespeuren, maar desondanks vlamt de inspiratie bij vlagen hoog op en demonstreert Walter in sommige aspecten van het werk een fascinerend inzicht (zoals in de voorbereidende transitie naar de finale). De vertolking én de opnamekwaliteit halen echter op geen stukken na die met de New York Philharmonic van 1954 en met het Columbia Symphony Orchestra van 1961.

 
  Arturo Toscanini

Toscanini

Het is zeker verleidelijk om Walters interpretaties te vergelijken met die van Toscanini in een soortgelijk programma’s, maar echt 'eerlijk' is dit niet omdat het NBC Symphony Orchestra Toscanini’s ‘huisorkest’ was, terwijl Walter nog niet eerder met dit orkest had gewerkt en de lastige akoestische condities een aanvullende handicap vormden. Het kon toen toch niet anders zijn dan dat de Toscanini drill bij de komst van Walter niet plotsklaps verdwenen was. We vinden daarvan een goede afspiegeling in Beethovens Eerste (een zinderende finale waar de vonken vanaf spatten) en Mozarts KV 466 (met Walter ook als solist), waarvan in de hoekdelen – in tegenstelling tot de wat ‘bezadigder’ uitvoering in Wenen in mei 1937 – bijna letterlijk de revolutie wordt gepredikt. Maar alles overziende biedt Toscanini over de gehele linie aanzienlijk meer spanning en drama, is hij ritmisch pregnanter en zet hij een steviger stempel op syncopen, accenten en sforzati. Toscanini musiceerde vaak op het scherpst van de snede, was niet ongenegen om daarbij ook risico’s te nemen, kortom een dirigeerstijl die Walter niet ambieerde.

Laatste opname in het vrije Europa

Terug in Europa neemt Walter op 19 en 20 mei in Parijs werken van Berlioz op, waaronder de Symphonie fantastique en Walters enige studio-opname van het opus zal blijven. Het verschil met de NBC-uitvoering van ruim een maand daarvoor kan niet groter zijn: Walter en het Parijse conservatoriumorkest halen in deze modelvertolking werkelijk alles uit de partituur, en de opname (uiteraard mono) biedt ruim zicht op het espressivo en beschrijvende karakter van deze muziek. In het fraaie un bal lijkt de Weense wals plotsklaps nu wel heel dichtbij. In de finale worden alle grimmige registers opengetrokken. Het zal Walters laatste opname in dat deel van het vrije Europa blijken te zijn: Polen is nog slechts zo’n drie maanden verwijderd van de invasie die de Tweede Wereldoorlog zou inluiden. Regeren is echter vooruitzien en Walter had inmiddels voor hem en zijn familie voor Amerikaanse visa gezorgd. De weg naar Amerika lag open, Walters exodus kon beginnen, in tegenstelling tot miljoenen anderen die minder fortuinlijk waren en niet aan de gevolgen van Hitlers rassenwaan wisten te ontkomen.

Familiedrama

Maar op 19 augustus, veertien dagen voor de Duitse inval in Polen, verloor Walter zijn dochter Gretel die – verwikkeld in een driehoeksverhouding met de tenor Ezio Pinza – door haar echtgenoot in haar slaap was doodgeschoten, waarna hij vervolgens de hand aan zichzelf had geslagen. Walter was door deze dramatische gebeurtenis althans voorlopig niet meer tot werken in staat en deed een beroep op Toscanini om hem te vervangen, die daarin toestemde. Ook de verplichtingen bij het Concertgebouworkest werden afgezegd, en Walter betwijfelde of hij ooit nog wel zou kunnen musiceren. De toenemende spanningen en militaire acties in Europa deden de Walters besluiten om Europa de rug toe te keren en op 1 november vertrokken zij per schip uit Genua met bestemming New York. Beverly Hills in de heuvels bij Hollywood zou het nieuwe onderkomen worden. Het Los Angeles Philharmonic opende voor hem vervolgens zijn poorten en hij nam het dirigeerstokje weer op.

Terug in de 8-H studio

Na een ingelaste rustpauze in januari 1940 was Walter in februari en maart weer terug in de 8-H studio in New York. In die periode dirigeerde hij een groot aantal werken, waaronder Tsjaikovski V, Brahms’ II, Bruckner IV, Debussy’s Prélude à lá après midi d’un faune, Haydns nr. 86, Mozarts nr. 35 (de Haffner), Ravels Rapsodie espagnole, Schubert V en IX, Schumann IV en Strauss’ Don Juan. Het is duidelijk dat Walter hier beter op dreef is dan in het jaar ervoor, met als uitschieter een formidabele, majesteitelijke Bruckner IV. De opname past het beste bij tunnelvisie maar de uitvoering bepaald niet: Walter opent grootse vergezichten in het openingsdeel, met een door merg en been gaande coda, het scherzo klinkt zowel sinister als ‘boertig’ in het trio. Het adagio is een groots afscheid van bijna metafysische proporties. Ondanks het succes dat Walter ten deel viel betekende het tevens Walters afscheid van de NBC live-concerten.

Vooralsnog zijn er geen verder opnamen uit 1940 boven water gekomen, blijkbaar omdat er geen radiouitzendingen meer waren waaraan Walter meewerkte en hij evenmin in de opnamentudio te vinden was. Het kan echter zijn dat er her en der nog privéopnamen circuleren.

Kloof

De gebeurtenissen in Europa drukken zeker een stempel op Walter, waarbij de enorme kloof tussen het ongecompliceerde musiceren in het vrije Amerika en de voortschrijdende Verelendung in het bezette Europa een belangrijke rol speelde. Hij tendeerde naar de opvatting dat het van belang was om de muziek ook in de zwaarste tijden te koesteren, omdat haar onuitputtelijke rijkdom voor het mensdom van fundamentele betekenis was. Muziek was geen medicijn tegen de vertrapping van mensenrechten, tegen dood en verderf, maar zij was wèl het symbool van het goede, van schoonheid. Muziek betekende hoop, en het was de taak van de musicus – aldus bijna een evangelist - om de boodschap van hoop te verspreiden.

De succesvolle verbintenis tussen Walter en het New York Philharmonic werpt ook voor de verzamelaar van nu zijn rijpe vruchten af. Dat geldt zeker ook voor het merendeel van de concerten die Walter in januari en februari 1941 in New York (Carnegie Hall en Liederkranz Hall) dirigeerde. De programmering was zeker conventioneel (daarover later meer) met o.a. Beethovens Eroica, Schumanns Rheinische maar ook met Blochs Evocations en Debussy’s La mer. Met de impressionistische klankwereld van Debussy mag Walter dan volgens enige critici weinig affiniteit hebben gehad (er worden termen gebruikt als zwaar en log, niet transparant en een gebrek aan sfeertekening), uit deze uitvoering blijkt dat zeker niet, hoewel bijvoorbeeld Karajan en Haitink er aanmerkelijk meer uit wisten te halen.  

Bij de uitvoering van Bruckners Achtste moest Walter aan den lijve ondervinden dat het publiek toen bepaald nog niet rijp was voor Bruckner en zeker niet voor dit kolossale werk: menige bezoeker verliet vroegtijdig de zaal. Het is een boeiende vertolking, met vooral in de finale een

Metropolitan Opera

Op 22 februari dirigeerde Walter bij de (oude) Metropolitan Opera Beethovens Fidelio inclusief de derde Leonore ouverture, met o.a. Kirsten Flagstad als Leonore, René Maison als Florestan en Alexander Kipnis als Rocco. Het was Walters tweede uitvoering van een opera op het Amerikaanse continent (de eerste vond plaats op 14 februari, met hetzelfde werk en dezelfde bezetting, maar die werd niet vastgelegd) en de met drama en spanning beladen uitvoering is ondanks het soms ruwe orkestspel minder dan een triomf. Het beperkte frequentiebereik van de opname doet slechts weinig af aan dit fascinerende tijdsdocument.

 
  Bruno Walter, Thomas Mann en Toscanini

In november en december 1941 was Walter weer terug in New York, waar uit de kritieken blijkt dat daar hardere noten werden gekraakt dan aan de zonnige westkust. Uit de bewaard gebleven opnamen van uitvoeringen in o.a. Carnegie Hall blijkt in ieder geval dat Walters opvattingen over de interpretatie van de ‘klassieken’ zich in de loop der tijd niet wezenlijk wijzigden. Dat blijkt uit o.a. Beethovens Keizersconcert (met Rudolf Serkin) en Vijfde symfonie, Mozarts pianoconcert KV 482 (met Artur Schnabel) en Requiem.

Buiten het ‘ijzeren’ repertoire is er in 1942 alleen een opname bewaard gebleven van het vioolconcert op. 28 van Karl Goldmark met het New York Philharmonic en Nathan Milstein als solist, in Carnegie Hall op 1 november.

In Mozarts Don Giovanni aan de Met – rechtstreeks door de radio uitgezonden op 7 maart 1942 - zong Ezio Pinza de titelrol, wat menigeen de wenkbrauwen deed fronsen. Walter hield Pinzo echter niet verantwoordelijk voor de dood van Gretel en na Pinza’s dood in 1957 onderhield Walter het contact met Pinza’s echtgenote Dolores.

Die Zauberflöte  - eveneens door de radio uitgezonden op tweede kerstdag - was een nieuwe productie aan de Met sinds vijftien jaar. Mozarts laatste opera kreeg een op-en-top muzikale uitvoering, zoals in de orkestbak als op het toneel, in een fraaie enscenering van Herbert Graf, die later ook betrokken zou zijn bij de Salzburger Festspiele en o.a. met Herbert von Karajan samenwerkte. Jammer is dat werd gekozen voor een Engelse vertaling, waarin overigens veel tijd en energie was gestoken, wat nog werd versterkt door een storend accent bij de Pamino van Novotná . Het daardoor al met al geen idiomatische vertolking, maar orkestspel, frasering en fijnzinnige dynamische gradaties maken dit desalniettemin tot een muzikaal geslaagd geheel. Een uitvoering als deze maakt op slag duidelijk dat de Met met Walter een groot interpreet in huis had, wat door de leiding echter tamelijk werd onderschat. 

Het nieuwe operaseizoen 1942/43 aan de Met had voor Walter voornamelijk herhalingen van eerdere voorstellingen in petto. Walter vond voor zijn suggestie om Tristan und Isolde op de planken te brengen geen gehoor terwijl hij ook lijdzaam moest toezien dat Erich Leinsdorf werd ingehuurd voor de Wagner-opera’s. Ook andere voorstellen kregen geen steun, waardoor Walter het gevoel kreeg dat hij, de ‘oudere meester uit Europa’ (Walter was toen 65) alleen nog maar goed genoeg was voor het herhalingsrepertoire en geen wezenlijke invloed kon uitoefenen op zijn eigen aandeel in het geheel. Dat het tij voor Walter zich toch nog keerde was vooral te danken aan de inspanningen van Edward Johnson die als leider van de Met zowel het publieke succes als het artistieke belang van Walter wel degelijk inzag en hem wist te paaien met o.a. een nieuwe productie van La forza del destino die op 9 januari 1943 in première ging met een topbezetting en een groot succes werd bij zowel het publiek als de critici. Die glansproductie werd echter niet voor het nageslacht bewaard. De opname van 23 januari heeft een afwijkende bezetting met Stella Roman als Leonore en Frederic Jagel als Don Alvaro, die niet verder komen dan een doorsnee vertolking, wat extra opvalt door de merendeels grootse prestaties in de overige rollen, met Walter als een voorbeeldige Verdi-dirigent.

Matthäus-Passion

Van Walters zeer succesvolle uitvoeringen van Bachs Matthäus-Passion in april 1943 zijn helaas geen complete opnamen voorhanden. Maar wat er wèl is geeft een representatief beeld van een in onze oren ouderwetse benaderingswijze, met een te groot koor en orkest, trage tempi, her en der ouderwets aandoende fraseringen, veel portamenti en daarnaast ook nog willekeurige ingrepen in de herhaling van de – overigens wel vlot gespeelde - aria’s. Er is veel sentiment en weinig pregnantie, en de Engelse vertaling helpt daarbij evenmin, maar deze eerder naar de romantische opera zwemende aanpak maakte op het toenmalige publiek een dusdanig diepe indruk dat er bijna een Matthäus traditie door ontstond.Walters Matthäus werd het grootste publieke succes van het gehele concertseizoen. De verzorgde koor- en orkestklank, het uitstekende solistenteam (alleen de sopraan Nadine Conner heeft hoorbaar moeite met haar partij) en de zeer betrokken evangelist (William Hain) zullen zeker tot het enthousiaste onthaal hebben bijgedragen.

Malaise

Walter voelde zich in die periode verre van fit en werd bovendien geplaagd door aanhoudende lamlendigheid. Daarnaast tobde Elsa met haar gezondheid. Walter dirigeerde in juni drie (openlucht)concerten in de Hollywood Bowl (pas in de zomer van 1947 zou hij er met muziek van Brahms en Wagner weer naar terugkeren) en probeerde thuis in Beverly Hills wat op te knappen en krachten te verzamelen voor het komende nieuwe concertseizoen, waarin ook Walters vijftigjarige dirigentenjubileum luister zou worden bijgezet. Het New York Philharmonic had in maart 1944 hiervoor een ‘feestprogramma’ voor ogen, maar gelet op de oorlogssituatie in Europa en de oneindige misère waaronder miljoenen mensen leden, voelde Walter er niets voor. Daarnaast voelde hij zich nog steeds niet voldoende fit voor een uitputtende reeks concerten. Hoog op zijn lijst stond echter Beethovens Negende die inderdaad op 19 maart 1944 onder Walters leiding werd uitgevoerd.

Walter was in ieder geval niet in staat om het concert op 14 november met o.a. Strauss’ Don Quixote te leiden dat de feitelijke opmaat zou vormen voor de komeetachtige carrière van Leonard Bernstein die toen vrijwel onvoorbereid Walter moest vervangen. Een grotere teleurstelling voor Walter was de afzegging van Wagners Tristan und Isolde, die Walter pas na veel duwen en trekken van de leiding van de Met toegezegd had gekregen en tevens zijn eerste Wagner-opera bij het operahuis zou zijn, maar alsnog aan zijn neus voorbijging (Beecham verving Walter).

In december en januari stond Verdi’s Un ballo in maschera op het programma en uit een bewaard gebleven opname van 15 januari met o.a. Zinka Milanov als Amelia, Frances Greer als Oscar, Kerstin Thorborg als Ulrica en Jan Peerce als Riccardo blijkt dat Walter in dit repertoire Toscanini naar de kroon steekt. Walter was nog verre van hersteld maar bracht desalniettemin een werkelijk zinderende uitvoering op de planken, waarbij ook het solistenteam boven zichzelf lijkt uit te stijgen.

Op 12 maart 1944 gaf Walter met het New York Philharmonic de eerste uitvoering in New York van Barbers Eerste symfonie in de omgewerkte versie. Het is een van de weinige substantiële exploraties van Walter in het eigentijdse domein. Op 23 januari 1945 maakte Walter ook nog een studio-opname van het werk.

De opname van Beethovens Negende op 19 maart ter gelegenheid van Walters vijftigjarige dirigentenjubileum bevat helaas ook fragmenten van een studio-opname die vijf jaar later werd gemaakt, maar storend is de omroeper die zich in het midden van het openingsdeel meldt.

Moeilijke tijden

In juni werd Elsa door een ernstige beroerte getroffen, wat Walter noopte om thuis te blijven. Hij vulde zijn tijd met het op schrift stellen van zijn levensherinneringen te werken (de later uitgegeven Themes and Variations).

In maart 1945 was Walter weer terug aan de Met met Beethovens Fidelio in Engelse vertaling. Dat is dan tevens het enige nadeel want we horen een fenomenale Regina Resnik en een niet minder indrukwekkende Florestan van Arthur Carron. Ook de overige rolbezetting mag er zijn, met Lorenzo Alvary als Rocco, John Garris als Jacquino en Kenneth Schon als een meedogenloze Pizarro. In de jubelende finale schildert Walter met forse penseelstreken de uiteindelijke overwinning op het kwaad.

De op 1 april 1945 vastgelegde radiouitzending van Bachs Matthäus-Passion, wederom in Engelse vertaling, staat inhoudelijk in het teken van de dood van Elsa op 26 maart. Jammer genoeg bestaat alleen van het eerste deel een opname, en dan nog met coupures. Van heel wat groter belang is de eerste volledige opname in de discografische geschiedenis van Mahlers Vierde symfonie, op 10 mei 1945, met in de finale de minder idiomatische sopraan Desi Halban, zes dagen later gevolgd door Mendelssohns (eerste) vioolconcert met Nathan Milstein. Van de beide in Carnegie Hall gemaakte opnamen is het toch het vioolconcert dat de meeste aandacht trekt door zowel de superieure en diepgravende solopartij van Milstein als het als een handschoen passende orkestspel van het New York Philharmonic.

In mei liep het seizoen in New York ten einde met muziek van Bach, Mendelssohn, Brahms, Beethoven, Schubert en Richard Strauss. In Europa was de oorlog voorbij, maar de bijna zeventigjarige Walter had besloten zich daar niet meer te vestigen. Zijn komende activiteiten in Europa zouden zich beperken tot korte en zeker geen inspannende tournees. Er waren uitnodigingen binnengekomen en plannen in de maak voor concerten in o.a. Amsterdam, Brussel, Londen en Stockholm. In Lugano zouden Walter en Lotte dan de urn met de resten van Elsa bij die van Gretel plaatsen, en waar uiteindelijk ook Walter zijn laatste rustplaats zou vinden.

In het nieuwe concertseizoen volgde in december 1945 in Carnegie Hall de – overigens niet vastgelegde - eerste uitvoering van Mahlers Negende symfonie in Carnegie Hall door het New York Philharmonic, niet minder dan 33 jaar na de wereldpremière in Wenen, eveneens onder Walter.

Na de concertreizen in Europa met alleen het ‘ijzeren’ repertoire dirigeerde Walter in de loop van december het New York Philharmonic in Carnegie Hall in werken van o.a. Mozart (symfonie nr. 39 en het vioolconcert KV 218 met Bronislaw Huberman als solist), Schumann (Frühling) en Richard Strauss (Sinfonia domestica).

Van de opnamen uit 1946 vermeld ik hier Mozarts fijnzinnig uitgevoerde Sinfonia concertante KV 364, Schuberts Negende waarin lyriek en drama zeer fraai gestalte krijgen, een majestueuze  Bruckner IX maar met een bijtend scherzo, en in Philadelphia Beethovens Pastorale (met het Philadelphia Orchestra) met de feilloos gerealiseerde stemmingsbeelden die hij later ook met het Columbia Symphony Orchestra in een aanzienlijk betere (stereo)opname zou evenaren.

Muzikaal adviseur

Na het aftreden van Artur Rodzinksi als artistiek leider van de New York Philharmonic Society in februari 1947 werd de vacante positie aan Walter aangeboden. Hij weigerde echter om persoonlijke redenen, waarbij zijn reeds gevorderde leeftijd en de met de jaren gekomen afname van zijn energie de belangrijkste rol speelden. Na gesprekken over en weer tussen het bestuur en Walter koos hij tenslotte voor de minder verplichtende positie van muzikaal adviseur. En zo ging Walter het seizoen 1947/48 in als musical advisor van het New York Philharmonic.

Het jaar 1947 levert een muzikaal rijke oogst aan opnamen op, te beginnen op 21 januari met het Boston Symphony Orchestra in Symphony Hall, Boston, met Beethovens Prometheus ouverture, Haydns symfonie nr. 92 en Strauss’ Don Juan, op 7 februari gevolgd door Mozart-aria’s aan de Met met de bas Ezio Pinza en op 9 februari in Carnegie Hall Chopins Eerste pianoconcert met Arthur Rubinstein als de flonkerende solist. Op 10 februari kwam dan de opname in New York van Mahlers Vijfde symfonie, met een gespierde lezing in de hoekdelen en een virulent scherzo. Het concert op 2 maart in Philadelphia biedt een gloeiend melancholieke Onvoltooide  van Schubert, maar ook met onverzettelijke akkoordblokken. Mozarts Haffner symfonie schittert op 18 maart in Boston als een juweel, met daarnaast een diep doorleefde Siegfried Idyll van Wagner. Precies een week later staat Mahlers Vierde in Boston op de lessenaars, wederom met Desi Halban die de hemelse vreugde bezingt. Bijzonder is Beethovens vioolconcert met Joseph Szigeti (New York, 5 april) en Mendelssohns vioolconcert met Zino Francescatti (New York, 9 maart),die weliswaar een andere ‘belichting’ geeft dan Milstein vijf jaar eerder, maar zeker tot een van de hoogtepunten mag worden gerekend.

In Debussy’s Prélude à l’après midi d’un faune is Walter op 1 maart in Philadelphia minder op dreef: het dromerige karakter van het stuk, impressionisme van de bovenste plank, valt merendeels buiten Walters perspectief. Schuberts Unvollendete daarentegen treft door de gloeiende melancholie en akkoorden als rotsblokken.

Succesvol zijn ook de zomerconcerten in de Hollywood Bowl, waar Walter na vier jaar weer present is en met grote distinctie en elan muziek van Wagner en Brahms dirigeert.

In september zijn Walter en de Wiener Philharmoniker te gast bij Edinburgh Festival, dat was opgezet door de directeur van het Glyndebourne Festival en latere directeur van de Met, Rudolf Bing. Helaas zijn hiervan alleen opnamen van ouvertures en walsen van Johann Strauss Jr. zijn bewaard gebleven, maar er is ook een registratie van het fraaie recital van de alt Kathleen Ferrier die, begeleid door Walter, een fabuleuze vertolking geeft van Schumanns liederencyclus Frauenliebe und -leben.

Tumult in het Concertgebouw

De maand daarop dirigeert Walter het Concertgebouworkest in Amsterdam. Van het concert op 16 oktober is alleen Walters zeer doordringende lezing van Mahlers Eerste symfonie bewaard gebleven, en missen we het tumult dat voorafging aan Don Juan van Richard Strauss. Nog voor een noot had geklonken had een aantal bezoekers demonstratief de zaal verlaten, wat niets met dit epos te maken had, maar alles met de kort daarvoor uitgevoerde Metamorphosen, een studie voor 23 solostrijkers van dezelfde componist, die als ondertitel ‘in memoriam’ droeg en waarvan ten onrechte werd verondersteld dat dit een ‘stil’ eerbetoon was van Strauss aan Adolf Hitler. Strauss was direct na de oorlog in Nederland 'verdacht' door zijn toenmalige verbondenheid met de Kulturkammer. Walter nam kennis van de protesten maar reageerde nogal laconiek met de mededeling dat hij er slechts een meesterwerk in kon zien, en dat het stuk slechts herinneringen bevatte aan Strauss’ eigen leven. De verwijzingen naar Der Rosenkavalier en Ein Heldenleben waren evident, terwijl de treurmars uit Beethovens Eroica letterlijk werd geciteerd. Walter begreep de opwinding niet, wat overigens zeker niet wil zeggen dat hij de méns Strauss hoog in het vaandel had. In 1952 dirigeerde Walter Don Juan wederom in Amsterdam, maar dan zonder enig incident.

 
  Met Elisabeth Schumann in Londen, 1947
   
   

Op 13 november dirigeert Walter in de Londense Royal Albert Hall het Londen Filharmonisch Orkest en koor in Beethovens Negende, een rechtstreekse radiouitzending die qua opname achterblijft bij die met het Columbia Symphony Orchestra, maar er interpretatief toch nog bovenuit stijgt. De vocale zegepalm gaat naar de sublieme Kathleen Ferrier, die ook hier weer onovertroffen is.

Terug in New York dirigeert Walter in november nog o.a. Beethovens Eerste en Dvoráks Achtste, waarbij weer opvalt dat zijn visie op de ‘klassieken’ door de jaren heen consistent blijft.

Het jaar 1948 zet op 18  januari heel bijzonder in met de superieure vertolking van Mahlers Das Lied von der Erde. Kathleen Ferrier had last van een verkoudheid maar Der Abschied gaat door merg en been. De tenor Set Svanholm en het New York Philharmonic laten ook horen wat Walters Mahler-stijl in de praktijk werkelijk inhoudt als er niet of nauwelijks technische beperkingen zijn.

Walter zette op 15 februari Paul Hindemiths Sinfonia serena op het programma, maar het aandeel eigentijdse muziek blijft gedurende Walters loopbaan aan de wel zeer magere kant. Met de Tweede Weense School had hij niets, maar in het algemeen moest hij niets hebben van dissonanten ‘die nergens naar toe leidden’. Wat Walter ertoe heeft bewogen om de Tweede symfonie van zijn tijdgenoot Douglas Moore op het programma te zetten is niet goed duidelijk want muzikale kwaliteiten bezit het stuk niet of nauwelijks, het is niet meer dan slecht gecomponeerde filmmuziek, met als kitscherige klap op de vuurpijl de volstrekt lege, potsierlijke finale van onder de vier minuten. Met de kwalitatief goede muziek van de nieuwe lichting Amerikaanse componisten als Schuman, Hanson, Copland en Harris had Walter juist geen affiniteit.Op 11 april dirigeert Walter weliswaar de Tweede symfonie van zijn vriend Daniel Gregory Mason, maar het werk is niet bijster origineel en heeft veel weg van de muziek van Elgar. Beduidend interessanter is het gepassioneerde en avontuurlijke vuurwerk dat Vladimir Horowitz in Tsjaikovski’s Eerste pianoconcert ten beste geeft. Zelfs de matige opnamekwaliteit kan niet verhullen dat een onverschrokken, hoogromantische pianist aan het werk is die met veel pathos grote golfbewegingen creëert en buiten de lijnen speelt, terwijl Walter er juist alles aan doet om binnen de lijnen van een ‘klassieke’ vertolking te blijven.

Beethovens Missa solemnis op 18 april uit Carnegie Hall, wederom een rechtstreekse radiouitzending, gaat soms gebukt onder minder gelukkige momenten (o.a. in de Gloria fuga), maar in interpretatief opzicht is het toch buitengewoon jammer dat Walter dit werk bij het Columbia Symphony Orchestra niet meer heeft kunnen dirigeren. De hier geëtaleerde diep doorvoelde menselijkheid, de grootse visie die hier wordt gedemonstreerd is Walter tenvoeten uit. Vreemd is dat de lp-versie zeer goed klinkt en dat de cd-versie ernstig vervormt.

Op 15 mei dirigeert Walter de Wiener Philharmoniker en het koor van de Weense Staatsopera in de gouden zaal van de Weense Musikverein in Mahlers Tweede symfonie. De vertolking doet zeker niet onder voor de uitvoering in februari 1958 met het New York Philharmonic. Van het tweede concert met Bruckners Te Deum en Beethovens Negende bestaan naar mijn weten geen opnamen.

Diabetes: een stap terug

In de herfst van 1948 wordt bij Walter diabetes ontdekt en zijn insuline-injecties onvermijdelijk. Ook klaagt hij over een verminderde ademhaling en in oktober deelt hij het bestuur van het New York Philharmonic mede dat hij in het komende seizoen niet meer als muzikaal adviseur zal optreden. De dan 72-jarige Walter doet een stap terug en annuleert ook allerlei dirigeerverplichtingen in Europa. Wel is hij in november actief in Chicago.

Van februari tot in de lente van 1949 dirigeert Walter het New York Philharmonic in een voorbeeldige Beethoven-cyclus met zowel de symfonieën als de grote ouvertures, het viool- en tripelconcert en de concertaria ‘Ah, perfido!” Een van de vele hoogtepunten was volgens velen de superieure Negende met een subliem solistenteam: de sopraan Eleanor Steber, de alt Nan Merriman, de tenor Raoul Jobin en de bariton Mack Harrell. Jammer genoeg moesten de dames in de uiteindelijke – overigens groezelige – studio-opname van de finale op 4 mei echter verstek laten gaan. Steber werd vervangen door Irma Gonzalez en Merriman door Elena Nikolaidi. Het verschil kan ik niet vaststellen want de uitvoering op 19 maart werd weliswaar rechtstreeks door de radio uitgezonden maar de opname is bij mijn weten nooit op de markt gebracht.

In juni is Walter te gast bij het Los Angeles Philharmonic en we danken er een sublieme vertolking van o.a.Mozarts pianoconcert KV 488 aan met de toen 20-jarige Leon Fleisher, een veelbelovende leerling van Artur Schnabel, die vooral in het middendeel onder Walter de hoogst denkbare troeven uitspeelt. Fleisher zou later met George Szell en het Cleveland Orchestra ook grote discografische furore maken met de Beethoven- en Brahms-concerten, maar moest zich tenslotte noodgedwongen beperken tot het repertoire voor uitsluitend de linker hand. Daarnaast treft ook de gedreven dramatisch uitgevoerde Mozarts symfonie in g, KV 550.

In de zomer dirigeert Walter weer in Europa, maar daarvan zijn naar mijn weten geen opnamen gemaakt. Ook zijn eerste verbintenis met de Salzburger Festspiele sinds 1937 werd niet vastgelegd, waaronder Mahlers Das Lied von der Erde met de Wiener Philharmoniker, Ferrier en Patzak (dezelfde bezetting als in de Decca-opname uit 1952). Wel hebben we gelukkig een aantal opnamen dat werd gemaakt van iedrecitals (Schubert, Brahms en Schumann) van het duo Ferrier en Walter tijdens het Edinburgh Festival in september. Ook is er een opname van 4 oktober die in het Londense Kingsway Hall werd gemaakt van Mahlers Kindertotenlieder, ontroerend en fraai uitgewerkt door Ferrier en de Wiener Philharmoniker onder Walter.

In het concertseizoen 1949-50 zijn er slechts sporadische optredens van Walter bij het New York Philharmonic en beperkt hij zich daarbij tot de muziek die hem zeer nauw aan het hart ligt, met o.a. Mozarts pianoconcert KV 466 met Rudolf Firnuský als solist, Beethovens Eroica en Mahlers Eerste symfonie. De opnamen tonen Walter in grote vorm, ondanks een pijnlijke arm die hem zeer hinderde.

Daarentegen dirigeerde Walter in Europa een groot aantal concerten: de agenda was overvol met optredens in Stockholm, Gotenburg, Berlijn, Frankfurt, München,  Salzburg, Luzern en Zürich. Daaronder zijn er uwelen die gelukkig werden vastgelegd: Mozarts Linzer (Stockholm, live, 8 september 1950) en KV 550 (Berlijn, live, 25 september), Brahms’ Ein deutsches Requiem (Stockholm, live, 14 of 15 september, ondanks een weinig geëngageerd solistenteam en een wat moeizaam kooraandeel) en Tweede symfonie (Berlijn, live, 24 of 25 september), Mahler I (München, live, 2 oktober) en IV met een superieure Irmgard Seefried die in de finale ‘das himmlische Leben’ bezingt (Salzburg, live, 24 augustus), Schuberts Achtste (München, live, 2 oktober) en Negende (Stockholm, live, 8 september 1950). Opvallend is dat Walter voor zijn uitvoeringen in Europa vergelijken met die met het New York Philharmonic door de bank genomen een iets lager tempo kiest. Blijkbaar paste Walter zich in New York aan het daar ietwat hoger liggende ‘levenstempo’ aan.

Indrukwekkende Brahms-cyclus

In het seizoen 1950-51 dirigeerde Walter in New York een Brahms-cyclus van formaat: naast de ouvertures en symfonieën werden ook de beide pianoconcerten (met nr. 1 met Clifford Curzon en nr. 2 met  Myra Hess), het dubbelconcert (met de violist John Corigliano en de cellist Leonard Rose) en een aantal Hongaarse dansen tijdens de live-uitzendingen vastgelegd. Jammer is dat het vioolconcert (met Zino Francescatti) ontbreekt.

Op 24 februari is Walter na tien jaar afwezigheid weer terug bij Toscanini’s NBC Symphony Orchestra, als invaller voor de toen geblesseerde Italiaanse maestro. Niet alleen werden Mozarts Figaro-ouverture en vioolconcert KV 216 (met Joseph Szigeti) plus Strauss’ Tod und Verklärung daarbij vastgelegd, maar kunnen we ook genieten van repetitiefragmenten (Mozart en Strauss) die een representatief inzicht geven in Walters werkwijze in die dagen en die een treffende gelijkenis vertonen met de repetitieopnamen met het Columbia Symphony Orchestra.

 
  Kirsten Flagstad als Leonore

De Met toont weer belangstelling

Nadat Rudolf Bing in 1949 was benoemd als algemeen direct van de Met met ingang van het operaseizoen 1950-51, kwam ook Walter bij dit gerenommeerde gezelschap weer meer in beeld. Een paar weken na het NBC concert, op 10 maart 1951, leidt Walter zijn eerste Fidelio aan de Met, met Kirsten Flagstad (Leonore), Set Svanholm (Florestan), Paul Schöffler (Pizarro), Nadine Conner (Marzelline) en Dezsö Ernster (Rocco). De vocaal strálende Flagstad was muzikaal dan wel de juiste keuze maar de New Yorkers namen het haar niet in dank af dat zij naar het door Nazi-Duitsland bezette Noorwegen was verhuisd om zich daar bij haar echtgenoot te voegen. De opera werd (gelukkig) in het Duits gezongen en klonk bij Walter zoals gebruikelijk de derde Leonore-ouverture vóór het koorlied ‘Heil sei dem Tag’.

Twee dagen later, op 12 maart, neemt Walter Beethovens Zevende en Brahms’ Akademische Festouverture op met het New York Philharmonic in de studio aan 30th Street. Op 21 februari was in dezelfde studio Brahms’ Vierde eraan voorafgegaan. De lezingen wijken nauwelijks af van Walters latere (aanmerkelijk beter vastgelegde) stereo-opnamen met het Columbia Symphony Orchestra.

 
  Kathleen Ferrier

Rijke oogst: 1952-1955

Het jaar 1952 is rijk aan opnamen die weliswaar van sterk wisselende kwaliteit zijn, maar daaronder een tweetal dat fonografische geschiedenis heeft gemaakt: Mahlers Rückertlieder ‘Ich atme einen Linden Duft’, ‘Ich bin der Welt abhanden gekommen’ en ‘Um Mitternacht’ met de reeds ernstig zieke Kathleen Ferrier (zij overleed op 8 oktober 1953) en de Wiener Philharmoniker (Wenen, 20 mei), en Das Lied von der Erde, wederom met de Weners en de Ferrier alsmede de tenor Julius Patzak (Wenen, 15-20 mei). Het waren Walters eerste studio-opnamen van beide werken.

Interessant zijn ook de uitvoeringen met het Concertgebouworkest: op 6 juni in Scheveningen en op 19 juni in het Concertgebouw in Mozarts KV 550, Strauss’ Don Juan en Walter eerste optreden met Elisabeth Schwarzkopf, in Mahlers Vierde.

Een curiositeit zijn twee uitvoeringen van Brahms’ Ein deutsches Requiem, die voor de puristen tenen krullend moeten zijn: op 16 maart 1952 gezongen in het Engels in New York en – nog bonter – een maand later, op 16 april, in Turijn – met de bijzonder indrukwekkende Boris Christoff  - in het Italiaans. Ik zal de enige niet zijn die met een dergelijk concept grote moeite heeft, maar bedacht moet worden dat Walter het werk bij een groter publiek ingang wilde doen vinden en daarbij hielp in de niet-Duits sprekende landen de oorspronkelijk zetting niet echt.

Boeiend is de Wagner-avond op 23 maart met het New York Philharmonic in Carnegie Hall. De opname bevestigt nog eens uitdrukkelijk dat Walter ook op late leeftijd een uitstekende Wagner-dirigent was wiens expansieve en dramatische stijl het publiek in vervoering wist te brengen. Het is dan ook meer dan spijtig dat een complete Wagner-opera in Walters discografie ontbreekt. Een voorproefje biedt tenminste de zinderende immolatiescène uit Götterdämmerung met een glansrol voor Kirsten Flagstad. In Wagners Wesendonck-Lieder is Flagstad minder goed op dreef en is Walter aan de piano zeker geen ideale begeleider.

Twee grote opnameprojecten stranden door verschillende oorzaken: Mahlers Achtste in München ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan van de Münchner Philharmoniker ging niet door wegens tijdgebrek bij Walter.  Plannen voor de opname van de symfonieën van de Amerikaanse componist en tijdgenoot van Walter, Daniel Gregory Mason stuiten op bezwaren van Columbia Records. Een opnameproject dat wel succesvol kon worden afgesloten was de integrale vastlegging van acht Beethoven-symfonieën met het New York Philharmonic en de Pastorale met het Philadelphia Orchestra. De Eroica, de Vijfde en de finale van de Negende werden op dringend verzoek van Walter tweemaal opgenomen, maar desalniettemin heeft de cyclus met het CBS toch de uiteindelijke voorkeur, en niet in de laatste plaats dankzij de aanmerkelijk betere (stereo)opname.

Het jaar 1952 wordt tenslotte op 29 december niet opzienbarend in New York uitgeluid met o.a. Strauss’ Don Juan, Tod und Verklärung (29 december).

In het voorjaar van 1953 zijn er naast vele concerten ook regelmatige bezoeken aan de opnamentudio. De dan 76-jarige Walter is nog steeds onvermoeibaar, al komt het al geruime tijd niet meer van het instuderen van nieuwe werken. Dat zien we trouwens ook vandaag de dag bij de meeste dirigenten: ze ‘drijven’ als het ware op het repertoire dat ze van haver tot gort kennen en waarmee zij internationaal succes kunnen boeken. Op latere leeftijd zijn ze immers vrijwel niet meer als chefdirigent met een orkest verbonden en wordt van hen niet meer gevraagd om in het concertseizoen het merendeel van de abonnementsconcerten voor hun rekening te nemen.

De concerten in zowel Amerika als Europa in 1953 leverden wederom een fors aantal opnamen op. Weer valt op hoe consistent Walters opvattingen zijn, al is er ook nu sprake van door de bank genomen iets lagere tempi in Europa. Een aardig voorbeeld daarvan is Mahlers Vierde op 4 januari (met Irmgard Seefried in Carnegie Hall) en een half jaar eerder, in juni, in zowel Scheveningen als Amsterdam (met Elisabeth Schwarzkopf).

Van het concert in Carnegie Hall op 15 februari zijn in ieder geval Beethovens vioolconcert met Camilla Wicks en Haydns symfonie nr. 102 bewaard gebleven. De Haydn-symfonie is in die zin interessant dat dit de enige Walter-opname van het werk is, wat helaas ook geldt voor Brahms’ vioolconcert, een live-opname uit Carnegie Hall van 20 december met Erica Morini.

Interessant zijn zeker de in de studio aan 30th Street opgenomen Brahms-symfonieën (I: 30 december; II: 28 december; III: 21-23 december; IV: 21 februari 1951), aangevuld met de Haydn-variaties (18-19 februari), de Tragische ouverture (18-23 februari) en de Akademische Festouverture (12 maart 1951). Bovendien zijn er repetitiefragmenten bewaard gebleven van de openingsdelen van II en III.

Een programma met Mozart-aria’s op 14 en 21 februari met de sopraan Eleanor Steber zag er op papier weliswaar veelbelovend uit maar het valt uiteindelijk toch tegen: Steber blijkt niet opgewassen tegen de technische hoogstandjes in het hoge register die de componist verlangt. Ook Walter is hier minder op dreef omdat hij zich noodgedwongen moet aanpassen aan de beperkte vocale mogelijkheden van zijn soliste. Op 7 en 8 mei in Los Angeles gaat het met de bas-bariton George London  in o.a. een selectie uit Le nozze di Figaro heel wat beter en lijken ook orkest en dirigent aangestoken te zijn door de grote vocale klasse die wordt uitgestraald. Ook vandaag de dag, zo verwend als we zijn, zou dit een gebeurtenis van formaat zijn.

Das Lied von der Erde op 22 februari (Carnegie Hall) maakt pijnlijk duidelijk dat de alt Elena Nikolaidi niet in de schaduw kan staan van Ferrier en dat de tenor Set Svanholm navenant minder presteert dan op 18 januari 1948 met Ferrier en hetzelfde orkest (New York Philharmonic) in dezelfde zaal. Bruckners Te Deum op 7 maart (Carnegie Hall) beklijft evenmin.

Bruckners Negende tijdens de Salzburger Festspiele op 20 augustus krijgt met de Wiener Philharmoniker een modeluitvoering die niet onderdoet voor Walters laatste – technisch overigens aanmerkelijk beter geslaagde - opname met het Columbia Symphony Orchestra in november 1959. Hetzelfde werk werd op 27 december in Carnegie Hall uitgevoerd, maar het verre van idiomatische New York Philharmonic is hier evenals al eerder, op 17 maart 1946, geen partij voor de Weners. Mozarts Exsultate jubilate treft daarentegen wel door de puurheid van Irmgard Seefrieds vocalistiek en het haar als een handschoen passende orkestaandeel, al was een kleinere bezetting wenselijker geweest, maar ook in die tijd nu eenmaal niet gebruikelijk.

Ein deutsches Requiem staat op 8 september tijdens het festival in Edinburgh op het programma, maar de opname laat voldoende duidelijk horen dat het plaatselijke koor niet echt was opgewassen tegen de veeleisende partituur. Het groezelige beeld kan ook niet worden gered door de Wiener Philharmoniker en de bijdragen van Irmgard Seefried en Dietrich Fischer-Dieskau (overigens zijn eerste optreden met Walter).

Op 5 januari 1954 dirigeert Walter in Chicago Brahms’ dubbelconcert met John Weicher (viool) en János Starker (cello), op 15 januari 1954 gevolgd door Beethovens tripelconcert met dezelfde bezetting, aangevuld met de pianist George Schick. Zelfs de matige opnamen verhullen niet Walters energieke aanpak en zorgvuldige afwerking. In het dubbelconcert haalt Weicher haalt echter niet het niveau van Isaac Stern die met Leonard Rose ook een betere combinatie vormt (deze studio-opname van 29 november klinkt ook beter).

Zeer fraai is ook Mozarts pianoconcert KV 449 met Myra Hess. De live-opname van 17 januari 1954 uit Carnegie Hall is een schoolvoorbeeld van de ‘klassieke’ aanpak die o.a. Annie Fischer en Clara Haskil voorstonden en die naadloos aansluit bij Walters eigen opvattingen. Enige geringe ontsporingen leggen hier geen enkel gewicht in de schaal.

Mahlers Eerste op 25 januari is wederom een live-opname van een concert in Carnegie Hall en wijkt interpretatief nauwelijks af van de aanmerkelijk beter klinkende CBS-(stereo)opname uit 1961. De technische afwerking in de latere opname is ook iets beter.

Treffend is ook de ‘klassieke’ vertolking van Berlioz’ Symphonie fantastique op 21 februari in Carnegie Hall. Ontdaan van de gebruikelijke romantische overvloed klinkt het werk hier uitgesproken fris, al blijven door de beperkte opname veel details onderbelicht.

In december levert Walter een van zijn beste vertolkingen van Ein deutsches Requiem af, mede dankzij het goed op dreef zijnde Westminster Choir en de superieure Irmgard Seefried en George London. De matige live-opname is ook nu weer een geducht struikelblok: de scherpe koorklank en de voortdurende grauwsluiers maken het zeker geen klankfestijn. Ook Haydns symfonie nr. 96 mag er zijn, de klassieke aanpak gaat gepaard met veel esprit en soms ook uitbundige humor. Het bezonken middendeel werkt hier als een verkwikkend rustpunt. De studio-opname is weliswaar niet zo verfijnd als we tegenwoordig gewend zijn maar van meer dan voldoende gehalte om Walters klankpalet goed uit de luidspreker te laten komen.

Mozarts Vioolconcert KV 219 op Tweede Kerstdag toont een minder goed gedisponeerde Joseph Szigeti, die toen al ernstig te kampen had met artritis. De gebrekkige live-opname maakt het er niet beter op.

De eveneens in december gemaakte studio-opname van Mozarts Eine kleine Nachtmusik KV klinkt weer aanmerkelijk beter maar mist de hedendaagse spitse aanpak en is daardoor wat zwaar op de hand. De vrijmoedige fraseringen en tamelijk grote dynamische contrasten leiden tot een uitvergroting die grootschaligheid in de hand werkt. De treurmuziek voor de vrijmetselaars KV 477 vaart op een geheel ander kompas en kan zich meten met de Columbia Symphony Orchestra-opname uit 1961, maar ook nu geldt dat de laatste opname het opnametechnisch gemakkelijk wint van zijn matige voorganger.

De laatste maand van het jaar 1954 levert trouwens ook een magnifieke vertolking op van Mozarts ‘kleine’ g-klein symfonie KV 183 op, overigens een goed geslaagde studio-opname, maar anderhalf jaar later zou Walter tijdens de Salzburger Festspiele een NOG intensere uitvoering leiden (de live-uitvoering op 26 maart 1956 in Carnegie Hall haalt dat niveau niet), en dit ondanks de iets langzamere tempi. Pech daarbij is weer dat de opnamekwaliteit de nodige wensen onvervuld laat.

Walters laatste opnameproject (Columbia Symphony Orchestra) bevat evenmin de symfonieën KV 200 en KV 201 en dus is het prettig dat beide eveneens in december in de studio werden vastgelegd. Daarmee zijn, alles bijeengenomen, tenminste redelijk tot goed klinkende studio-opnamen uit de jaren vijftig beschikbaar van de symfonieën nr. 25 KV 183, nr. 28 KV 200, nr. 29 KV 201, nr. 35 KV 385 (Haffner), nr. 36 KV 425 (Linzer), nr. 38 KV 504 (Praagse), nr. 39 KV 543, nr. 40 KV 550 en nr. 41 KV 551 (Jupiter). De interpretatieve verschillen tussen de live- en de studio-opnamen zijn gering, terwijl de studio-opnamen aanzienlijk beter klinken. 

 
  Walter feliciteert Pierre Monteux met diens tachtigste verjaardag
   
   
   

De vele concerten die Walter in 1955 in zowel Amerika als Europa dirigeerde kent althans twee hoogtepunten: Bruckners Te Deum en Beethovens Negende symfonie met Hilde Güden, Hilde Zadek (Elisabeth Höngen in de Negende), Erich Majkut en Gottlob Frick, de Wiener Philharmoniker en het koor van de Weense Staatsopera in de zojuist gerestaureerde Weense Staatsopera op 13 november. Karl Böhm, eens de assistent van Walter, leidde de openingsvoorstelling met Fidelio. De live-opname van het Walter-concert is helaas van matige kwaliteit maar dat is dan maar een kleine smet bij de diep bewogen en gepassioneerde uitvoering waar de vonken vanaf spatten. Dat de alt Höngen beter presteert dan de mezzo Zadek doet daaraan evenmin iets af.

Heel fraai is ook het concert in Wenen met de Wiener Philharmoniker en Güden, een Mahler-programma bestaande uit de Vierde symfonie en liederen uit Des Knaben Wunderhorn en drie Rückert-liederen, met als voorproefje de fraai belichte Praagse van Mozart.

En dan is daar natuurlijk de legendarische repetitieopname met Walters visie op Mozarts Linzer KV 425. Het (New Yorkse) Columbia Symphony Orchestra werd op 26, 27 en 28 april 1955 door Walter ‘onder handen genomen’ en we zijn getuige van de aanpak van de altijd vriendelijke Walter die uiteindelijk toch krijgt zoals hij het hebben wil (zie ook op deze site: Walter aan het werk).

In het Mozart-jaar 1956 (de tweehonderdste geboortedag van de componist werd herdacht) dirigeert Walter op 23 juni in Wenen een meeslepende uitvoering van Mozarts Requiem met een sterbezetting: de sopraan Wilma Lipp, de alt Hilde Rössl-Majdan, de tenor Anton Dermota en de bas Otto Edelmann, de Wiener Singverein en de Wiener Philharmoniker.

De uitvoering van hetzelfde werk op 26 juli tijdens de Salzburger Festspiele lijdt onder de wel zeer matige opname en is Ira Malaniuk niet alleen hoorbaar de mindere van Rössl-Majdan, maar kan zij zich ook niet voldoende handhaven tussen Lisa Della Casa, Anton Dermota en Cesare Siepi.

Hetzelfde kan worden gezegd van de uitvoering in New York (Carnegie Hall) op 10 en 12 maart, al worden zowel Irmgard Seefried als Jennie Tourel duidelijk merkbaar meegesleept door de intens dirigerende Walter.

De Zauberflöte in het Engels vond en vind ik een monstrum en de voorstelling aan de New Yorkse Met toont dit ook aan, ondanks de magnifieke bezetting en de kwaliteit van de uitvoering als geheel. Áls de opera in het Duits was gezongen én gesproken… We hadden er een classic of the gramophone bij gehad, ondanks de weer matige opnamekwaliteit.

De enorme stroom Mozart-symfonieën (en dan met name de nummers 35, 36, 38, 39, 40 en 41) in het herdenkingsjaar tonen Walter weer op zijn best als Mozart-vertolker, waarbij de geringe ontsporingen tijdens de live-uitvoeringen en de sterk variërende opnamekwaliteit graag voor lief worden genomen. De 80-jarige Walter lijkt onvermoeibaar en artistieke inzinkingen lijken hem vreemd.

Hartproblemen

Op 16 januari 1957 overlijdt Arturo Toscanini, twee maanden vóór zijn negentigste verjaardag. Walter wordt als slippendrager gevraagd maar zijn fysieke conditie verhindert dat. Op 3 februari 1957 neemt hij echter deel aan het herdenkingsconcert in Carnegie Hall en dirigeert hij in het door Toscanini beroemd gemaakte Symphony of the Air programma Beethovens Eroica. De postume invloed van Toscanini op het orkest blijkt groot: de uitvoering getuigt ondanks Walters inbreng volmondig van Toscanini’s artistieke visie op Beethoven.

Mahlers Tweede verschijnt na lange tijd weer op het programma en nu in de originele, dus Duitstalige versie. Op 17 februari dirigeerde Walter een live-uitvoering in Carnegie Hall (met de sopraan Maria Stader en de alt Maureen Forrester) en de dag daarop werd op deze locatie aan de studio-opname begonnen die precies een jaar later pas zou worden voltooid, ditmaal met de sopraan Emilia Cundari. Kort na een voorstelling van Die Zauberflöte in New York op 1 maart werd Walter op 5 maart door een milde hartaanval getroffen. Het zou daarmee tevens Walters laatste operavoorstelling zijn. Na verblijf in het ziekenhuis keerde hij in april terug naar zijn huis in Beverly Hills om gedurende de rest van het jaar rust te nemen. In de zomer geniet Walter van de zon, de rust en de warmte in het arcadische Palm Springs.

Het laatste project

Walter knapt langzamerhand op en dat blijft ook bij John McClure, producer bij Columbia Records niet onopgemerkt. Zijn voorstel is zowel uitdagend als veeleisend: of Walter bereid is een groot opnameproject aan te gaan waarbij ‘stereo’ het sleutelwoord is. Want stereo heeft zijn intrede gedaan en dan ligt het toch voor de hand dat Walters muzikale legaat met behulp van deze nieuwe verworvenheid wordt vastgelegd? Walter is verre van ‘technisch’ en loopt er in eerste aanleg ook niet echt warm voor, voelt zich ook nog niet echt fit genoeg en ziet, gelet op zijn hoge leeftijd, een langdurig en inspannend project niet als een echt serieuze optie. Bovendien zag hij het werkelijke nut niet in van het opnieuw opnemen van het Duits- Oostenrijkse klassieke en romantische repertoire omwille van stereo sound en moet hij hebben beseft dat ook commerciële drijfveren van het Columbia label hierin een belangrijke rol speelden. Desondanks laat hij zich overhalen, waarbij het buiten kijf staat dat McClure de persistente aanjager is geweest voor de vastlegging van Walters wellicht belangrijkste muzikale erfenis in uitstekend klinkende (stereo)opnamen die ook vandaag de dag bijzonder geliefd zijn.

 
  Walters woning aan 608 North Bedford Drive,
Beverly Hills

De voornaamste voorwaarde die Walter stelde was een opnamelocatie dicht bij zijn woning in Beverly Hills. Na het nodige speurwerk werd uiteindelijk gekozen voor een onooglijk gebouw uit de jaren twintig, opgetrokken uit mistroostig ogende grijskleurig beton en gelegen aan 2035 N. Highland Boulevard in Hollywood, Los Angeles, slechts een blok verwijderd van de beroemde Hollywood Bowl. Eens bood het pand onderdak aan de plaatselijke American Legion, ’s werelds grootste veteranenclub.

Na uitgebreide akoestische proeven stond het voor McClure vast dat hij een welhaast ideale ruimte had gevonden, maar dat de orkestbezetting – en dan met name de strijkers – aangepast diende te worden aan het volume van de ruimte, daarbij dan tevens rekening houdende met de wat langere nagalmtijd. Door het aantal strijkers te reduceren werd een optimale balans bereikt en klinkt het orkest via de luidsprekers desondanks ‘groot’. Maar wélk orkest?

Gekozen werd voor een ad hoc ensemble bestaande uit eminente orkestmusici uit bij wijze van spreken alle windstreken, waaruit dan tenslotte hét Columbia Symphony Orchestra werd gevormd, niet te verwarren met het orkest met dezelfde naam dat zijn thuishaven had in New York en ook door Walter in de jaren vijftig werd gedirigeerd (o.a concertaria’s van Mozart in februari 1953 in New York en in mei 1953 in Los Angeles, en de Linzer in april 1955 in New York).

In die jaren vijftig waren er vele ‘Columbia Symphony’ orkesten, waarbij de vlag vele verschillende ladingen dekte. De samenstelling en de omvang ervan varieerden sterk terwijl het voor Columbia Records aanmerkelijk goedkoper was om een ad hoc ensemble te gebruiken dan het veel duurdere New York Philharmonic of een ander gevestigd orkest. Het opnamecontract met het New York Philharmonic hield ook onverkort in dat iedere musicus die bij dit orkest op de loonlijst stond moest worden betaald, of hij nu wel of niet aan de opname meewerkte. Voor de ‘gemiddelde’ klassieke werken was een grote bezetting niet noodzakelijk en dit was voor Columbia Records een reden temeer om uit te wijken naar het Columbia Symphony Orchestra.

 
  Gustav Mahler en Bruno Walter (r.)

Het Columbia Symphony Orchestra dat in januari 1958 voor het eerst voor Walter aantrad raakte al snel vertrouwd met diens dirigeerstijl en niet in de laatste plaats dankzij de ‘oudgedienden’ in het orkest die al vaak onder Walter hadden gemusiceerd. Dan was er het grote respect voor de oude maestro die Gustav Mahler nog goed had gekend en in zowel Europa als Amerika een rijke symfonische en operatraditie mede vorm had gegeven.

Tussendoor, in februari voltooide Walter nog de een jaar eerder, in februari 1957, begonnen en door de hartaanval onderbroken opname van Mahlers Tweede symfonie in New York.

Ondanks Walters fragiele gezondheidstoestand was hij energiek en voortvarend genoeg om met grote bezieling te werken aan wat zijn laatste project zou worden: de vastlegging van het grote klassieke en romantische repertoire in excellent stereo sound. In relatief korte tijd, van januari 1958 tot maart 1961, ontstond een groot aantal opnamen met en zonder solisten, maar niet zonder de spijtige constatering dat nog zoveel niet meer op de opnamebanden kon worden gezet. We kunnen een indrukwekkende lijst samenstellen van hetgeen er niet is, maar een even imposant overzicht kan worden gegeven van wat er (gelukkig) wèl is.

Nog in 1961, ongeveer een jaar voor zijn dood, maakte Walter een shortlist van de muziek die hij nog wilde opnemen: de vier symfonieën van Schumann, Mendelssohns Schotse, Bruckners Achtste, Mahlers Derde, Vierde en Vijfde. Ook Beethovens Fidelio was niet uit zijn gedachten. Het dirigeren van live-concerten was te inspannend geworden en vormden de studio-opnamen dicht bij huis in het aan zijn conditie aangepaste tempo van gemiddeld drie uur per sessie met extra ingelaste luisterpauzes een ideaal alternatief. Op die wijze kon zelfs het meest veeleisende muziekwerk zonder inzinkingen tot een goed einde worden gebracht.

 
 
         
 

Walter repeteert met het Columbia Symphony Orchestra in Hollywood (Los Angeles)

Een belangrijke vraag is natuurlijk of de stereo-opnamen uit de periode 1958-1961 ook in muzikaal opzicht representatief zijn voor Walters inzichten die een periode van niet minder dan 40 jaar beslaan, waarbij dan tevens de hoge leeftijd van de dirigent in ogenschouw moet worden genomen: toen hij aan de opnamen in Los Angeles begon was hij bijna 82 jaar oud. We kennen voldoende voorbeelden van musici – bijvoorbeeld Otto Klemperer en Carlo Maria Giulini, maar ook de pianist Claudio Arrau - die met het klimmen der jaren aanmerkelijk tragere tempi kozen, blijkbaar omdat ze die toen als volstrekt natuurlijk ondervonden en misschien samenhangende met hun geriatrische bioritme. Bij Walter is daarvan echter geen enkele sprake en klinken zijn vertolkingen in zijn laatste levensfase zowel fris als ontspannen, maar met de in zo’n vier decennia opgebouwde ervaring die – hoe kan het ook anders - onmiskenbaar daarin doorklinkt. Walters laatste project vormt de indrukwekkende samenvatting en afsluiting van een glanzende muzikale carrière die zo'n vier decennia omspant en waarin de 'grote klassieken' een hoofdrol vervulden. Subjectief getinte detailkritiek heeft binnen deze imposante contouren feitelijk geen zin. Dit is een geschenk van niet te onderschatten betekenis en dan ook nog - zeker voor die tijd - uitstekend opgenomen, waardoor we een fraai uitzicht hebben op Walters kunst. Met dan als extra dimensie dat Walter 'zijn' orkest deelgenoot moest maken van zijn jarenlange ervaring opgedane en verwerkte inzichten, wat op zijn hoge leeftijd en bij een ad hoc ensemble voorwaar geen geringe opgave was.

Want laten we toch vooral niet vergeten dat de musici van het Columbia Symphony Orchestra – hoewel een deel daarvan bestond uit leden van het Los Angeles Philharmonic Orchestra - niet met ieder werk echt vertrouwd waren. Toen Mahlers Negende voor het eerst op de lessenaars stond was dit voor menigeen zelfs een volstrekt gesloten boek en moest Walter de interpretatie vanaf de grond opbouwen. Dat die technisch geslaagde uitvoering het in muzikaal opzicht tenslotte niet kan opnemen tegen de opname uit 1938 is alleen al om die reden niet verwonderlijk: ook toen was tijd geld en moesten er grenzen worden gesteld aan de voor dit werk beschikbare repetitietijd.

Tenslotte mag hier niet onvermeld blijven dat de finale van Beethovens Negende niet in Los Angeles maar in New  York werd opgenomen, met een ander orkest en koor. De delen 1 t/m 3 werden zoals gebruikelijk in American Legion Hall met het Columbia Symphony Orchestra opgenomen, in januari 1959, de finale op 6 en 15 april in het New Yorkse Hotel St. George.

Het zou echter onzin zijn om te beweren dat de opnamekwaliteit bij een dergelijke evaluatie geen wezenlijke rol zou spelen. Afgezien van de gemiddeld goede kwaliteit van de (mono) studio-opnamen uit de jaren vijftig is het in ieder geval een lastige opgave om de muzikale kwaliteiten van de vele live-opnamen die bewaard zijn gebleven op hun puur muzikale merites te beoordelen. Er kunnen althans geen gefundeerde conclusies worden getrokken aan de hand van soms grauwe, vervormde orkestklanken die uit het sleutelgat lijken te komen en evenmin een goed beeld geven van de dynamische opbouw van de muziek.

Tussen de opnamebedrijven door keerde Walter nog incidenteel terug naar het concertpodium. In februari 1958 dirigeerde hij het New York Philharmonic in een zorgvuldig gekozen programma dat hem niet al te zeer vermoeide: Beethovens tweede Leonore-ouverture, Wagners Siegfried Idyll, Mozarts Linzer en Schuberts Unvollendete.

Dan is er het concert van 19 juli tijdens het Vancouver International Festival waar Walter naast Webers ouverture Euryanthe en Schuberts Unvollendete ook twee werken van Brahms dirigeerde: de Altrapsodie met Maureen Forrester als solist, en de Tweede symfonie. Van het concert bestaan geen opnamen maar wel is er een beeldopname waarin Walter de beide hoekdelen van de Tweede symfonie repeteert met een ad hoc orkest waarvan de uitgesproken grove klank in geen tijd wordt omgetoverd tot een fijnbesnaard palet. De op dvd uitgebrachte zwartwit-documentaire (TDK DV-DOCBW) van precies een uur biedt ook een interview met Albert Goldberg in Walters typische Engels.

Over de uitvoering van Verdi’s Requiem op Goede Vrijdag, 29 maart 1959, in de Met zijn de meningen verdeeld: sommige critici lieten in de pers hun loftuitingen de vrije loop maar anderen wezen op Walters zwakke maatslag en de fysieke onmogelijkheid voor een hoogbejaarde om zo’n enorm orkest-, koor- en solistenapparaat met succes te leiden. Uit de zij het niet al te beste maar overigens wel enige opname van het werk met Walter blijkt niets van de gesignaleerde beperkingen: het is een vertolking van grote statuur en betrokkenheid, waarop ook speltechnisch weinig valt aan te merken en waarbij de enthousiaste dirigent ook zelf te horen is: hij communiceert zelfs hoorbaar met de solisten.

Ter gelegenheid van de honderdste herdenking van Mahlers geboortejaar tijdens de Wiener Festwochen in mei en juni 1960 werd Walter voor een concert uitgenodigd en zijn keuze viel op Das Lied von der Erde. Herbert von Karajan had het werk echter reeds ‘opgeëist’ en er viel niet over te marchanderen. Op 29 mei kwam het echter wel van Mahlers Vierde met Elisabeth Schwarzkopf, maar Walters afscheidsconcert wordt ontsierd door rammelend ensemblespel. Ook Schuberts Onvoltooide lijdt onder verkeerde inzetten en intonatieproblemen , maar in drie liederen uit Des Knaben Wunderhorn en van Rückert gaat het tenminste aanzienlijk beter.

Op 18 en 25 april 1960 was Walter weer in de opnamentudio in New York (Manhattan Center) voor Mahlers Das Lied von der Erde, de enige stereo-opname van dit werk met Walter. Zowel de mezzo Mildred Miller als de tenor Ernst Haefliger (leerling van Julius Patzak) kenden het werk nauwelijks en werden dan ook door Walter aan de hand meegenomen door de complexe partituur. Zo werd veel aandacht besteed aan de frasering en de juiste balans tussen orkest (ditmaal met twee in plaats van vier hoorns) en zangstemmen. Het resultaat van al die inspanningen mag er zijn, maar zowel Kathleen Ferrier als Julius Patzak blijven door de Weense opname uit mei 1952 onvergetelijk, terwijl het New York Philharmonic het idiomatisch tegen de Weners aflegt. Walter was echter van het talent van Miller dermate gecharmeerd dat hij met haar twee maanden later ook Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen opname.

Walter aan de piano

Er circuleert een aantal opnamen waarin Walter optreedt als liedbegeleider. Wat daarbij vooral opvalt is de bescheidenheid die hij daarbij aan de dag legt en dat hij als pianist minder bedreven is dan grootheden op dit gebied zoals Moore, Parsons, Baldwin, Martineau, Johnson, maar ook bijvoorbeeld Schiff, Reimann, Richter en Brendel. Voor Walter was de piano duidelijk een tweede instrument. Door zijn samenwerking met de grote vocalisten van zijn tijd zijn er desalniettemin juwelen te ontdekken, zoals de recitals met Kathleen Ferrier (Edinburgh, 7 september 1949), Lotte Lehmann (24 juni en 13 augustus 1941; San Francisco, 17 april 1950), Elisabeth Schumann (New York, 4 februari 1950) en Kirsten Flagstad (New York, 23 maart 1952).

In de solostukken (o.a. walsen van Chopin en Strauss) reikt Walter weliswaar hoger dan de goed geoefende amateurpianist maar zijn vertolkingen zijn toch eigenlijk alleen voor de Walter-adepten pur sang van betekenis.

 
  Rudolf Steiner

Antroposofie

Omstreeks 1948 werd Walter gegrepen door het gedachtegoed van de Oostenrijkse filosoof en wetenschapper Rudolf Steiner (1861-1925), tevens grondlegger van de antroposofische wereldbeschouwing, die zich ook op kunst richt. Uitgangspunt is de geestelijke oorsprong van alles en dat de menselijke geest door verhoging van het bewustzijn de spirituele wereld binnen bereik heeft. Daarnaast geloofde hij in reïncarnatie zoals die naar zijn mening tot uitdrukking kwam in zowel de cyclische groei als de verdere ontwikkeling op aarde. In 1912 richtte Steiner de Antroposofische Vereniging op die vanuit het Zwitserse Dornach wereldwijd actief is en talloze aanhangers kent die zich richten tegen het naar buiten gekeerde materialisme dat de mens in zijn greep heeft en daardoor zijn ontwikkeling blokkeert.

Die zoektocht naar het ‘hogere’ had ook Walter in zijn ban en het ligt voor de hand om zijn muzikale aspiraties ook daarmee in verband te brengen. En te meer omdat er vele brieven van Walter bewaard zijn gebleven waarin hij de antroposofische thematiek uitvoerig behandelt en zijn warme belangstelling ervoor niet onder stoelen of banken steekt. Voor Walter geldt dat de materie voortkomt uit het immateriële: de geest.

Stijl als dogma?

Wanneer we Walters dirigeercarrière aan de hand van de bewaard gebleven en publiekelijk toegankelijke opnamen bezien moet de conclusie zijn dat vocale stijlelementen in zijn vertolkingen een overheersende factor vormen. Walter zag de toenemende hang naar nauwkeurigheid bijna als een ziekte, als een doel op zich, waarbij in zijn visie voorbij werd gegaan aan het belang van de ‘ademhaling’ in de muziek, wat compromissen noodzakelijk maakte. Walter is in die zin de tegenpool van Otto Klemperer – in de jaren vijftig ongetwijfeld Walters grootste ‘rivaal’ in met name de studio - die veelal wordt afgeschilderd als een onbuigzame, zelfs dwarse maestro die het patent had op ‘uit graniet gehouwen’ vertolkingen. En die – in tegenstelling tot Walter – ‘zijn’ musici er flink van langs kon geven. Bij Walter ligt dat bepaald anders, zoekt deze eerder de samenwerking en is met al zijn vriendelijkheid en beleefde toon even vasthoudend: inderdaad, Walter krijgt uiteindelijk zoals hij het hebben wil.

 
  Bruno Walter thuis, in Beverly Hills
   
   

Het is echter een misverstand of simplificatie dat juist door die vocale eigenschappen hij geen oog zou hebben gehad voor de dramatische aspecten die in vrijwel ieder muziekstuk zijn terug te vinden en waardoor zowel het spel van licht en donker als de ‘eeuwige’ wisseling van consonanten en dissonanten minder gewicht zou krijgen. Integendeel, Walter opteert voor hoog voltage wanneer het er moet zijn, maar hij laat de teugels nimmer dusdanig los dat een precieze frasering in het gedrang komt, instrumentalisten letterlijk naar adem moeten happen. Voor Walter heeft dit niets meer met spelcultuur te maken, vertilt hij zich niet aan een gebrek aan uitdrukkingskracht door een te hoog tempo of expressieve guirlandes die buiten de door de componist aangegeven context vallen en daardoor reddeloos verloren gaan. Bij Walter regeert noch het toeval noch de berekening. Wie moeite heeft met deze paradox kan niet beter doen dan naar Walters Mozart-vertolkingen te grijpen. Zij zijn – de verworvenheden van de historiserende uitvoeringspraktijk ten spijt – een schoolvoorbeeld voor de juiste taxatie van het vocale element in Mozarts muziek: in diens symfonieën en pianoconcerten is de opera nooit ver weg. Maar van Mahler I en IV kan hetzelfde worden gezegd, en voor Beethoven en Bruckner geldt het niet minder: áls de muziek erom vraagt is het er.

Door de jaren heen verandert Walters dirigeerstijl niet of nauwelijks, blijft hij trouw aan zijn opvattingen (dat gold ook voor de voorgeschreven herhalingen, of beter het ontbreken ervan) en frapperen zijn consistente inzichten in de interpretatie van de ‘grote klassieken’. Want daarin lag zijn kracht, dat was ook zijn domein, en niet het (toen) hedendaagse repertoire waarmee hij onvoldoende affiniteit had, noten die naar zijn mening nergens vandaan kwamen en nergens naar toe gingen, een dissonant pandemonium dat hij liever meed. Er waren anderen die zich daarom bekommerden, die dat veel beter konden dan hij. Aldus de concertprogramma’s van Walter overziende ontstaat daardoor onvermijdelijk het beeld van ‘veel van hetzelfde’, een dirigent ook die zich in zijn repertoirekeuze herhaalde, steeds weer opnieuw zijn krachten beproefde op werken die hij al vele malen had gedirigeerd. Ook in het Mozart-repertoire valt het sterk op welke werken hij niet of slechts zelden dirigeerde, en welke juist wel met grote regelmaat. Typisch is ook dat zijn relatie met Gustav Mahler geen Derde, Zesde, Zevende en Achtste symfonie heeft opgeleverd, dat zijn inzet voor Haydn vrijwel beperkt bleef tot een bescheiden aantal van de zogenaamde Londense symfonieën, met daaraan toegevoegd nr. 86 en 88. Eigenaardig ook dat het merendeel van de Mozart-symfonieën buiten bestek blijft, wat ook voor de pianoconcerten geldt. Van de Schubert-symfonieën zijn het alleen nr. 5 (met een te traag genomen openingsdeel dat daardoor grotendeels zijn spirituele charme verliest), 8 (soms met veel portamenti) en 9 die door Walter regelmatig werden gedirigeerd. Schumanns Tweede is ook een belangrijke afwezige. Muziek van (alleen) Johann Strauss Jr. is weliswaar goed vertegenwoordigd maar eind jaren vijftig wees Walter het voorstel van Columbia Records af om ook werken van Strauss op te nemen: het was hem, aan het einde van zijn leven, te lichtzinnig, te verstrooiend, lichte kost. Een opvatting die niet zo vreemd lijkt voor een dirigent die het gedachtegoed van Steiner heeft omarmd en ook met ‘zijn’ muziek naar het ‘hogere’ streeft. Dat verklaart wellicht ook de voorliefde voor Richard Strauss’ Tod und Verklärung, een werk dat steeds weer in Walters concerten en opnamen terugkeert. Tsjaikovski’s eerste viertal heeft evenmin Walters belangstelling, maar ook V en VI zijn spaarzaam vertegenwoordigd. Wagners muziek is een beter lot beschoren, al ontbreken de Wagner-opera’s geheel. Wel wordt duidelijk aan de hand van Walters vertolking van de ouvertures, voorspelen en de Siegfried Idyll duidelijk dat dit een gemiste kans is.

Achteraf bezien – zo gaat het meestal – zou een grotere variëteit in het opgenomen repertoire voor de platen- en nu cd-verzamelaar vanzelfsprekend aantrekkelijker zijn geweest. Maar ik merkte het al eerder op: we kunnen maar beter tevreden zijn met wat er wel is, en dat is een omvangrijke discografische erfenis, zij het opnametechnisch dan van sterk wisselende kwaliteit.

Met Mozarts ouvertures Così fan tutte, Figaro, Der Schauspieldirektor en Zauberflöte alsmede de Mauerische Trauermusik  kwam op 31 maart 1961 noodgedwongen het einde van het Walter-project in Hollywood. Hij voelde zich al geruime tijd niet goed, kampte met aanvallen van angina pectoris en hield zich met o.a. digitalis op de been. In de avond van 16 februari 1962 werd Walter thuis door een hartaanval getroffen en in de vroege ochtend van 17 februari overleed hij, 85 jaar oud.

Literatuurverwijzing

Bruno Walter: Of music and music making (New York, 1961)

Bruno Walter: Themes and variations (New York, 1946)

Erik Ryding & Rebecca Pechefsky: Bruno Walter, a world elsewhere (Yale University, 2001)

Discografische notities

Uit het bovenstaande zal duidelijk zijn geworden dat Walters discografie zeer omvangrijk is en dan laat ik de opnamen die in privébezit zijn of zich nog in de archieven van o.a. Sony bevinden en daardoor publiekelijk niet toegankelijk zijn buiten beschouwing.

Wie zich daarin wil verdiepen kan mijns inziens het beste terecht bij het overzicht dat werd samengesteld door James Altena, Steven Reveyoso en Erik Ryding, mede aan de hand van bronnenonderzoek door Michael Gray, James North, Rolland Parker, David Pickett, Jon Samuels, and Don Tait en de volgende publicaties:

Bruno Walter au disque van Rémy Louis, Diapason 415, supplement, mei 1995, xiv–xviii.

Discografia di Bruno Walter, Musica nr. 8, juni 1984, pag. 32-39.

A Bruno Walter Discography - Part One: Commercial Recordings: Issued Discs Only van David Pickett, later aangevuld door Richard Warren Jr. (Bruno Walter Society, 1973).

Robert C. Marsh, “The Heritage of Bruno Walter van Robert Marh, High Fidelity nr. 14 (1964), pag. : 44–48, 103–109.

Discography van F. F. Clough and G. J. Cuming, Gramophone Record Review (augustus en september 1959), pag. 718–19, 824.

Zeer lezenswaardig in dit verband is ook:

The Orchestra on Record, 1896–1926 van Claude Arnold (Westport, Conn., Greenwood Press, 1997).

Verdere informatie kan ook verkregen worden bij walteriana@aol.com

Discografie

Dan de discografie zelf, die op onze site in de rubriek Muziek (algemeen) kan worden gevonden of HIER kan worden aangeklikt. Het overzicht is samengesteld aan de hand van de meest recente gegevens.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links