CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, maart 2022

Miroir de Peine

(H.) Andriessen: Maria, schoone vrouwe – Miroir de Peine – Sonata da chiesa – Magna res est amor – La Sainte Face

Badings: Toccata – Preludium en Fuga 2 & 4 – Drie Geestelijke Liederen

Van Lier: Vrijheid

Wertheim: Hymne

Klaartje van Veldhoven (sopraan), Matthias Havinga (orgel)
Brilliant Classics 96304 • 79' •
Opname: nov. 2020, Sint Josephkerk, Haarlem

   

De tekst bij deze cd (Engels en Nederlands) opent met een ‘Toelichting bij het programma' die zonder meer de moeite waard is om hier in zijn geheel geciteerd te worden.

‘Deze CD bestaat uit muziek van vier Nederlandse componisten, geschreven tussen 1919 en 1955. Het programma kwam tot stand toen Klaartje van Veldhoven en Matthias Havinga op zoek gingen naar werken uit dezelfde periode als het bekendste stuk voor zangstem en orgel van Hendrik Andriessen, ‘Miroir de Peine'. In deze zoektocht kwamen zij verschillende onbekende werken tegen die nu voor het eerst op CD zijn opgenomen. Dit is onder meer mogelijk gemaakt door het werk van Lourens Stuifbergen, die zorg droeg voor uitgave van Hendrik Andriessens ‘Maria, schoone vrouwe' en ‘La Sainte Face'. Daarnaast is dit de CD-première voor de ‘Drie Geestelijke Liederen' van Henk Badings, ‘Vrijheid' van Bertus van Lier en ‘Hymne' van Rosy Wertheim. Behalve onbekend werk voor orgel en sopraan, zijn er ook drie prachtige orgelstukken van Henk Badings die evenmin eerder zijn opgenomen. Uit zijn werk selecteerde Matthias Havinga twee Preludium en Fuga's, geschreven in dezelfde periode als de ‘Drie Geestelijke Liederen', en de Toccata uit 1929.'

Een toelichting die voor zichzelf spreekt. Wie toch wat te zeuren wil hebben zou kunnen opmerken dat ‘Miroir de Peine' niet echt het ‘bekendste stuk voor zangstem en orgel' van Hendrik Andriessen is. Die eer valt te beurt aan het wonderschone ‘Magna res est amor'. Dat werd in de orkestversie tussen 1933 en 1967 twaalf maal uitgevoerd door het Concertgebouworkest door niemand minder dan Jo Vincent en Elly Ameling. Maar ook sindsdien is het in de belangstelling gebleven, en enige malen met orgelbegeleiding op cd gezet; op YouTube is het in de versie voor zang en orgel veelvuldig te bekijken/beluisteren. De toelichting bij ‘Magna res est amor' wordt gecombineerd met de Hymne uit 1929 van Rosy Wertheim, die dezelfde tekst gebruikte. In het werkenoverzicht dat Lourens Stuifbergen verzorgde voor de andriessendeklerkstichting (online te raadplegen) valt te lezen dat ‘Magna res est amor' (De meeste van deze is de liefde) is geschreven op een tekst van Thomas a Kempis, is opgedragen aan Mia Peltenburg en door haar op 10 september 1919 voor het eerst werd uitgevoerd, begeleid door de componist in de Grote Kerk te Haarlem. De originele bezetting van de versie van Rosy Wertheim, voor zang, viool en orgel, werd door Matthias Havinga aangepast voor zang en orgel. ‘Miroir de Peine' (Spiegel van pijn) is een vijfdelige cyclus op een tekst van Henri Ghéon, die reflecteert op vijf stadia uit de lijdensweg van Christus, gezien vanuit het perspectief van zijn moeder Maria. Andriessen componeerde het werk in 1923, en maakte tien jaar later een versie voor sopraan en strijkorkest.

Voor de ode aan de vrijheid die Bertus van Lier in 1945 componeerde op een tekst van Jan Engelsman zette Matthias Havinga de oorspronkelijke pianopartij om naar het orgel. Van Lier (hij was van joodse afkomst) nam in de Tweede Wereldoorlog nadrukkelijk stelling tegen de bezetter en was na de oorlog uitgesproken in zijn mening over collega's als Henk Badings, die tijdens de bezetting opdrachten aannamen. Met zijn grote koorwerk ‘Het Hooglied' trok hij in de jaren vijftig en zestig de aandacht, maar na zijn overlijden in 1972 is hij in het boek van vergeten toondichters bijgezet.

Het wekt misschien enige verbazing dat Albert de Klerk niet als goede tweede op deze uitgave fungeert. Hij was toch degene die Hendrik Andriessen in 1934 als zestienjarige opvolgde als organist van de Josephkerk in Haarlem, en in die functie tot aan zijn overlijden in 1998 werkzaam bleef. Hij liet een vracht aan orgelwerken na, met of zonder vocale partij. In plaats daarvan werd gekozen voor Henk Badings, en daardoor maken we kennis met de grote verrassing van deze uitgave, de cyclus ‘Drie Geestelijke Liederen' op een tekst van de zeventiende eeuwse mysticus Jan Luyken. Badings werd geboren in 1907 en was al in de jaren dertig opgeklommen tot Nederlands belangrijkste componist. In 1942 schreef hij in opdracht van de Wiener Philharmoniker voor het honderdjarig bestaan van het orkest een Symfonische Proloog.

Van de solistische orgelwerken zijn vooral het Preludium en Fuga uit 1952 en 1955 een welkome aanwinst, maar de grote verrassing schuilt in het werk waarmee deze cd wordt besloten. De ‘Drie Geestelijke Liederen' zijn met een lengte van twintig minuten een substantiële bijdrage aan het concertrepertoire van sopraan en organist. Niet alleen door de lengte en de kwaliteit van de muziek, maar vooral door de opbouw, waarin ruimte is gelaten voor virtuoze tussenspelen, en de sopraan over een uitzonderlijk kompas moet beschikken (de sonore laagte aan het begin van het derde lied).

Het spreekt vanzelf dat voor deze opname maar één locatie in aanmerking kwam, de Josephkerk te Haarlem, waar Hendrik Andriessen van 1913 tot 1934 organist was. Het orgel van de Joseph werd in 1906 gebouwd door de Amsterdamse orgelmaker van Friese afkomst Petrus (‘Piet') Adema en heeft zonder veel wijzigingen de tijd doorstaan. Het spreekt ook vanzelf dat Klaartje van Veldhoven en Matthias Havinga, die met deze cd een waar labour of love afleveren, de hoogste lof verdienen voor hun inzet, muzikaliteit en enthousiasme voor dit vergeten maar o zo belangrijke repertoire. Dat de cd zich als een schitterend recital laat beluisteren spreekt welhaast vanzelf.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links