Column

Philharmonie Zuidnederland 2014-2015

 

© Maarten Brandt, april 2014

 

Er klinkt een opvallende plof op mijn deurmat. Nu zegt dat op zich niets, want een dergelijk geluid maakt ook de zoveelste Ikea- en modecatalogus die bij mij meteen in de papierversnipperaar belandt. Hoe dan ook, eenmaal bij de voordeur aangesneld ontwaar ik de monumentale nieuwe seizoensbrochure van de Philharmonie Zuidnederland, dus van het nieuwe in april 2013 geboren fusieorkest, ontstaan uit de samenvoeging van Het Brabants Orkest en het Limburgs Symfonie Orkest. Een samenvoeging voorafgegaan door een moeizaam proces vol onzekerheden en niet in de laatste plaats: een gebeuren dat veel menselijk leed met zich heeft meegebracht, omdat de nodige musici het veld moesten ruimen. Dit alles na dikwijls tientallen jaren van trouwe dienst!

Het mag daarom aan de balk dat de leiding van de Philharmonie Zuidnederland in het tweede seizoen van het orkest op een verrassende wijze van de nood een deugd heeft gemaakt en zich door de kille politieke anti-culturele tegenwind allesbehalve uit het veld heeft laten slaan, maar zich, integendeel, uitgedaagd heeft gevoeld haar creativiteit - zeker gezien de heersende omstandigheden - optimaal te benutten. En dit in zo korte tijd. Want de taak waarvoor het orkest zich gesteld ziet, is verre van eenvoudig: het opnieuw ontwikkelen, overeind houden en consolideren van een veelzijdige symfonische cultuur, operabegeleidingen, educatieve projecten en noem maar op. Daarnaast heeft men rekening te houden met een substantiële vergroting van het speelgebied (en dus een toename in reistijd) waarbinnen men concertzalen van diverse grootte en kwaliteit aantreft.

Voortdurende ijking
Dat laatste betekent dat het orkest in uiteenlopende formaties zijn opwachting dient te maken, te weten in een grote laatromantisch/twintigste eeuwse bezetting, een ensemble van een middelgrote omvang (vergelijkbaar met het aantal musici van het voormalige Limburgs Symfonie Orkest) en een gezelschap van kamerorkestachtige proporties. Het moet gezegd, men is er in alle drie de gevallen perfect in geslaagd uitdagende programma's samen te stellen, waarbij duidelijk het befaamde adagium van Alban Berg "men moet klassieke muziek spelen of zij modern en moderne muziek alsof zij klassiek is" als leidraad heeft gefungeerd. Natuurlijk is het afwachten of deze formule aanslaat, maar nu zelfs voor de hand liggende en voorspelbare conservatieve programma's allerminst een garantie zijn voor een volle zaal (tijdens een reeks uitvoeringen van de Zesde van Mahler in Rotterdam in december jongstleden zat De Doelen slechts voor de helft vol) is het ten zeerste toe te juichen dat de nieuw aangetreden intendant, Stefan Rosu, de bakens wil verzetten en dusdoende in feite ook een traditie van het voormalige Brabants Orkest voortzet dat opviel door opmerkelijke programma's en menig grensverleggend componistenproject. Iets wat - ondanks de beperkingen van de bezetting - mutatis mutandis tevens voor het Limburgs Symfonie Orkest opging, voor welk gezelschap onder meer Robert Heppener en Bart Visman schitterende stukken schreven. Waarmee Rosu met zoveel woorden te kennen geeft dat slechts een voortdurende ijking van de traditie met minder bekend, twintigste eeuws en eigentijds werk de enige waarborg biedt voor de continuïteit van een van de mooiste instituten die de West-Europese cultuur heeft opgeleverd: het symfonieorkest.

Beginselverklaring
Natuurlijk ontbreken de ijzeren paradepaarden niet. Zo klinkt op een van de concerten in de groot bezette serie de Negende van Dvorak, maar dan wel in combinatie met Ives Three places in New England en Varèse's kolkende orkestrale monoliet 'Amériques'. Dan ga je inderdaad met heel andere oren naar 'De Nieuwe Wereld' luisteren! En wat te denken van Diepenbrocks monumentale 'Te Deum'? Naast het gelijknamige werk van Bruckner immers een van de meest imponerende toonzettingen van deze lofzang uit het centrale Europa van het begin van de vorige eeuw en - mijns inziens - meesterlijk gecombineerd met een andere Negende, namelijk die van Beethoven. Overigens is dit het openingsconcert van het nieuwe seizoen. Heel passend, en dan nog wel met als aftrap zo'n schitterend Nederlands stuk dat ten onrechte internationaal nog steeds vrijwel onbekend is. Philharmonie Zuidnederland stelt hiermee een daad van belang en dat feit heeft echt iets weg van een beginselverklaring. En zo zijn er meer prachtige grootschalige producties te signaleren, zoals die welke in het teken staat van liefde en eros en waarin Wagners 'Vorspiel und Liebestod' uit 'Tristan und Isolde' broederlijk is verenigd met 'Eros-Piano' van John Adams en na de pauze de Derde symfonie, bijgenaamd 'Le Poème Divin', van Scriabin. En last but not least komt in deze serie een speciaal daarvoor geschreven opdrachtwerk tot klinken, te weten van Robin de Raaff, maar de titel daarvan blijft nog even een verrassing.

Natuurlijk kan ik in dit bestek slechts een beperkt aantal programma's noemen die echter in hoge mate representatief zijn voor de rest. Want ook in de reeks met een orkest van middelgrote omvang staat een aantal zeer aantrekkelijke producties op stapel. Zoals bijvoorbeeld het concert dat opent met delen uit Schumanns pianocyclus 'Carnaval' in de instrumentatie van Ravel, gevolgd door het fluitconcert van Ibert en met na de pauze de 'Interlude' van Lutoslawski alsmede het ballet 'Le festin de l'araignée' van Roussel. En ook niet te versmaden: de combinatie van de Zes adagio's van Pijper met het Klarinetconcert van Mozart en de integrale Lemmenkainen-suite van Sibelius. Heel origineel is ook de 'double bill' van de cantate 'La damoiselle élue' voor sopraan, mezzosopraan, dameskoor en orkest van Debussy plus de Vierde van Mahler. Niet alleen is dit opmerkelijk omdat het zelden zal zijn voorgekomen dat men Debussy en Mahler op een en hetzelfde programma tegenkomt, ook omdat in het eerste geval een vrouw, in de hemel aangekomen zijnde, treurt over haar geliefde die nog op aarde is, terwijl het hemelse leven ook in Mahlers meest bekende symfonie een wezenlijke rol speelt, zij het op een totaal andere wijze.

Verrassende combinaties
Natuurlijk mag een enkel woord over de kamerorkest-programma's hier niet ontbreken. Een ouderwets - en dat bedoel in de positieve zin des woords - fraaie productie is die welke opent met de 'Derivazioni' voor strijkers van onze landgenoot Robert Heppener, gevolgd door het Tweede vioolconcert van JS Bach en tijdens de tweede helft de Roemeense dansen van Bartók en de 'Miracle' symfonie van Haydn. Trouwens, over laatstgenoemde gesproken, een van de prachtige programma's opent met diens 'Filosoof'. Daarna gaat de schitterende zangcyclus 'Paroles tissées' voor tenor, strijkorkest, harp en slagwerk van Lutoslawski terwijl gedurende de tweede helft de schijnwerpers staan gericht op de Praagse symfonie van Mozart. Ook de avond die wordt ingeluid met 'Ramifications' van Ligeti en wordt voortgezet met het Eerste pianoconcert van Beethoven en na de pauze het 'Concerto da camera' van Schat plus de Vijfde van Schubert zou ik absoluut niet willen missen. Overigens, ook voor deze serie schrijft een van onze componisten een nieuw stuk, om precies te zijn een dubbelconcert voor fluit en harp, waarvoor men een jong talent uit Den Haag heeft weten te benaderen, Christiaan Richter die het vak leerde bij Guus Janssen en Martijn Padding. Het werk zal in combinatie met Debussy's 'Six épigraphes antiques', (in de instrumentatie van Rudolf Escher), Mozarts Concert voor fluit en harp en Ravels 'Le tombeau de Couperin' ten gehore worden gebracht.

Een pracht van een seizoen dus en wat hoogst aangenaam treft: nu voor de afwisseling eens geen karrevrachten aan Sjostakovitsj, Rimski Korsakov en andere Russen dan wel Oost-Europeanen waar men doorgaans elders en altijd op dezelfde dodelijk voorspelbare wijze op wordt getrakteerd. Wel het in de goede zin des woords vertrouwde ijzeren repertoire maar bijna altijd in verrassende combinaties met muziek - al dan niet eigentijds - van andere dan Russische bodem. Als er een orkest is dat zich hiermee artistiek op de kaart zet, is het de Philharmonie Zuidnederland wel.

Trendbreuk
Kwaliteit en nog eens kwaliteit dus, wat ook blijkt uit het dirigentenbeleid, want naast Kees Bakels zullen onder meer Ed Spanjaard, Kenneth Montgomery, Jac van Steen, Antony Hermus en Otto Tausk met vaste regelmaat de scepter over het orkest zwaaien. En daarmee wordt eindelijk de trend gebroken van het steeds maar weer vrijwel uitsluitend zijn toevlucht zoeken tot buitenlandse en bij voorkeur Russische dan wel Oost-Europese dirigenten. Een uiterst verheugende ontwikkeling, waarbij bovengenoemde musici juist al sedert jaar en dag hun onloochenbare reputatie danken aan hun omvangrijke en veelzijdige repertoire, met inderdaad als gevolg dat muziek uit alle eeuwen op een evenwichtige en smaakvolle wijze samengevoegd tot klinken kan komen, en waarvan komende seizoen dus al een indrukwekkend staaltje laat zien.

De telefoon bij het bed gaat en ik schrik wakker; het is mijn schoonmoeder. Ik zou haar om tien uur opzoeken en dat is het al. Het was vorige avond laat geworden en ik had kennelijk vergeten om de wekker te zetten. "Nee", antwoord ik haar, "dat lukt niet meer, ik heb me verslapen. Kun je vanmiddag om half vier?" Gelukkig kan ze, waardoor ik in alle rust de dag met een uitvoerige 'brunch' kan beginnen.

De post is voor Nederlandse begrippen vroeg, want 'plof' klinkt het op de deurmat. Dat zal wel weer de zoveelste Ikea- of modecatalogus zijn, denk ik, en die zijn goed voor het oud papier. Maar eenmaal bij de voordeur aangekomen, glimt de monumentale nieuwe seizoensbrochure van de Philharmonie Zuidnederland mij tegemoet. Een onbegrijpelijk 'déjà vue' gevoel maakt zich van mij meester. Hoe dan ook, vol verwachting klopt ons hart. Wat zou het fonkelnieuwe fusieorkest in hun tweede seizoen allemaal voor moois voor ons in petto hebben? In het voorwoord van de nieuwe intendant, Stefan Rosu, lezen we onder meer dat "Artistiek adviseur Jan Zekveld nog een keer zijn creatieve stempel [heeft] gedrukt op de concertprogramma's" hieraan toevoegend dat dit "weer [heeft] geleid tot een intrigerende mix van favoriet en onbekend."

KEMA-keur
Alleen al het lezen of horen van de naam Jan Zekveld doet mij op het puntje van mijn stoel belanden. Zekveld is immers een soort KEMA-keur voor de allerhoogste kwaliteit op het gebied van de muziekprogrammering. Als artistiek leider van de voormalige Vara- en nu NTR zaterdagmatinee vervaardigde hij programma's waarvan alleen al het lezen je een sensatie bezorgde. Maar ook elders, zoals (helaas niet lang) als artistiek directeur van het Koninklijk Concertgebouworkest en dus tot voor kort -adviseur bij Het voormalige Brabants Orkest heeft hij zijn sporen op niet mis te verstane wijze getrokken, blijkens onder meer prachtige en spraakmakende projecten rond Otto Ketting en Klas Torstensson. Met deze wetenschap in het achterhoofd begon ik de seizoensbrochure door te bladeren en ik kon mijn ogen niet geloven.

Wat ik aan programma's zag voorbijkomen, stelt zelfs de meest provinciale en conservatieve voorbeelden uit de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw geducht in de schaduw. In de gangbare series (dus de overgrote meerderheid van de concerten) is de bekende en tot het uiterste en dodelijk beproefde huisje-boompje-beestje (soms een beestje meer) formule alom troef, met uiteraard vrijwel louter en alleen de welbekende war-horses. Naast Beethoven en Mozart (en een enkel uitstapje naar onder andere Szymanovski, Berlioz Saint-Saëns en Stravinsky, uiteraard de bekende Stravinsky), het nodige van Rimsky Korsakov, Dvorak, Tsjaikovski en natuurlijk, ja u raadt het al: Sjostakovitsj. En dan nog wel diens leeghoofdige en bombastische 'Leningrad symfonie'.

Overleven als doel op zich?
Natuurlijk is het verre van mij om een boycot op deze Tsjechische en Russische componisten te bepleiten. Maar, zo luidt de prangende vraag, wat is de artistieke legitimatie van zulk een programmering? Het antwoord zal zijn: overleven. Begrijpelijk, maar overleven waarom? Louter om te overleven? Overleven als doel op zich? Of om zichzelf artistiek te verdedigen en wel door zich echt als een hoeder van de traditie op te stellen, indachtig de wetenschap dat de echte, grote en enige traditie die er toe doet er per definitie een van constante vernieuwing is, een vernieuwing ver voorbij de waan van de dag. Zeker, op korte termijn zal men dankzij deze slaapverwekkende aanpak het zogenaamde 'grote publiek' de zaal in krijgen, hoewel menig concert van onverschillig welk orkest al ruimschoots heeft uitgewezen dat een 'veilige' (lees: fantasieloze en conservatieve) programmering allang niet meer soelaas biedend genoeg is voor succes, integendeel. En, laat staan, om nieuw publiek te genereren. Dit onloochenbare feit indachtig kan men zich dan ook de vraag stellen of het daarom niet hoog tijd wordt juist wel originaliteit te tonen, door met durf en smaak de bakens te verzetten.

Geen noot Nederlandse muziek
Zoals Sir Simon Rattle terecht ooit opmerkte: "Kwaliteit in de kunst, echte kwaliteit wel te verstaan, is nooit het resultaat van het compromis." De juistheid van die stelling heeft in ons land Jan Zekveld keer op keer bewezen. Daarom kan ik mij met de beste wil van de wereld niet voorstellen dat deze funeste en voor negentig procent dodelijke saaie concertseries door hem zijn samengesteld, of het moet zijn dat hij zoveel water bij de wijn heeft moeten doen (Waarom? Iemand van zijn postuur heeft toch niets te verliezen!) dat de smaak van de wijn als zodanig dermate homeopathisch is verdund dat deze volstrekt is verdwenen. En dan zwijg ik nog maar over de omstandigheid dat de Nederlandse muziek in geen van de courante concertseries is vertegenwoordigd. Niet alleen geen De Raaff, Van der Aa, Jeths of Wagemans, al evenmin klinkt er ook maar één noot van (Hendrik) Andriessen, Diepenbrock, (Ton) de Leeuw, Pijper, Badings of Vermeulen. Ook geen Brabantse of Limburgse componisten trouwens. Nou ja, vooruit, de Piet Hein Rapsodie!

Nachtmerrie
Het enige programma dat er een beetje uitspringt, is de combinatie van Debussy's 'Trois nocturnes' en de Eerste van Mahler onder Kees Bakels dat onder de noemer van 'De klank van de natuur' wordt gepresenteerd. En Mahler en Debussy op een en hetzelfde programma, dat kom je niet vaak tegen. Voor de volledigheid: onder de rubriek overige concerten is een productie - in het kader van het 'Musica Sacra'-festival te Maastricht - gedurende welke een delegatie uit de Philharmonie Zuidnederland onder Bas Wiegers 'Panic' van Birtwistle en 'Mystère de l'instant' van Dutilleux speelt. Maar dat zijn slechts gebeurtenissen in de marge, want uit niets, maar dan ook niets blijkt een eigen gezicht, iets dus waardoor de Philharmonie Zuidnederland zich zou kunnen onderscheiden van de andere orkesten in binnen- en buitenland. En zo slaat een droom pardoes om in een nachtmerrie. Een nachtmerrie waarin de ophanden zijnde en volledige teloorgang van de rijke symfonische cultuur binnen afzienbare termijn onafwendbaar lijkt en voor hen die in meer zijn geïnteresseerd dan de 'Ewige Wiederkehr des Gleichen' niets anders dan Youtube and Spotify rest om zich in de veelkleurige rijkdom van de symfonische traditie uit alle tijden en windstreken te kunnen verdiepen. Op naar de papierversnipperaar.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links