CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, juli 2012

 

 

Halvorsen: orkestwerken (deel 4)

Rhapsodie norvégienne nr. 1 & 2 – Norwegian Bridal Procession – Passacaglia, op. 20 nr. 2 – Dance scene uit ‘Queen Tamara’ – Intermezzo uit ‘The King’ – Norwegian Festival Overture, op. 16 – Norwegian Fairy Tale Pictures, op. 37

Melina Mandozzi (viool), Ilze Klava (altviool), Bergen Philharmonic Orchestra o.l.v. Neeme Järvi

Chandos CHAN 10710 • 73' •

Opname: september 2010 (Queen Tamara) en augustus 2011, Grieghallen, Bergen (N)


Neeme Järvi en het Philharmonisch Orkest van Bergen besluiten met deze cd de complete registratie van de orkestwerken van Halvorsen voor het label Chandos. Op elk van de drie eerste delen stond een van de drie symfonieën centraal, aangevuld met losse orkestwerken. Deel 1 van de serie is hier uitgebreid besproken (klik hier). Op deel 4 vinden we de overgebleven partituren, aangevuld met een orkestratie van de Norwegian Bridal Procession van Grieg en een bewerking voor viool en altviool van Handels Chaconne uit Suite nr. 7 voor klavecimbel, HWV 432.

Johan Halvorsen (1864-1935) mag dan een leeftijdgenoot zijn geweest van Claude Debussy (1862-1918) en Frederick Delius (1862-1934), aan zijn muziek is dat niet te horen. Wat hij met deze twee vakgenoten deelt is bewondering voor de werken van Grieg, zijn grote Noorse voorganger, en uit zijn klinkende noten blijkt dat zonneklaar. Halvorsen was in de eerste plaats dirigent en violist (hij begon zijn carrière als concertmeester van het Gewandhausorchester), en componeerde in zijn vrije uurtjes en op bestelling. De drie symfonieën uit zijn laatste levensjaren waren hem dierbaar, maar ze zijn niet de stukken geworden waarmee hij muziekgeschiedenis heeft geschreven. Zijn reputatie berust in de eerste plaats op de twee bovengenoemde bewerkingen, en in de tweede plaats op de kleurrijke toneelmuzieken die hij op bestelling leverde als dirigent van het Theater van Kristiania (het vroegere Oslo). Dertig jaar lang was hij daar actief, vanaf 1899, en hij dirigeerde er zes avonden per week. Hij had met een bezetting van 43 man het grootste orkest van Noorwegen tot zijn beschikking – those were the days.

Voor eigen gebruik maakte Halvorsen in de periode dat hij in Bergen werkzaam was voor zichzelf en zijn concertmeester (die de altviool bespeelde in het duo) een bewerking van Handels bovengenoemde Chaconne. Ze begint als een notengetrouwe transcriptie, maar loopt halverwege volkomen uit de hand, om te eindigen als een Paganiniaanse affaire. Jascha Heifetz was er dol op, en heeft samen met Leopold Auer voor de eeuwige roem van dit duet gezorgd; hun voorbeeld vond massale navolging. Iets soortgelijks gebeurde met de Bruiloftsmars van Edvard Grieg, afkomstig uit de driedelige pianocyclus Folkelivsbilleder (Beelden uit het landleven) op. 19. In 1902 vond Griegs uitgever dat het tijd was voor een orkestversie, en Grieg gaf de opdracht door aan Halvorsen. Het feit dat Halvorsen het werkje in de jaren daarna meer dan 140 keer heeft gedirigeerd zegt genoeg.

Uit zijn toneelmuzieken stelde Halvorsen verschillende suites samen, en daarmee raken we aan de kern van zijn talent. Hij was bijzonder begaafd in het creëren van stemmingsbeelden; gecombineerd met zijn eminente ervaring als orkestrator leverde dat een aantal kleurrijke partituren op, die de nucleus vormen van zijn belang als componist. Dat ze op deze vier cd’s eindelijk tot klinken zijn gekomen is het mooiste compliment dat Halvorsen zich had kunnen wensen. De uitvoeringen door ‘zijn oude orkest’ en oude rot Neeme Järvi zijn exemplarisch.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links