CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, juni 2017

 

Dvorák: Symfonie nr. 9 in e, op.95 (Uit de Nieuwe Wereld) - A Hero's Song op. 111

NDR Elbphilharmonie Orchester o.l.v. Krzysztof Urbanski

Alpha Classics 269 • 62' •

Opname: december 2015 (A Hero's Song) & juni 2016 (Symfonie), Laeiszhalle, Hamburg

   

Een nieuwe concertzaal, een nieuwe naam, een nieuwe dirigent, kortom een Nieuwe Wereld. Beter kun je het niet verzinnen. Ondanks alle publiciteit rond de astronomische kostenoverschrijding bij de bouw van de Elbphilharmonie (Elfie voor de Hamburgers) is de grote winnaar in dit verhaal het orkest van de NDR - de Norddeutsche Rundfunk. Het heeft dan ook direct zijn naam aangepast: waar ik een week geleden nog een bespreking wijdde aan het NDR Symphony Orchester onder dezelfde dirigent (in Lutoslawski) is nu sprake van het NDR Elbphilharmonie Orchester. Maar laat u niet foppen, de opname werd gemaakt in de oude vertrouwde Laeiszhalle. Desalniettemin, de concerten in Elfie zijn voor de komende jaren uitverkocht. Een droom voor iedere orkestdirecteur.

Een nieuwe wereld, een nieuw geluid, dat moet Antonin Dvorák hebben gedacht toen hij aan zijn negende symfonie begon in New York. Hij was er terechtgekomen dankzij de overredingskracht van een doortastende dame en een vorstelijk salaris. De steenrijke Jeanette Thurber wist dat hij de man was die zij nodig had voor haar conservatorium, en verwachtte niet alleen een docent maar ook een componist die impulsen zou kunnen geven aan het muziekleven in de Nieuwe Wereld. Dvorák had zijn laatste twee symfonieën geschreven als een eerbetoon aan zijn weldoener Johannes Brahms, maar als beginnend componist was hij totaal bezeten van Wagner. In Amerika, ver weg van Wenen, wist hij die twee invloeden samen te smeden tot een nieuwe symbiose. Een symfonie die de taal van Brahms verenigde met een nieuw idee dat Liszt in zijn pianosonate opperde: het cyclische thema als motto.

Het toeval wil dat ik binnen een paar maanden drie nieuwe opnamen van Dvoráks meesterwerk heb mogen bespreken. Een ongehoorde luxe die aantoont dat er iets fundamenteel mis is met de 'muziekindustrie'. Twee van deze nieuwkomers horen thuis in de categorie 'meer van hetzelfde'. Ik heb het dan over Robin Ticciati met de Bamberger Symphoniker op Tudor en het Houston Symphony Orchester onder Rafael Orozco Estrada op Pentatone. Uitstekend gespeeld en prachtig opgenomen in super-audio. Beide maestri beijveren zich om het laatste grammetje emotie uit deze partituren te wringen. Aan elk van de drie thema's uit het eerste deel wordt een eigen tempo toegekent, waarbij Orozco Esttrada het wel erg bont maakt door in het derde thema in de fluit bijna tot stilstand te komen.

Krzysztof Urbanski oogt een beetje als een 'jonge hond' en bevestigt dat in zijn commentaar in de begeleidende tekst. Zijn observaties over de tempi die Dvorák kiest raken de kern. Bij het adagio van de openingsmaten zien we in het manuscript 128 voor de achtste bijgekrabbeld in potlood. Dat is even schrikken voor luisteraars die de helft van dat tempo nog veel te snel vinden. Zodra de expositie van start gaat is er echt alleen maar sprake van één tempo-aanduiding: Allegro molto. Niemand houdt zich daaraan, Urbanski durft het en bewijst dat het kan. Daarmee zet hij de toon voor een interpretatie die alle sentimentaliteit overboord gooit en direct tot het kloppende hart van deze muziek doordringt. In het Scherzo heeft Urbanski in het manuscript ontdekt dat de vier eerste maten in de herhaling weggelaten moeten worden. Nu staat er na die vier maten wel een dubbele streep, maar de herhalingspuntjes ontbreken, dus daarover valt te discussiëren. Toch is het goed om het zo eens te laten horen. Ook in de finale laat Urbanski zich niet verleiden om de weg van de minste weerstand te kiezen en in de slotmaten een opwindend accelerando toe te voegen, succes verzekerd. Nee, hij houdt zich aan de voorschriften van de componist en bewijst dat een strak volgehouden tempo dezelfde adrenaline kan opwekken, juist omdat dan alle aandacht uitgaat naar de geniale stapeling van alle voorgaande thema's in combinatie met het motto.

Als extra nu eens niet een paar Slavische dansen, maar het laatste orkestwerk uit Dvoráks portefeuille: Heldenlied (eigenlijk had Dvorák voor dit werk de titel Heldenleben in gedachte). Dvorák bezondigde zich niet alleen aan het cyclische principe van Liszt, hij nam ook diens idee van het symfonische gedicht over. Eerst durfde hij ze in het licht van de controverse Brahms-Liszt uit respect voor Brahms zo niet te noemen, en publiceerde hij zijn opusnummers 91-92-93 als concertouvertures. Net als in de Negende Symfonie sloeg hij in deze werken een nieuwe weg in die meesterlijke resultaten opleverde die helaas in de concertzaal nauwelijks te horen zijn. Welke dirigent durft de drie ouvertures In de natuur, Carnival en Othello als één geheel te programmeren? Toch zijn deze werken - net als Ma Vlast van Smetana - verbonden door (alweer) een cyclisch motto.

Krzysztof Urbanski verdient een groot compliment voor zijn nieuwsgierige aanpak, zijn gedurfde programmering, zijn eminente vakmanschap en zijn goudeerlijke kijk op de partituur. Een dirigent om in de gaten te houden.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links