Componisten/werken

‘IJDELE WAERELDLIEDEREN’ OMGEDOOPT
IN ‘HEILIGE DICHT- EN ZANGKUNDE’
Rutger Schutte en zijn eerste bundel Stichtelijke Gezangen*

 

© Kees Vlaardingerbroek, december 2022

 

RUTGER SCHUTTE, PREDIKANT EN DICHTER

Net als in de negentiende eeuw was de dichtende predikant in de achttiende eeuw in ons land een bekend verschijnsel. Ds. Rutger Schutte (1708-1784) gold zeker niet als de minste onder hen.

Afbeelding 1. Rutger Schutte op 63-jarige leeftijd (gravure opgenomen in de tweede uitgave van de Stichtelijke Gezangen I). Naar het leven getekend door Hendrik Pothoven, gegraveerd door Jacob Houbraken en gedrukt door Johannes Cóvens Junior. Lofdicht op Schutte van Ahasverus van den Berg.

Als gereformeerd predikant – de Nederlandse Hervormde Kerk werd vóór 1816 meestal aangeduid met het predicaat gereformeerd – stond hij achtereenvolgens in Rossum (als proponent vanaf oktober 1736, bevestiging op 13 januari 1737), Zaltbommel (1737-1742), Dordrecht (1742-1745) en Amsterdam (1745-1784). Een kerkelijke bliksemcarrière dus, want niet alleen gold de gereformeerde gemeente in Amsterdam als de grootste en meest prestigieuze in het land, maar ook waren de gages voor predikanten nergens zo hoog als in de hoofdstad: 1700 gulden per jaar, een bedrag dat kon worden verhoogd tot maximaal 2200 gulden per jaar. Twee collega-predikanten die na het overlijden van Schutte gedenkschriften publiceerden, schetsen allebei hetzelfde sympathieke beeld van hem: Schutte wordt omschreven als een geacht en geliefd predikant, vermaard om zijn welsprekendheid, en als een opgewekt en bescheiden mens, empathisch, oprecht, goedaardig, zacht en vredelievend. Daarnaast onderscheidde Schutte zich door een ‘overvloed aan edele gaven’, waaronder niet geringe intellectuele en dichterlijke vermogens, die in een aantal indrukwekkende publicaties tot uiting kwamen.(1) Toen de Staten van Holland en West Friesland in 1772 twee predikanten moesten aanwijzen die zitting zouden nemen in de nationale commissie tot verbetering van de psalmberijming – actief van 10 januari tot 19 juli 1773 – viel hun keuze dan ook (naast de Haagse predikant Johannes van Spaan) op Rutger Schutte.(2) Ook het feit dat hij werd uitgenodigd lid te worden van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde duidt op de grote achting die voor Schutte als literator bestond.(3)

Als diepgelovig en orthodox calvinistisch predikant – hij werd tot de ‘fijnen’ of ‘preciezen’ gerekend – stelde Schutte zijn dichterlijke gaven vrijwel uitsluitend in dienst van de gewijde poëzie. Om dezelfde reden wees hij poëtische verwijzingen naar de ‘heidense’ Klassieke Oudheid af, maar kruidde hij als de poeta doctus die hij wel degelijk was zijn gedichten met ‘Oosterse’ namen, beelden en begrippen uit de Bijbelse Oudheid. De poëzie wordt er volgens Schutte fraaier en bevalliger door en bovendien zouden de ‘ongewijde dichters’ uit de Klassieke Oudheid hun algemeen bewonderde beelden en stijlfiguren ‘genoegzaam alle van de Oosterlingen en inzonderheid van de Israëlieten gestoolen’ hebben.(4) Zelfs voor toenmalige lezers spraken veel van die beelden en verwijzingen echter niet vanzelf, en vergen zij ‘een weinig denkens en herkauwens’, zoals de auteur zelf erkent.(5) Vandaar dat Schutte zijn gedichten veelvuldig van – soms meer dan paginalange – voetnoten voorzag, hetgeen hem bij sommige critici op het verwijt van pedant vertoon van geleerdheid kwam te staan. Dit wetenschappelijke aspect van zijn poëzie was er ook een van de oorzaken van, dat Schutte als dichter na zijn dood al snel werd vergeten. Het is geen toeval, dat uit de vier bundels Stichtelijke Gezangen van Schutte – met in totaal maar liefst 173 gezangen – geen enkel gedicht werd opgenomen in de Evangelische Gezangen, de eerste liedbundel die in 1806 voor liturgisch gebruik in de Hervormde Kerk werd gepubliceerd.(6) Toch kunnen Schutte momenten van literaire bezieling niet worden ontzegd, getuige de volgende passage waarin hij verwoordt wat hem tot het dichten van geestelijke gezangen inspireert:(7)

De oneindige barmhartigheid, die ’t bloed van ’t Lam aan mijn hart sprengde om den Verderfengel te doen voorbijgaan, en mij met eenige verkwikking deed water scheppen uit de Fontijnen des heils; zou al te ondankbaar beloond worden, indien hart en tong daar van geen melding deeden. En sinds mijn oog naar ’t hemelsch Sion gekeerd wierd, zou eer mijn rechterhand zich zelve vergeeten, dan ze de bekoorlijkheden vergat van dit beminnelijke Salem.

De vraag of dergelijke emotionele bekentenissen en het veelvuldig gebruik van de ‘Tale Kanaäns’ (Statenbijbel Nederlands) voldoende reden zijn om Schutte onder de piëtistische dichters te scharen laat ik graag aan de specialisten over. Overeenstemming heerst er op dit punt onder hen overigens niet.(8)

De vier bundels met stichtelijke gezangen
Schutte debuteerde als dichter op 25-jarige leeftijd, toen er zeven geestelijke gedichten van zijn hand werden opgenomen in de Schakel van gezangen (1733), een bloemlezing van geestelijke liederen, verzorgd door Willem Sluiter (ca. 1700 1776), zwager van Schutte en een kleinzoon van de bekende zeventiende-eeuwse dichter en naamgenoot Willem Sluiter (1627-1673). Ook de heruitgave van Een bundeltje uitgekipte geestelijke gezangen die in 1744 in Dordrecht verscheen, bevat gedichten van Schutte, 22 in getal. Het genre van het geestelijke lied had dus al vroeg de aandacht van Schutte, maar het zou nog tot 1762 duren voordat Schutte zich waagde aan de uitgave van de eerste bundel van zijn Stichtelijke Gezangen, verschenen bij de Amsterdamse uitgever Johannes Cóvens Junior (1722 1794). Op het titelblad wordt ook iets over het karakter van de muziek gezegd: ‘op de beste Italiaansche, en eenige in dien smaak nieuwgemaakte zangwijzen.’ De fraai gegraveerde muziek voor zangstem en becijferde bas verscheen apart in datzelfde jaar 1762, onder de toepasselijke titel Zangwijzen van Stichtelijke Gezangen. Dit patroon herhaalt zich in 1764, wanneer bij dezelfde uitgever het tweede deel van de Stichtelijke Gezangen en de begeleidende Zangwijzen uitkomen. In 1765 verschijnt het derde deel, in 1787 gevolgd door het postuum verschenen vierde en laatste deel. Van de eerste drie bundels verschenen nog tijdens Schuttes leven verbeterde heruitgaven. Vooral de eerste bundel was buitengewoon succesvol: de eerste uitgave werd gevolgd door heruitgaven in 1770, 1777 en 1784.(9) Cóvens gaf in 1782 bovendien (samen met zakenpartner Cornelis Mortier) op verzoek van Schutte een goedkope verzameldruk van de eerste drie bundels uit. In de inleiding beschrijft Schutte, hoe hem van verscheidene kanten het verzoek had bereikt een goedkope uitgave op kleiner formaat van de Stichtelijke Gezangen te overwegen. Vooral de brief van de doopsgezinde predikant en filantroop Cornelis Ris (1717 1790), de oprichter van de Vaderlandse Maatschappij van Rederij en Koophandel en van een armenschool voor alle gezindten in Hoorn, moet Schutte in het hart hebben geraakt. Ris beschrijft hierin, hoe ‘omtrent 80 arme kinderen, onder ’t werken’ Schuttes liederen zo fraai zongen, dat er honderden luisteraars op afkwamen. Ook Ris drong aan op een goedkopere heruitgave, om de verspreiding van de liederen onder alle lagen van de bevolking te bevorderen. De heruitgave van 1782 kostte ondanks alle inspanningen overigens toch nog drie gulden, ‘den laagsten prijs welke mogelijk was’, aldus Schutte.(10) Ter vergelijking: voor de eerste uitgave van de eerste bundel (tekst en muziek compleet) vroeg Cóvens 2 gulden en 15 stuivers (op vijf stuivers na drie gulden), getuige een advertentie in de Leydse Courant van 9 juli 1762.

De muziek van de Stichtelijke Gezangen
In De Nederlandsche Spectator viel in 1755 de volgende verzuchting te lezen:(11)

Men eet, men drinkt, men snuift in ’t Fransch,
’t zijn Fransche zuchten, ’t zijn Fransche lonkjes,
Fransch is ’t wat men hoort en ziet,
Is niet Uw liefde Fransch, zij treft haar doelwit niet.

De meeste Nederlandse muziekliefhebbers zullen het hier niet mee eens geweest zijn. Natuurlijk, de hogere standen zongen graag een Frans airtje op zijn tijd, maar Paolo Manzin zat dichter bij de waarheid, toen hij schreef: ‘De beschaafde heren van die Republiek, en in het bijzonder de voorname Nederlandse vrouwen, zijn de Italiaanse muziek uiterst genegen.’(12) Ontwikkelde muziekliefhebbers als Jan Alensoon en Jan Teding van Berkhout halen in hun reisverslagen (uit 1723-24, respectievelijk 1739-41) opgelucht adem, wanneer zij Frankrijk achter zich laten en eindelijk hun hart kunnen ophalen aan de in hun oren zoveel fraaiere Italiaanse muziek.(13) Schutte zelf merkt hierover op, dat de Italiaanse muzieksmaak ‘nu ook al de Nederlandsche [is] geworden.’(14) Pas later in de achttiende eeuw zou de Duitse muziek in Nederland een geduchte concurrent voor de Italiaanse toonkunst worden, met name in de instrumentale genres van de sonate, het soloconcert en de symfonie, om in de negentiende eeuw ons muziekleven uiteindelijk volledig te gaan domineren.(15)

Dat Schutte zelf een echte muziekliefhebber was, blijkt genoegzaam uit zijn eigen geschriften: ‘De Poëzij en Muziek beide, reekenen haare afkomst uit den hemel.’(16) De Bijbel en schrijvers uit de Klassieke Oudheid worden met instemming geciteerd om de heilzame uitwerking die de muziek op lichaam en geest heeft te bewijzen.(17) Opeens schrijft Schutte een zin die bijna uit de pen van Rousseau had kunnen vloeien: ‘’t Gezang was er, zo ras er iets was buiten ’t eeuwig Wezen.’(18) Zowel poëzie als muziek moeten echter wel op de juiste manier worden gebruikt. De ‘bastaartklanken van ijdele waereldliederen’ die de meeste mensen zingen, zouden plaats moeten maken voor de ‘Heilige Dicht- en Zangkunde’, ‘de beste uitspanning, de nuttigste tijdkorting, de aangenaamste onderwijzing, de grootste sterkte in gevaaren, de beproefde balsem voor zielswonden, en ten laatste eene bezigheid welke het naaste aan die van den Hemel [is] verwant.’(19) Door middel van geestelijke gezangen mag de gelovige ‘onze toonen met de hunne [= die der Serafijnen] mengelen.’(20)

Voor wie zijn de vier bundels Stichtelijke Gezangen bedoeld? Vooropgesteld: Schutte hield geen rekening met kerkelijkgebruik. Weliswaar was hij een groot pleitbezorger van de invoering van een gezangenbundel voor kerkelijk gebruik, maar hij was van mening, dat de tijd daarvoor nog niet rijp was. Hoe juist Schutte dat heeft gezien, leert ons de geschiedenis: de invoering van de eerste kerkelijke gezangenbundel, de eerdergenoemde Evangelische Gezangen uit 1806, stuitte op veel plaatsen op toenemend verzet en was mede oorzaak van de Afscheiding in 1834.(21) Interessant genoeg richt Schutte zich nadrukkelijk ook tot de jeugd. Zijn hart gaat uit naar gelovige jonge mensen, die zich enerzijds niet willen inlaten met vulgaire wereldse liedjes, anderzijds weinig plezier beleven aan stichtelijke liederen op ouderwetse en afgezongen melodieën. Ook Italiaanse en Franse liederen op amoureuze tekst vielen voor deze doelgroep om tekstinhoudelijke redenen af. Vooral om gelovige jonge muziekliefhebbers in staat te stellen de lof van de ‘God der blijdschap’ te bezingen op ‘de beste Italiaansche, en andere nieuwe zangwijzen’ heeft Schutte besloten tot de uitgave van zijn gewijde gezangen, waarvan hij de eerste al dertig jaar eerder op papier had gezet.(22) Hij meende hiermee iets geheel nieuws te doen: ‘Op zangwijzen in den smaak der nieuwe Muziek, heeft men tot nog toe mijns weetens geene Geestelijke Gezangen.’(23) Helemaal juist is dat overigens niet: al rond 1750 hadden drie Haagse componisten een aantal populaire stichtelijke liederen uit de in 1676 gepubliceerde bundel Uytspanningen van Jodocus van Lodenstein opnieuw op muziek gezet, maar deze werden nooit gedrukt. Ook Schuttes vriend Johannes Eusebius Voet benaderde in ongeveer dezelfde periode een aantal hedendaagse componisten met het verzoek zijn Stichtelyke gedichten en gezangen (1767) op muziek te zetten.(24)

Bestemde Schutte zijn Stichtelijke Gezangen dus primair voor huiselijk gebruik – en meer specifiek voor gelovige jonge amateurzangers –, hij veronderstelt daarnaast blijkbaar een zekere muzikale vorming en een doelgroep die thuis over een klavecimbel of huisorgeltje beschikte. Voor de niet muzikaal onderlegden en/of minvermogenden gaf Schutte voor bijna de helft van de 173 stichtelijke gezangen als alternatief een bestaande populaire melodie op, die in muzikaal opzicht minder hoge eisen stelt dan de ‘nieuwe zangwijzen’ en ook geschikt is om éénstemmig zonder klavecimbel- of orgelbegeleiding te worden gezongen. Op die algemeen bekende melodieën ‘pasten’ veel van de gezangteksten van Schutte dus ook, maar zouden zij volgens Schutte jongeren niet of nauwelijks aanspreken, zoals wij hebben gezien.

Hoe groot is die jeugdige doelgroep geweest? Precieze aantallen kan ik niet geven, maar de achttiende-eeuwse Republiek behoorde tot de meest dichtbevolkte en verstedelijkte gebieden in Europa. De burgerij musiceerde veel en graag. Johann Jacob Grabner (1760-1797), een Duitse officier in Nederlandse dienst, verbaasde zich er aanvankelijk over, dat alle rangen en standen ‘singend durch die Strassen ziehen.’ Later moet hij echter vaststellen, dat deze algemene liefde voor ‘Gassenmelodien’ nauwelijks wijst op diepe muzikaliteit, want grote componisten en virtuozen zou Nederland vrijwel niet hebben voortgebracht.(25) Grabners landgenoot Jacob Wilhelm Lustig (1706-1796), vanaf 1728 als organist en schrijver in Groningen werkzaam, is vaak nauwelijks minder kritisch over het Nederlandse muziekleven, maar noemt toch een flink aantal namen van vooraanstaande componisten, virtuozen, zangers en zangeressen die in het Amsterdam van Schutte actief waren. Daarbij noemt Lustig ook tegenwoordig vergeten namen als Martha Burghorst (‘singet, philosophirt und spielt schön’) en Anna Steen, die beiden over schitterende zangstemmen moeten hebben beschikt. In het geval van Anna Steen voegt hij eraan toe, dat zij ‘dermassen in der Composition von italienischen Arien excelliret, wie vielleicht wenig Italiener.’(26) Hoe dan ook, de eerste drie bundels met Stichtelijke Gezangen moeten goed zijn verkocht, anders zouden zij niet verscheidene malen zijn herdrukt en zou Johannes Cóvens Junior na de dood van Schutte niet zijn overgegaan tot publicatie van een vierde deel. Het is ongetwijfeld veelzeggend dat Schuttes Stichtelijke Gezangen behoorden tot het deel van het fonds dat Cornelis Cóvens na de dood van zijn vader voor 20.000 gulden overnam.(27)

Mogelijk droeg aan het commerciële succes van de Stichtelijke Gezangen bij, dat zij ook binnen conventikels (gezelschappen van vaak gereformeerd-bevindelijke signatuur), zanggenootschappen, (kost)scholen, weeshuizen en werkplaatsen werden gezongen.(28) Zelfs de uitvoering van Schuttes Stichtelijke Gezangen in de gereformeerde godshuizen is gedocumenteerd, al lijkt het erop, dat dit alleen op speciale feestdagen buiten de gewone kerkdiensten om gebeurde, zoals bij de ingebruikname van een nieuw orgel.(29)

De eerste bundel Stichtelijke Gezangen nader bekeken
De eerste bundel Stichtelijke Gezangen telt zoals eerder opgemerkt 45 gezangen, ‘op de beste Italiaansche, en eenige in dien smaak nieuwgemaakte zangwijzen.’ Maar pakken wij de fraai gegraveerde muziek erbij, de Zangwijzen dus, dan treffen wij daar de muziek voor slechts 38 gezangen aan. Wat blijkt: dezelfde muziek ‘past’ soms op verscheidene gezangen. Of beter geformuleerd: verscheidene gezangen kunnen op dezelfde muziek worden gezongen, uiteraard op voorwaarde dat het aantal regels van de (couplet)tekst overeenkomt met het aantal muzikale frases, en de versvoeten harmonieus samengaan met de maat en ritmiek van de muziek. Simpel voorbeeld: het vierde gezang opent met de uitroep ‘O Slavernij!’, het vijfde met de uitroep ‘Volmaakt gezicht!’. In beide gevallen gaat het om een jambische dipodie, en dus kunnen beide exclamaties zonder bezwaar op dezelfde muziek worden gezongen. Mutatis mutandis geldt dit voor de twee gezangen in hun geheel. In de Zangwijzen is de muziek slechts éénmaal opgenomen, met de tekst van het eerste couplet van het vierde gezang onder de melodienoten gegraveerd. Omdat het vierde gezang uit acht, en het vijfde gezang uit zeven coupletten bestaat, kan de zanger dus desgewenst vijftien coupletten op dezelfde muziek doorzingen.

Wat valt er te zeggen over die ‘Italiaansche zangwijzen’? Allereerst: die werden rond 1733 in Londen gepubliceerd onder de titel Canzonette ed Arie en waren het werk van de in Alkmaar geboren rooms-katholieke violist en componist Willem de Fesch (1687-1761), die achtereenvolgens carrière maakte in Amsterdam (ca. 1710-25, onder andere als violist aan de Schouwburg), Antwerpen (kapelmeester van de kathedraal, 1725-31) en Londen (1731/32?-1761). Geen geboren Italiaan dus, maar wel een componist die geldt als een van de vroegste navolgers van de soloconcerten van Antonio Vivaldi boven de Alpen. Op 8, 9 en 10 mei 1732 zingt Maria Anna Rosier, de echtgenote van De Fesch, onder andere ‘several Songs in Italian’ in een van de oudste Londense concertzalen.(30) Omdat er tijdens die concerten ook kerkmuziek en instrumentaal werk van De Fesch werd uitgevoerd, is het niet onwaarschijnlijk dat het hier liederen betreft die zouden worden gepubliceerd in de Canzonette ed Arie en/of in de vervolgbundel XX Canzonette (1733?).

De Canzonette ed Arie werden uitgegeven door Benjamin Cooke, als muziekuitgever in Londen actief van 1726 tot 1743. Op 22 juli 1735 laat de Amsterdamse boekhandelaar Jacobus Loveringh in de Leydse Courant weten, dat hij de Canzonette ed Arie ‘nieuwelings’ uit Londen heeft ontvangen en voor twee gulden en 10 stuivers te koop aanbiedt. De uitgave was blijkbaar een succes, want er zijn herdrukken bekend van de Londense uitgever John Simpson en van de in Amsterdam werkzame organist en uitgever Gerhard Fredrik Witvogel. Albert Dunning heeft Witvogels heruitgave – of roofdruk, zo u wilt – kunnen dateren op ‘ca. 1737’.(31) De eerder genoemde Loveringh voelde de bui blijkbaar al hangen: in de Leydse Courant van 8 februari 1737 maakt hij opnieuw reclame voor de Londense uitgave van de Canzonette ed Arie, als ook voor de opusnummers 6, 7 en 8 van De Fesch, eraan toevoegend, dat hij, ‘zoo iemant een van deeze Werken mocht komen natedrukken [sic]’, de oorspronkelijke uitgaven één of twee gulden (‘na de Werken zwaar zyn’) goedkoper dan de nadrukken zal verkopen.

Na de dood van Witvogel in juli 1746 wordt zijn muziekfonds geveild. Koper van de koperen platen en afgedrukte exemplaren is Johannes Cóvens Junior, die wij al als uitgever van de vier bundels Stichtelijke Gezangen hebben ontmoet. Cóvens biedt ook de inmiddels al zo’n vijftien jaar oude Canzonette ed Arie opnieuw aan het publiek aan door op de titelpagina onder Witvogels naam de toevoeging te graveren: ‘Adesso stampate a spese di Giovanni Cóvens Junior, a Amsterdam’ (‘Nu gedrukt op kosten van Johannes Cóvens Junior te Amsterdam’).(32) Heeft Cóvens Schutte gewezen op de liefdesliederen van De Fesch of had Schutte al eerder de Londense uitgave of Witvogels roofdruk in handen gekregen? Is Schutte zelf op het idee gekomen, dat hij deze wereldlijke liederen op teksten van onder anderen Paolo Rolli zou kunnen omvormen in geestelijke gezangen? Wij weten het niet.

Feit is dat Schutte systematisch te werk is gegaan: de muziek van alle 20 Canzonette ed Arie wordt opnieuw gebruikt in de eerste bundel Stichtelijke Gezangen. Het derde gezang wordt gezongen op de muziek van ‘Canzonetta I’, het vierde gezang op die van ‘Canzonetta II’, enzovoorts. Alleen de muziek van ‘Aria XIX’ (‘Care luci non piangete’) is naar voren gehaald en is op de woorden van Gezang 22 (‘Hemelblijdschap’) in de Zangwijzen tussen de muziek van ‘Canzonetta XVI’ en ‘Canzonetta XVII’ geplaatst. Ook wordt dezelfde muziek soms voor verschillende gezangen gebruikt. Gezang 25 (‘De Vrijheid’) blijkt behalve op de muziek van ‘Canzonetta XVII’ (‘Non intendi, o pastorello’) ook op de muziek van maar liefst vier andere ‘canzonette’ te kunnen worden gezongen!

Wat zegt dit laatste feit over de relatie tekst-muziek bij Schutte? Best veel, want er zijn soms aanzienlijke contrasten tussen de vijf ‘canzonette’ in toonsoort, tempo en karakter. Schutte lijkt echter Stravinsky’s moderne opvatting, dat muziek alleen zichzelf uitdrukt, te hebben onderschreven, getuige de volgende opmerking:(33)

Ik kan niet hooren (en dit zal elk der zaaken kundig met mij getuigen) dat deese zangwijzen, zoo Italiaansche als Nieuwgemaakte, onstichtelijker zijn (zoo er anders stichting of ontstichting is in de bloote toonen der Muziek [cursivering van mij, KV]) dan onze oude Vaderlandsche, Fransche, of Hoogduitsche zangwijzen

Zou Schutte zelf niet achteraf wel eens getwijfeld hebben of de vederlichte dansmuziek die zo passend is op de oorspronkelijke Italiaanse tekst ‘Tu fai la superbetta’ (Canzonetta VIII) nu wel zo geschikt is om er het dertiende gezang met de beginwoorden ‘Drie-eenig Opperwezen’ op te zingen? Hij was een blijmoedig gelovig mens natuurlijk, maar toch.

In de Zangwijzen is ook de muziek van tenminste dertien nieuwe liederen opgenomen: ‘Op een nieuwgemaakte zangwijze’, schrijft Schutte dan in de tekstuitgave, zonder de naam van de componist te noemen. Hier is dus geen sprake van ‘prima la musica, poi le parole’, zoals in het geval van de ‘canzonette’, maar omgekeerd van nieuwe noten op bestaande liedteksten. Maar ook voor vijf andere gezangen (nr. 1, 2, 39, 40 en 43) is de muziek uitgeschreven voor stem en becijferde bas, zonder de aanduiding ‘nieuwgemaakt’. Het betreft hier in zeker één geval (nr. 40) een nieuwe bewerking van een bestaande melodie. Hetzelfde lijkt op te gaan voor de gezangen 2, 39 en 43, maar van die melodieën heb ik de bron nog niet terug kunnen vinden. In het geval van het eerste gezang vermoed ik dat er sprake is van volledig nieuw gecomponeerde muziek, hoewel de aanduiding ‘nieuwgemaakt’ ontbreekt.

Wie heeft die (minimaal) dertien nieuwe melodieën gecomponeerd? Alles wijst erop, dat het om Leonhard Frischmuth gaat, die op 26 juli 1763 werd benoemd tot organist van de Nieuwezijdskapel in Amsterdam, maar die vermoedelijk al vanaf ongeveer 1750 in de Amstelstad werkzaam was.34 Frischmuth tekende voor de muziek van het tweede deel van de Stichtelijke Gezangen. In het woord vooraf bij de tweede bundel schrijft Schutte: ‘welke [nieuwe Zangwijzen] ik niet twijffel [sic], of zullen, zo wel als die van zijne hand in ’t I Deel zijn, kenners van goede Muziek smaaken.’35 Is Frischmuth ook degene geweest die de 20 liederen van De Fesch in het eerste deel aan een revisie heeft onderworpen? Geen enkele ‘canzonetta’ is volstrekt ongewijzigd gelaten. Vaak betreft het kleine toevoegingen die de muziek wat eigentijdser en galanter maken – een versierinkje hier, een triooltje daar –, maar soms wordt ook de becijferde baspartij melodisch wat interessanter en harmonisch wat rijker gemaakt (Afbeelding 2). De muzikale aanpassingen zijn meestal zeer gering, maar verraden de hand van een meester (Afbeelding 3).

Afbeelding 2a en 2b. Canzonetta XIII (‘Dorilla, e che sarà’) uit de Canzonette ed Arie van Willem de Fesch (a) en het contrafact (Gezang 20, ‘’t Hart in den hemel’) in Stichtelijke Gezangen I (b). De muzikale medewerker van Schutte – vrijwel zeker Leonhard Frischmuth – gaat hier verder dan hij gewoonlijk doet: de becijferde bas is in de eerste twee maten herschreven, zodat er een melodische wisselwerking ontstaat tussen de becijferde bas en de stem.

Afbeelding 2a

Afbeelding 2b

Afbeelding 3a en 3b. Begin van Aria XX (‘Come sarai l’amar felice stato’) uit de Canzonette ed Arie van Willem de Fesch (a) en van het contrafact (Gezang 28, ‘De Komst des grooten Konings’) in Stichtelijke Gezangen I (b). In die gevallen waarin De Fesch de stem laat zwijgen en de becijferde bas enkele maten alleen laat spelen, voorziet de muzikale medewerker van Schutte (Frischmuth?) in een uitgewerkte klavecimbelpartij, die soms zelfs een obligaat of concertant karakter krijgt.

Afbeelding 3a

Afbeelding 3b

Tenslotte moet worden opgemerkt, dat de zestiende-eeuwse Geneefse psalmmelodieën of andere vanouds geliefde melodieën zich niet volledig hebben laten uitwissen door de nieuwerwetse zangwijzen. De vertrouwde melodie ‘Wie sleet heuchelijker dagen’, die Schutte uit Lodensteins Uytspanningen (1676) kende, maar die van ouder datum is, wordt maar liefst zesmaal genoemd als eenvoudiger alternatief voor de in de Zangwijzen afgedrukte moderne muziek. Hoe complex de situatie kan zijn, illustreert het drieëndertigste gezang, ‘Heilig stilstaan’, dat op de nieuwe muziek afgedrukt in de Zangwijzen kan worden gezongen, maar ook op de melodie ‘Heureuse Tourterelle’ (waarschijnlijk een geliefde melodie uit een Franse opera, of een populair Frans liefdeslied) of op het ‘Wilhelmus’!(36) Ongetwijfeld bereikte Schutte op deze manier ook de muzikaal minder geschoolde liefhebber van geestelijke gezangen.

Postludium
Zelfs over de eerste bundel Stichtelijke Gezangen is veel meer te zeggen dan wat ik hier heb opgeschreven. De tweede bundel, met muziek van Leonhard Frischmuth, de derde (‘in Musiek gebragt door verscheiden voornaame meesters’) en de vierde bundel met muziek van de Boheemse componist Johann Andreas Kauchlitz – beter bekend onder zijn geïtalianiseerde naam Giovanni Andrea Colizzi – zijn in muzikale zin zeker niet minder interessant. Het geestelijke kunstlied in de achttiende- eeuwse Republiek in het algemeen, en de vier bundels Geestelijke Gezangen van Rutger Schutte in het bijzonder, verdienen nadere bestudering.(37) Niet alleen om muzikale redenen, maar ook omdat er zoveel interessante literaire historische, sociologische en theologische aspecten aan zijn verbonden. Het blijft merkwaardig, dat de NCRV op zes zondagen in 1969 een serie uitzendingen aan Schutte en diens Geestelijke Gezangen wijdde, maar dat het sindsdien in muzikale zin zo stil lijkt te zijn gebleven rond de Stichtelijke Gezangen van de ‘Groote Schutte’.(38)

Gepubliceerd in
TIJDSCHRIFT VAN DE KONINKLIJKE VERENIGING VOOR NEDERLANDSE MUZIEKGESCHIEDENIS - DEEL LXXII, 2022

_____________________
* Voor mijn vriend Ed Worm, met een glimlach.
(1) W.L. Krieger, Gedachten bij ’t verneemen van den dood van den wel-eerwaarden zeer geleerden Heere Rutger Schutte […] (Amsterdam 1785), 8. Wilhelm Leendert Krieger (1749-1822), die het tot hofpredikant van Koning Willem I zou brengen, noemt Schutte zijn weldoener, leraar en vriend. Schuttes zwager en collega-predikant Ludovicus Hamerster (1727-1789) hield op 2 januari 1785 een ‘Leerrede’ over Schuttes leven en dood in de Amsterdamse Westerkerk, die eind januari uitkwam bij Johannes Wessing Willemsz., dezelfde boekhandelaar-drukker die Kriegers gedenkschrift publiceerde. Een overzicht van alle geschriften van Schutte is te vinden in S.D. Post, Pieter Boddaert en Rutger Schutte. Piëtistische dichters in de achttiende eeuw (Houten 1995), 405- 416. Post biedt ook een uitgebreide levensbeschrijving.
(2) W. Peene, Josua van Iperen (1726-1780). Gereformeerd predikant ten tijde van de Verlichting (Zoetermeer 2017) geeft in hoofdstuk 8 (‘de psalmbeschaver’) een goede korte samenvatting van de werkzaamheden van de berijmingscommissie (201-238).
(3) Ten onrechte wordt vaak beweerd, dat Schutte tot de oprichters van de Maatschappij zou hebben behoord, zie Post, Pieter Boddaert en Rutger Schutte, 328.
(4) R. Schutte, Stichtelijke Gezangen III, Voorrede, XII.
(5) Schutte, Stichtelijke Gezangen III, Voorrede, XVII.
(6) Van de in totaal 192 gezangen die de bundel uit 1806 bevat, schrijft Lodewijk de Geer er slechts twee (gezang 120 en gezang 169) aan Schutte toe. Zie L. de Geer, Ontstaan, invoering en ontvangst van den evangelischen gezangenbundel in de Nederduitsch Hervormde Kerk (Groningen 1902), 193-194.
(7) Schutte, Stichtelijke Gezangen III, Voorrede, X.
(8) Post, Pieter Boddaert en Rutger Schutte, meent van wel, en beschrijft op pp. 242-243 de criteria voor het piëtistisch gedicht. Hij doet dit aan de hand van de inleiding die Schutte schreef bij de tweede druk van de Stichtelijke gedichten van Jacoba Winckelman, in 1769 in Amsterdam uitgegeven door Martinus de Bruyn. Dreigt hier het gevaar van een cirkelredenering, aangezien Schutte niet met zoveel woorden over piëtistische poëzie spreekt? R.A. Bosch, En nooit meer oude Psalmen zingen. Zingend geloven in een nieuwe tijd, 1760-1810 (Zoetermeer 1996), 44-46, zet vraagtekens bij het gebruik van de term piëtisme, die zowel voor gereformeerde als evangelische geschriften wel wordt gebruikt: ‘Tussen de vroomheid van de zeventiende-eeuwse Lodenstein, en de achttiende-eeuwse Schutte was zo’n kloof ontstaan, dat het mij niet zinvol lijkt om in deze studie de term ‘piëtisme’ te gebruiken om de positie van dichters te omschrijven.’ (p. 46).
(9) Post, Pieter Boddaert en Rutger Schutte, 406-415.
(10) Schutte, Stichtelijke Gezangen I, II en III (Amsterdam 1782), Voorbericht, 4r.
(11) J. Hartog, De spectatoriale geschriften (Utrecht 1872), 97
(12) P. Manzin, All’Autore delle Osservazioni in lingua Francese sopra La Musica, e La Danza in Italia (Venezia 1773), 55: ‘I politi signori di quella Repubblica, e particolarmente le gentili Olandesi, sono inclinatissime [sic] alla musica italiana.’
(13) Zie K. Vlaardingerbroek, ‘Faustina Bordoni applauds Jan Alensoon. A Dutch music-lover in Italy and France in 1723-4’, in M&L 72 (1991), 536-551 en K. Vlaardingerbroek, ‘“The promised land of music”. Jan Teding van Berkhout in Italy, 1739-1741’, in Recercare 24 (2012), 107-136.
(14) Schutte, Stichtelijke Gezangen I, Voorrede, XXXII.
(15) R. Rasch, Muziek in de Republiek. Muziek en maatschappij in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (Utrecht 2018), 17-21.
(16) Schutte, Stichtelijke Gezangen I, Voorrede, XXXII.
(17) Schutte, Stichtelijke Gezangen III, Voorrede, XXIII-XXVI.
(18) Schutte, Stichtelijke Gezangen I, Voorrede, V.
(19) Schutte, Stichtelijke Gezangen I, Voorrede, XXVIII.
(20) Schutte, Stichtelijke Gezangen I, Voorrede, XXIII.
(21) De Geer, Ontstaan, invoering en ontvangst, 95-188.
(22) Schutte, Stichtelijke Gezangen I, Voorrede, XXIX-XXXII.
(23) Schutte, Stichtelijke Gezangen I, Voorrede, XXXI.
(24) Rasch, Muziek in de Republiek, 96.
(25) J.J. Grabner, Über die Vereinigten Niederlande. Briefe von J.J. Grabner (Gotha 1792), 333-334.
(26) J.W. Enschedé, ‘Biografische aanteekeningen over musici door J.W. Lustig, Organist van de Martinikerk te Groningen (1762)’, in TVNM 8 (1905-1908), 146-165: aldaar 149 (Burghorst) en 162 (Steen).
(27) I.H. van Eeghen, De Amsterdamse boekhandel 1680-1725, vol. III: Gegevens over de vervaardigers, hun internationale relaties en de uitgaven A-M (Amsterdam 1965), 252.
(28) Post, Pieter Boddaert en Rutger Schutte, 258-261.
(29) Bosch, En nooit meer oude Psalmen zingen, 145-147. J.R. Luth, ‘Daer wert om ’t seerste uytgekreten…’. Bijdragen tot een geschiedenis van de gemeentezang in het Nederlandse Gereformeerde protestantisme ±1550-±1852 (2e dr., Kampen 1986), deel I, 249: ‘Dat de gezangen van Schutte in de liturgie zijn gebruikt is mij niet gebleken.’
(30) F. van den Bremt, Willem de Fesch (1687-1757?). Nederlands componist en virtuoos. Leven en werk (Brussel 1949), 52. R.L. Tusler, Willem de Fesch, ‘An excellent musician and a worthy man’ (Den Haag 2005), 223, onthult 1761 als het sterfjaar van De Fesch. Tusler (p. 105) veronderstelt, dat De Fesch Lady Francis Erskine, aan wie De Fesch de eerste bundel Canzonette ed Arie opdroeg, al in Antwerpen had leren kennen. In de door hem verzorgde nieuwe uitgave van de Canzonette ed Arie (Amsterdam 2003) wordt deze veronderstelling zonder enig bewijs als feit gepresenteerd en wordt als ontstaansperiode van de liederen 1725-1730 aangegeven. Het is niet uitgesloten, maar aangezien Paolo Rolli, de tekstdichter van minstens zestien van de 20 Canzonette ed Arie, tussen 1715 en 1744 in Londen actief was, lijkt het mij waarschijnlijker dat de liederen in de eerste jaren na de verhuizing van De Fesch naar Londen zijn ontstaan.
(31) A. Dunning, De muziekuitgever Gerhard Fredrik Witvogel en zijn fonds. Een bijdrage tot de geschiedenis van de Nederlandse muziekuitgeverij in de achttiende eeuw (Utrecht 1966), 31 en 52. (32) Ibid., 18-19.
(33) Schutte, Stichtelijke Gezangen I, Voorrede, XXXII.
34 Leonhard Frischmuth, Tre sonate per il cembalo, ed. R. Rasch. Muziek uit de Republiek 6 (Utrecht 2001), 6.
(35) Schutte, Stichtelijke Gezangen II, Voorrede, VIII.
(36) Schutte geeft voor acht gezangen in de eerste bundel alternatieve melodieën met Franse titels op. In sommige gevallen verwijzen die titels mogelijk naar geliefde melodieën uit opera’s van onder anderen Lully en Campra. Graham Sadler wees mij er desgevraagd op, dat ‘Doux rossignol, ne vantez plus vos feux’ (de alternatieve melodie voor Gezang 31, een lied met de in dit verband opvallende titel ‘De nachtegaal’) verwijst naar een ‘air sérieux’ met die titel in het eerste boek van de Recueil d’airs sérieux et à boire (Parijs 1725) van Louis Lemaire (?1693 1750?). Voor de definitieve vaststelling van de bronnen van de andere zeven Franse melodieën is nader onderzoek vereist. Ik wil dr. Sadler hier graag bedanken voor zijn hulp. A. Eikelboom, Hymnologie. Een geschiedenis van de strofische zang in de westerse christelijke kerk, vol. XId: De onrust over de kerkzang in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden tussen 1600 en 1800 (Rijsbergen 2015), 260-272, biedt een analyse van Gezang 37 (‘Heilig lachen’), dat op Frischmuths (?) nieuwe melodie kan worden gezongen, maar ook op de geliefde melodie ‘A table avec mes amis’. Eikelboom citeert twee oudere Nederlandse bronnen voor de melodie van ‘A table avec mes amis’, waarvan de oorspronkelijke bron niet bekend is: in de Mengelzangen (2e dr., Amsterdam 1717) van Hermanus van den Burg wordt de melodie gebruikt voor de nieuwe tekst ‘Te bedde met myn ziels vriendin’, terwijl Jan van Elsland de melodie ‘leent’ voor de ‘Tafel Zang’ in zijn Gezangen, of het vrolyk gezelschap der negen zanggodinnen (2e dr., Haarlem 1738). Tussen beide versies bestaan de nodige ritmische en melodische verschillen. Op p. 267 laat Eikelboom zien, welke (kleine) muzikale aanpassingen nodig zijn om de bij Van den Burg afgedrukte versie te laten passen op de gezangtekst van Schutte. In welke versie Schutte de melodie heeft gekend is vooralsnog onduidelijk. De eerste uitgave (Haarlem 1717) van de Gezangen van Jan van Elsland (‘JvE’) is overigens via Google Books online te vinden, met dezelfde melodie voor de ‘Tafel Zang’. Via Google Books kan eveneens de eerste druk van de Gezangen (Amsterdam 1713) van Hermanus van den Burg worden bestudeerd, een liedbundel die door de dichter zelf met een groot aantal nieuw toegevoegde liederen werd heruitgegeven onder de titel Mengelzangen.
(37) Een interessant globaal overzicht biedt G. Oost, ‘De edele zangkunst. De verschillende verschijningsvormen van de Nederlandse zangcultuur in de tweede helft van de achttiende eeuw’, in Hef aan! Bataaf! Beschouwingen over muziek en muziekleven in Nederland omstreeks 1795, ed. P. van Rijen (Alphen aan den Rijn 1997), 106-148. Arie Eikelboom geeft historische, tekstuele, theologische en muzikale analyses van een groot aantal Nederlandse geestelijke liedbundels uit de zeventiende en achttiende eeuw in de delen XIa, XIb, XIc en XId van zijn Hymnologie (zie noot 36).
(38) F. Schouten, ‘De liedboeken van Rutger Schutte. Aantekeningen bij een poging tot geestelijke huismuziek uit de tweede helft der achttiende eeuw’, in Mens & Melodie 24 (1969), 169-172. Aan de uitvoeringen werkten mee: Nel Burbach (sopraan), Frans Schouten (bariton) en Marijke Smit Sibinga (klavecimbel); ibid., 172.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links