Componisten/werken

Caldara: Maddalena ai piedi di Cristo

 

© Aart van der Wal, juli 2003

 

Onbekend maakt onbemind en dat etiket kan nog steeds op vele componisten worden geplakt. Ondanks de vorderingen op musicologisch terrein en het spit- en graafwerk in de archieven zijn we nog niet aan de top van de ijsberg aanbeland en mogen we ook in de komende jaren nog (her)ontdekkingen verwachten die in muzikaal opzicht echt iets te betekenen hebben. Want het spreekt welhaast vanzelf dat niet álles de tand des tijds heeft doorstaan en dat menige compositie terécht eens in de laden verdween. Het is dan aan met name de vertolkers om het kaf van het koren te (blijven) scheiden en niet ten prooi te vallen aan de commerciële waan van de dag ('première', 'first recording', enz.)

Het kan zeker leuk zijn om van plat getreden paden af te wijken en het oor te luisteren te leggen bij zoiets als de symfonieën en de kamermuziek van Beethovens leerling en protégé Ferdinand Ries (1784-1838). Al is het alleen maar om in praktisch iedere maat Beethoven te hóren. Of wat dacht u van de in concerti en triosonates grossierende Jan Zelenka (1679-1745)? Best aardig is ook Le devin du village van Jean-Jaques Rosseau (1712-78). Of wat meer bij de tijd: de symfonie in E-groot van Hans Rott (1858-84) die hóórbaar de muziek van Gustav Mahler in het hart had gesloten.

 

Antonio Caldara (ca. 1670-1736) stond niet op de hedendaagse muzikale staalkaart, maar daar brachten tenminste drie cd-labels verandering in: Virgin, Naxos en Harmonia Mundi. En wat je niet vaak ziet gebeurde hier wel degelijk: uitvoering en opname mochten in alle gevallen gezien worden, al scoort Harmonia Mundi in Maddelena ai piedi Cristo in alle opzichten het hoogst (ook wat de bijgeleverde teksten betreft).

Achtergronden

Als we het over de barokperiode hebben noemen we waarschijnlijk Caldara niet in een adem met bijvoorbeeld Bach, Telemann, Händel, Scarlatti en Corelli, maar treffend is toch wel dat zij het toch uitgerekend waren die Caldara wèl noemden, hem als een belangrijke componist beschouwden en zelfs werk van hem in bezit hadden en gebruikten. Zo maakte Bach een afschrift van een Magnificat van Caldara en nam Telemann Caldara's geestelijke muziek aanvankelijk als voorbeeld. De toen nog piepjonge Haydn, een van de koorknapen van de Stephans-Kirche in Wenen, zong Caldara's koorwerken uit volle borst mee en bezat bovendien de partituur van tenminste twee missen van Caldara. Dan is er nog Mozart die Caldara's canons als voorbeeld nam in KV 555, 557 en 562. Ook Brahms moet met menige canon van Caldara bekend zijn geweest.

Caldara's geestelijke muziek munt uit door inventie, transparantie en een hoge graad van expressie, dit alles ingebed in subtiele klankschilderingen en met een vlekkeloze en diep doorleefde tekstbehandeling. Ik heb het hier dus over kunst met een grote k en niet over het zoveelste epigonisme dat de zintuigen teistert in de categorie 'veel van het zelfde'. Hier vinden we muziek van dusdanig hoge kwaliteit dat we er niet aan voorbij mógen gaan.

In de tweede helft van de zeventiende eeuw was Venetië een van de belangrijkste cultuurcentra en daar werd Caldara uitgerekend geboren. Over het geboortejaar bestaat geen eenduidigheid maar uit het overlijdenscertificaat (1736) blijkt althans dat hij op 66-jarige leeftijd overleed. Daaruit volgt 1670 als geboortejaar.

Net zoals zovele componisten uit die tijd werd de jonge Caldara ook koorknaap, en natuurlijk was dat een verbintenis met de basiliek van San Marco. Vader Giuseppe, een niet onverdienstelijke violist, moet hem de nodige kneepjes van het musiceren hebben bijgebracht, waarna Antonio zich uiteindelijke verder ontwikkelde tot een respectabele musicus, die onder andere de viola da spalla, de viola en de violoncino bespeelde. Daarnaast komt zijn naam voor als een gerenommeerde altus.

Caldara was ook als componist zeker geen laatbloeier: hij was net 28 toen hij zijn eerste opera, L'Argene, voltooide, die een jaar later een zeer succesvolle opvoering beleefde. Ook als componist was zijn naam snel gevestigd en vanaf 1690 nam zijn carrière dan ook een voorspoedige vlucht.

Hoewel er wellicht in de archieven nog het een en ander te vinden is dat wij (nog) niet kennen, is het vooralsnog zo dat Caldara nauwelijks instrumentale muziek heeft geschreven. Er is een verzameling triosonates die in 1693 en 1699 werd gepubliceerd onder de opusnummers 1 en 2 als sonata da chiesa (kersonates) en sonata da camera (kamersonates). De vijfde sonate van op. 1 werd door Virgin op cd verdoekt (VBD5 61588-2).

Het zwaartepunt in Caldera's oeuvre ligt bij de opera en het oratorium. In die tijd, zo aan het einde van de zeventiende eeuw, lag de opera in Venetië zeer goed in de markt en Caldara bleef daarbij niet achter, getuige onder andere zijn La promessa serbata en Il Tirsi. In die jaren negentig kwam ook zijn oratoriumproductie op gang, het begin van ongeveer veertig stuks(!), toen een nog vrijwel braak liggend terrein.

Caldara bleef niet in Venetië hangen: in 1699 'veroverde' hij de positie van maestro di cappella da chiesa e da teatro aan het hof van de hertog van Mantua, een functie die een grote voorganger, Claudio Monteverdi, bijna een eeuw daarvoor had bekleed. In 1707 moest de hertog de wijk nemen naar Venetië en het is waarschijnlijk dat Caldara daardoor gedwongen werd om zijn baan vaarwel te zeggen, waarna hij afreisde naar Rome.

Rome. het grote aantal kerken, de residentie van de Paus in het Vaticaan, het bolwerk van het katholicisme, de talloze schatrijke families die zich rond de macht hadden genesteld, de vele bannelingen elders uit Europa, ook van koninklijke bloede, het kon cultureel wérkelijk niet op. Maar. het was ook het Rome van de prima prattica, het pauselijke decreet over de conceptie en de uitvoering van geestelijke muziek, een ouderwetse stijl die werd gedomineerd door een soort 'heilige' benadering, die eigenlijk het beste met 'respect' kan worden aangeduid en die in die tijd passend werd geacht. Respect voor Gods grootheid, en de kunstenaar die Hem in nederigheid en met ontzag met zijn werken eert: God staat centraal, niet de kunstenaar. De kunstenaar die zich daarmee niet kon 'vereenzelvigen' deed gewoon niet mee, stond aan de kant, en had dus geen inkomen, geen status. Financieel te worden ondersteund door de rijke Romeinse families betekende dus inschikkelijkheid, iets wat ook collegae van Caldari - zoals Scarlatti, Stradella, Melani en Corelli - bijna op het lijf geschreven was.

Caldari moet zich daar in Rome al snel hebben thuis gevoeld, want binnen een jaar ging zijn nieuwe oratorium Il martirio di S Catarina van start, uitgevoerd in het paleis van kardinaal Ottoboni.

Het bleek van korte duur: de Habsburgse legers stonden voor deur en Caldara vertrok in mei 1708 naar het hof van Karel de Derde, de latere keizer Karel de Zesde, in Barcelona. Drie maanden later was er dan de gedenkwaardige dag van de eerste uitvoering van een Italiaanse opera in Spanje: Componimento da camera per musica, il piú bel nome. Caldara zette op deze wijze luister bij de bruiloft van Karel de Derde met Elisabeth Christine von Braunschweig. Ook in Spanje bleek Caldara's bedje gespreid te zijn.

Begin 1709 keerde Caldara in Rome terug en rond de zomer verkreeg hij daar de positie van maestro di cappella aan het hof van de prins van Cerveteri. Hij moet het er naar zijn zin hebben gehad want in de daarop volgende zeven jaren componeerde hij niet minder dan 150 solocantates en 50 duetten, negen oratoria en vier opera's. Het moet Caldara ook goed hebben gestemd dat in tegenstelling tot Venetië het muziekleven in Rome meer facetten bood en dat de Romeinse ensembles aanmerkelijk forser waren dan in zijn geboortestad. Zo was een ensemble bestaande uit meer dan zeventig strijkers geen uitzondering in die dagen.

Pas getrouwd vertrok Caldara in 1711 met zijn kersverse echtgenote naar Wenen om daar zijn licht op te steken over de mogelijkheden voor een benoeming aan het keizerlijke hof. Hij had echter pech: Fux kreeg de functie van tweede Kapellmeister en niet Caldara, terwijl Ziani een plaatsje opschoof, van tweede naar eerste Kapellmeister. In 1712 dan maar weer terug naar Rome.

In 1715 had Caldara echter meer succes. Ziani had in Wenen de geest gegeven en Fux was hem opgevolgd. Dit betekende dat de positie van tweede Kapellmeister vrij kwam. De Weense Hofkapelle genoot een zeer goede reputatie en keizer Josef de Eerste was zelf een niet onverdienstelijk musicus die het klappen van de zweep kende. Bovendien stond de Italiaanse muziek bij het hof in hoog aanzien. Voorwaar het ideale klimaat voor Caldara vanaf 1716. De Hofkapelle beschikte maar liefst over veertien(!) trompetten. naast strijkers, pauken, maar zónder fluiten.

In Wenen componeerde Caldara lustig verder: daar ontstonden vier opera's en . vijfentwintig(!) oratoria die zonder uitzondering 'keurig' werden geconcipieerd volgens de door het hof en de clerus uitgevaardigde 'voorschriften'. Rond 1720 was het slecht gesteld met de gezondheid van de eerste Kapellmeister Fux en het zal geen verwondering wekken dat vanaf dat moment Caldara het merendeel van het repertoire van de Hofkapelle voor zijn rekening nam. Ook aan het hof bleef dat niet onopgemerkt: uiteindelijk verdiende Caldara méér dan zijn 'baas' Fux.

Op 28 december 1736 eindigde het werkzame leven van Antonio Caldara.

Maddalena ai piedi di Cristo

In 1713 heerste in Wenen de pest (Caldara was een jaar daarvoor al in Rome teruggkeerd) maar vast staat wel dat Maddalena in dat jaar is uitgevoerd in de hofkapel. Dat kan samenhangen met zijn verblijf in Wenen in 1711 en 1712, maar zeker is dit niet.

Het libretto voor Maddalena is afkomstig van de verder onbekende Lodovico Forni en op muziek gezet door Bononcini. Het werk werd in het Italiaanse Modena in 1690 voor het eerst ten doop gehouden. Toen Caldara de tekst in handen kreeg had die al diverse bewerkingen ondergaan. Hoe het ook zij, de versie van Caldara bevat een extra toegevoegde partij (Marta), zijn er zestien nieuwe ariateksten toegevoegd en werd er danig gesnoeid in het aantal aria's en ensembles (er bleven er daarvan uiteindelijk zeventien behouden). Caldara moet terdege hebben beseft dat deze omwerking een grotere cohesie, meer dramatiek en een grotere contrastwerking tot gevolg had. Inhoudelijk leidde dit echter niet tot consequenties: ook in de versie van Caldara gaat het om de strijd tussen goed (amore celeste) en kwaad (amore terreno), met - zoals in de tekst van Forni - de klemtoon op Lukas 7:36-50, Johannes 11:1-2 en 12:1-4.  

Centraal staan de da capo aria's die - met uitzondering van de openingsaria Dormi, o cara - volgens de A-B-A liedvorm zijn geconcipieerd. Grote variëteit wordt bereikt door afwisselend kleinschalige aria's (voor zangstem en continuo) die worden geflankeerd door vijfstemmige ritornello-partijen voor de strijkers, en een ronduit grootschalige, rijk aangeklede aanpak. Daarnaast is er de originele instrumentatie die steeds weer opnieuw verrassingen brengt: unisono-partijen naast contrapuntisch uitgewerkt combinaties van violen 1 en 2, altviolen en bassen. De tekstbehandeling heeft ook instrumentale consequenties: in het ene geval een heldere, in het andere een donker omfloerste klank. Ook schuwt Caldari het solo-element niet, zoals de plotsklaps opdoemende vioolsoli midden in een vijfstemmig strijkerskoor. Ook de cello ontkomt niet aan een solopartij. Opera-achtige elementen met intense dramatiek worden afgewisseld door uitgesproken intieme lyriek van een adembenemende indringendheid. Maar een theatrale zetting wordt gemeden, het is en blijft binnen de context van de religieuze boodschap die in dit werk verankerd ligt: Maria Magdalena aan de voeten van Christus.

Uitvoering

De mooiste uitvoering vindt u op Harmonia Mundi. Althans, ik kan mij geen fraaiere voorstellen. Dit is musiceren van de hoogste orde, dit alles gevat in een goudgerande opname zoals er sowieso maar weinig te vinden zijn. Gouden stemmen, een schitterend spelend ensemble geënt op de historiserende uitvoeringspraktijk (waaronder viole da gamba, violone, théorbe, luit, orgel en klavecimbel), zo doorzichtig als glas, typisch zo'n uitvoering waarin de tekst wordt belééfd en door de toehoorders dienovereenkomstig wordt méébelééfd. Om met de Engelsen te spreken: once heard and never forgotten.


Antonio Caldara: Maddalena ai piedi di Cristo. Cristina Kiehr, Rosa Dominguez, Bernarda Fink, Andreas Scholl, Ulrich Messthaler, Gerd Türk, Schola Cantorum Basiliensis o.l.v. René Jacobs (tevens klavecimbel). Harmonia Mundi HMC 905221.22.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links