CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, mei 2017

 

Soler: Klaviersonates – Zes concerten voor twee orgels

Pieter-Jan Belder (klavecimbel, fortepiano); Mauricio Croci & Pieter van Dijk (orgel)

Brilliant Classics 95143 • 57' + 76' + 68' + 61' + 59' + 77' + 76' + 70' + 71' • 9 cd's •

Opname: febr. 2008, Oud Katholieke Kerk, Delft (pianoforte); jan/maart/mei 2009 en okt/nov 2010, Doopsgezinde Kerk, Deventer (klavecimbel); nov. 2007, San Giacomo del Carmine, Imola, Italië (orgel)

   

Niemand kent Antonio Soler, maar iedereen kent de Fandango. Daarmee is in luttele woorden de stand van zaken rond Antoni Soler i Ramos opgesomd. Soler i Ramos is zijn Catalaanse naam, in Madrid heet hij Antonio Francisco Javier José Soler Ramos en de muziekliefhebber die hem wel kent noemt hem Padre Antonio Soler. Antonio werd op zijn drieëntwintigste tot geestelijke gewijd. Zijn geboortedatum kennen we niet, maar hij werd gedoopt op 3 december 1729. Op zijn zesde ging hij naar het Klooster van Montserrat waar hij behalve de geestelijke opleiding onderwijs kreeg in orgel, klavecimbel en compositie. Het grootste deel van zijn zeer arbeidzame leven bracht hij door aan het Escorial, het hof van Carlos III. Hij was er onder meer verantwoordelijk voor de muzikale opvoeding van diens zoon, de Infante Don Gabriel. Waarschijnlijk zijn een groot deel van zijn klaviersonates geschreven voor Gabriel, en collega Aart van der Wal heeft in een eerdere bespreking van de concerten voor twee orgels uiteengezet dat ook die concerten waarschijnlijk voor de combinatie leraar/leerling geschreven zijn.

Toen Antonio ter wereld kwam was er aan het hof in Madrid een Italiaan werkzaam: Domenico Scarlatti, leraar van koningin Barbara,voor wie hij honderden klaviersonates schreef. Dat Antonio gestudeerd heeft bij Scarlatti lijkt waarschijnlijk maar is niet bewezen – te oordelen naar zijn muzikale woordenschat moet hij in ieder geval de muziek van Domenico hebben gekend en goed in zich hebben opgenomen. Zijn eendelige sonates kennen dezelfde binaire opbouw en maken gebruik van dezelfde karakteristieke bouwstof. Maar Soler is 45 jaar jonger dan Scarlatti, en dus zien we in zijn latere werken een voorzichtige aansluiting bij de ontwikkeling van de meerdelige sonate, analoog aan die van de drie jaar later geboren Joseph Haydn.

De muzikale nalatenschap van Soler is een rommeltje. Handschriften van zijn sonates zijn tot op heden niet gevonden en afschriften spreken elkaar tegen. De zeer lezenswaardige toelichting (alleen Engels) bestaat uit drie delen, een algemeen overzicht van Clemens Romijn, een casus van musicoloog Frederick Marvin en een begeleidende notitie van Pieter-Jan Belder. Vooral het relaas van Marvin is schokkend. De eerste redacteur van Soler was de Spaanse musicoloog Samuel Rubio (1912-1986), die er in het begin van de twintigste eeuw voor zorgde dat de werken gecatalogiseerd werden. Zoals Mozart zijn KV heeft, heeft Soler zijn R nummering. Toen Marvin voor zijn studie de hulp van Rubio nodig had werd die botweg geweigerd. Op deze verzameling vinden we naast de gangbare R nummering op de vierde cd zeven sonates met een M nummer.

Pieter-Jan Belder heeft voor het label Brilliant een complete registratie verzorgd van de sonates van Domenico Scarlatti. Hij heeft dus de beste papieren om zo'n reuzenklus te herhalen. Maar in dit geval zag hij er vanaf. Uit de honderdvijftig sonates die we nu kennen heeft hij een representatieve selectie gemaakt, verdeeld over twee instrumenten. Op de eerste zes cd's horen we drie verschillende klavecimbels, op de laatste twee een fortepiano van Kobald (Apeldoorn, 2001). Er zijn veel ideeën over de manier waarop de eendelige sonates van Scarlatti en Soler gerangschikt kunnen worden. Groepjes van twee (in dezelfde toonsoort), groepjes van drie of vier (in contrasterende maar gerelateerde toonsoorten). Belder heeft daarover nagedacht en komt met intelligente oplossingen. Uit de grabbelton van Soler heeft hij een al puzzelend een samenhangend geheel gesmeed, dat acht cd's lang blijft boeien.

Zijn spel kenmerkt zich door een benadering zonder fratsen. In het televisieprogramma Podium Witteman maakte pianist Jan Wijn een opmerking over het overdreven rubato dat tegenwoordig hand over hand toeneemt bij vooral jonge pianisten en noemde dat in toneeltermen ‘schmieren'. Ook in de barokmuziek zijn er momenteel veel toetsenisten actief die het met het verloop van een regelmatige puls niet zo nauw nemen. Niemand zit te wachten op de dagen van weleer waarin barokmuziek als een naaimachientje verliep, maar een natuurlijke cadans lijkt toch een mooi uitgangspunt. Dat is precies wat Belder ons geeft, met heel veel logische extra's, zoals smaakvolle versieringen op de momenten dat de muziek erom vraagt. Heerlijk om naar te luisteren.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links