CD-recensie

Op reis in het land van de Ring

Deel 1: Haitink versus Levine

 

© Paul Korenhof, september 2008


 
  EMI Classics 5 19479 2 7 (14 cd's)
 
  DG 471 6782 (14 cd's)

Het Duitse maandblad FonoForum, naast het Spaanse Scherzo wellicht het degelijkste en meest 'onafhankelijke' tijdschrift voor klassieke muziek en cd's dat we in Europa nog hebben, ging onlangs bij uitzondering een keer in de fout. Gepoogd werd op een totaal van nog geen drie pagina's een inventarisatie en waardering te geven van de complete opnamen die op dit moment verkrijgbaar zijn van Wagners Der Ring des Nibelungen. Ondanks het feit dat live-opnamen uit het 'grijze' circuit en dvd-uitgaven buiten beschouwing bleven, was het resultaat bij voorbaat te oppervlakkig om tot meer dan een globale conclusie te komen.

Toen ik het verzoek kreeg om naar aanleiding van een recente heruitgave aandacht te besteden aan de Ring die Bernard Haitink in de jaren 1988-1991 voor EMI in München opnam, was voor mij meteen duidelijk dat dit alleen maar zin had als ik die bespreking in een breder kader plaatste. Voorop stond daarbij een vergelijking met de DG-opname onder James Levine, niet alleen omdat die in exact dezelfde jaren ontstond (1988-1991), maar ook omdat beide opnamen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Niet alleen delen beide één centrale rol (James Morris als Wotan) en twee belangrijke zangers in verschillende rollen (Reiner Goldberg als Siegmund en Siegfried; Siegfried Jerusalem als Loge en Siegfried), maar beide leden ook onder het feit dat de producers druk bezig waren elkaar zangerskluiven af te snoepen. (Zo kreeg Hildegard Behrens, die al in een vroeg stadium door DG gecontracteerd was voor Brünnhilde, geen toestemming om onder Haitink Sieglinde te zingen.)

Die Walküre

Beide dirigenten begonnen hun cd-cyclus met Die Walküre, het populairste deel van de tetralogie en commercieel nuttig om de markt mee af te tasten. Daarna volgde Das Rheingold waarna Haitink de cyclus in volgorde voltooide, terwijl Levine om praktische redenen eerst Götterdämmerung opnam en eindigde met Siegfried. Bij dat begin met Die Walküre waren de totale verhoudingen van meet af aan duidelijk. Zo hoorde ik bij Levine al meteen een flirt met trage tempi zonder dat een duidelijke dramatische visie. Van een Siegmund die buiten adem door storm en noodweer rent, is in de openingsscène geen sprake. Ook Haitink is niet snel, maar voor de hele opera heeft hij een kwartier minder nodig dan Levine en zijn opening is dermate enerverend, dat het volkomen logisch wordt dat Siegmund buiten adem raakt. Terwijl Levine zich lijkt te wentelen in een voluptueuze klankenweelde waarbij hij detail na detail over het bolletje aait (en er zijn nogal wat details in deze partituur) bouwt Haitink hartstochten op met een orkest dat de sterren van de hemel zingt.

Die verschillen zetten zich voort in de tweede akte, waar de monoloog van Wotan en de 'Todeserkündigung' zich bij Haitink tot twee minidrama's ontwikkelen, terwijl ik bij Levine soms het gevoel heb dat het drama tot een zeer welluidende stilstand komt. Vreemd genoeg zijn de rollen in het laatset bedrijf ietwat anders. Levine's klankuitbarstingen zorgen daar voor een opzwepende Walkürenritt met een stemmenensemble dat juichend over de orkestrale golven rijdt, terwijl dat overrompelende effect in Haitinks Ritt een beetje afwezig is. De minder directe opname en de ruimteregie werken hier ten nadele van de stemmen en ook zijn er bij hem momenten, vooral in 'Wotans Abschied', die iets te veel uiteengerekt worden en daardoor hun spanning verliezen.

Als we naar de solisten gaan, blijkt de keuze voor Siegmund niet moeilijk. Goldberg heeft een prachtige stem en ontplooit onder Haitink een inlevingsvermogen zoals ik dat nooit eerder van hem hoorde, maar 'Wälseruf' en 'Nothung!' brengen hem aan de grens van zijn mogelijkheden, zodat het geen verbazing meer wekt als de beruchte A op 'Wälsungenblut' niet meer is dat een snel afgebroken gooi in de goede richting. Daarnaast is Gary Lakes superieur, al is hij nog geen opvolger van King, maar zijn frasering van bijvoorbeeld 'Einen Unseligen labtest du' is memorabel.

Bij de Sieglindes ging menigeen door de knieën voor Jessye Norman, maar voor mij vormde haar bijdrage ook toen al een grote teleurstelling. Zij was een begenadigd in Richard Strauss, maar hier lijkt zij een Ariadne die in de verkeerde opera verdwaald is. Een voordracht met een superieure tekstbehandeling, zoals die Schwarzkopf menigmaal de beschuldiging van maniërisme opleverde, wordt door Norman ten onrechte overgebracht op Sieglinde. Bij Wagner moeten de grote lijnen constant doorgetrokken worden. In haar opname onder Janowski (BMG) deed zij dat nog wel, maar gesteund door het detailwerk van Levine wordt de rol een lang snoer van subtiliteiten die meer op hun plaats zijn in de Kleine Zaal dan in het operatheater. Het is allemaal schitterend, maar toch is de misschien minder doorleefde Sieglinde van Cheryl Studer mij liever.  Haar stem straalt, laat zich in brede bogen door het orkest dragen, en zij doet ook mooie dingen met de tekst. Soms klinkt zij iets te passief ('Du bist der Lenz'), maar zij blijft muzikaal altijd het Wagner-idioom volgen.

Bij de keuze tussen de beide Brünnhildes prefereer ik hier nog Eva Marton, die haar partij vocaal iets beter aankan, en die ook meer kleuren in haar stem weet te leggen. Behrens heeft in het theater meer persoonlijkheid, maar wel is hoorbaar dat haar vertolking ten dele tot stand kwam bij de gratie van de microfoon. James Morris heeft wel de stem voor Wotan, maar had die rol eerst tien jaar in het theater moeten zingen. Onder Haitink bouwt hij wel een fraaie en dramatisch overtuigende tweede akte op, maar zijn vertolking op DG krijgt minder kleur en in de laatste akte deden beide registraties mij terugverlangen naar George London en Hans Hotter.

Geen gebrek aan persoonlijkheid horen we bij de beide Fricka's. Waltraud Meier (EMI) is feller, een indruk die versterkt wordt door een timbre met veel boventonen, maar ook heeft zij momenten met een sterk naar een tremolo neigend vibrato (zo jong al!). Wie de Fricka van Christa Ludwig (DG) legt naast haar vertolking uit '65 onder Solti, hoort natuurlijk verschil, maar zij brengt wel het sterkste karakter mee en daarom is het jammer dat zij hier geen Wotan

van hetzelfde formaat tegenover zich heeft. Op DG is Moll een mooi sonore Hunding, maar de dreigende, zwarte kern van Salminen (EMI) geeft deze kleine rol meer reliëf.

Das Rheingold

Haitinks opname van Das Rheingold ontstond in aansluiting op een serie opvoeringen in Covent Garden en het resultaat is zo mogelijk nog overtuigender. Enerzijds zal dat te maken hebben met de ervaring van een serie voorstellingen, maar anderzijds zal de gesloten opbouw van het werk eveneens een rol spelen. Die homogeniteit is vanaf de eerste, zinderende maten het belangrijkste kenmerk van deze opname, onmiddellijk gevolgd door een nimmer aflatend gevoel voor lyriek. Met een (net niet te) breed gebaar (de opname duurt op één minuut na twee en een half uur) wordt een doorlopende golfbeweging gecreëerd, waarin ook dramatisch tegendraadse elementen als Alberichs openingsscène volledig zijn opgenomen. Het opkomen van het Walhall-motief uit voorgaande is typisch Haitink: nooit een plotselinge verrassing, maar een evenwichtig klankenspel, waarin iedere maat organisch uit de vorige lijkt voort te komen.

De constante lyriek komt onder meer tot uiting in het legato van James Morris, die hier uitstijgt boven zijn beide Walküre-opnamen, wellicht onder invloed van zijn Londense samenwerking met Haitink. Van zijn belangrijkste tegenspelers haalt alleen Heinz Zednik hetzelfde niveau met een Loge die minder in de belcantotraditie gebed lijkt dan onder Boulez, maar die nog steeds een van de grote creaties van dit moment genoemd moet worden. De Alberich van Theo Adam - ooit een grote Wotan - valt tegen. Legitiem is dat hij de Nibelung meer neerzet als een aan lager wal geraakte edelman dan als een operaschurk, maar ondanks zijn stemcultuur miste hij in de slotfase van zijn carrière de kracht om zijn rol uit te bouwen tot een gelijkwaardige tegenspeler van Morris' Wotan, en zeker in zijn vloek, met een weinig overtuigende fis bekroond, blijft hij te braaf. Heerlijk door de wol geverfd is de Mime van Peter Haage, Andreas Schmidt en Peter Seiffert zijn ronduit ideaal als Donner en Froh, en met Hans Tschammer en Kurt Rydl heeft EMI twee overtuigende reuzen in huis gehaald. Erg mooi zijn ook de dames met een autoritaire Fricka van Marjana Lipovsek en een stralend jeugdige Freia van Eva Johansson, ondanks een on-Duitse 's' en momenten waarin zij sleept in haar voordracht. Het ensemble wordt gecompleteerd door een fraai gezongen, maar in een galmkelder geplaatste Erda van Jadwiga Rappé en een mooi trio Rheintöchter.

Wat ontbreekt bij Haitink, een sterke interactie Wotan-Alberich, is een van de sterke punten in de opname onder Levine, waar Morris wederom een overtuigende jonge oppergod neerzet tegenover een Alberich van Ekkehard Wlaschiha die echt huizenhoog uitsteekt boven het maniërisme van Adam. Een ander pluspunt is de Zednik. Onder Haitink herhaalde hij zijn fenomenale vertolking uit de Chéreau-Ring, maar hier zingt hij weer eens Mime en verwijst al zijn concurrenten naar het tweede plan. Aan de andere kant blijkt Siegfried Jerusalem hier bij lange na geen ideale Loge, eerder een in de verkeerde rol verdwaalde Froh met weinig gevoel voor ironie en dubbele bodems. Froh zelf en Donner zijn met Mark Baker en Siegfried Lorenz (niet opvallend) goed bezet, terwijl ik van Kurt Moll (Fasolt) en Jan-Hendrik Rootering (Fafner) het gevoel heb dat zij beter van rol hadden kunnen wisselen, omdat het timbre van Moll toch 'zwarter' klinkt dan dat van zijn collega. Christa Ludwig is natuurlijk een koninklijke Fricka, maar Lipovsek suggereerde meer passie en Haitink wint ook met zijn Rheintöchter. Gelijkwaardig zijn daarentegen de vertolksters van Freia en Erda (onder Levina respectievelijk Mari-Anne Häggander en Birgitta Svenden).

Als het gaat om de beide dirigenten, prefereer ik Haitink met een straatlengte. Levine dirigeert niet alleen een van de traagste uitvoeringen van de 'Vorabend' die ik ooit gehoord heb, maar haalt ook de dramatiek uit het werk, dat soms gewoon maar lijkt voort te kabbelen. Het uiterst verzorgde orkestspel krijgt van hem alle aandacht, maar binnen die fraai verzorgde en melodische stroom is er weinig aandacht voor dramatiek, muzikale accenten of zelfs maar voor leidmotieven. De opname doet er onbedoeld alles aan dat effect te versterken door het creëren van een 'clean' geluidsbeeld met onder meer doodstille 'digitale pauzes', waarin ook het akoestische decor totaal is weggevallen. Ook een stilte moet je kunnen horen!

Siegfried

Het grote probleem van deze beide opnamen van de Ring vormde de Siegfried en de lijdensweg die de Met op dit punt met diverse tenoren heeft meegemaakt, leidde er ook toe dat in de DG-cyclus eerst Götterdämmerung werd uitgebracht. EMI kon zich echter tijdig verzekeren van de medewerking van Siegfried Jerusalem, op dat moment zo ongeveer de enige acceptabele vertolker van die rol. Natuurlijk, hij was lang geen Jung-Siegfried in de traditie van Urlus, Mel­chior of zelfs Hans Hopf, die zich zelfs in zijn element leek te voelen, zodra hij die eindeloze reeks A's in de smeedliederen zag aankomen. Ook in Windgassen, in feite eveneens een opgeschroefde lyrische tenor, blijft Jerusalem in de schaduw staan, maar hij kan de partij aan en is bovendien een gewetensvol musicus. Ieder woord, iedere noot en vrijwel alle aanwijzingen betreffende noten­waarde en dynamiek krijgen de aandacht en mede dankzij het voordeel van een studio-opna­me zorgt hij voor een aangename, waar nodig uitbun­dige, maar nooit 'uitsloverige' Siegfried die soms doet denken aan de jongensachtige, intelligente en op de regie van Chéreau gebaseerde vertolking van René Kollo.

Morris' Wanderer, groots en waardig, sluit aan bij zijn beide Wotans, Kiri Te Ka­nawa is een fraaie (verstaanbare) Waldvogel, Peter Haage een verrukkelijke, niet te gechargeerde Mime, en Theo Adam zet na een teleurstellende Rheingold zijn rol hier neer met een helderheid en een élégance, die hem de ware tegenspeler van 'Licht-Alberich' Wotan maken. De directie van Haitink sluit aan op bij de beide vorige delen en op wat ik hem regelmatig in Covent Garden hoorde doen: prachtig verzorgd (jammer dat het orkest niet een fractie prominenter werd opgenomen) en met een aandacht voor lijnen en contrasten die aan Kempe doet denken in de lichte toets van I, in de grote golfbeweging van III, maar vooral in de natuurschilderingen van II. Dat de derde akte mij minder heeft meegesleept dan indertijd in Londen, komt deels door Rappé die ken­nelijk haar dag niet had en Erda neerzet met een tremolerend, onevenwichtig timbre. Bovendien kreeg zij een weer een lichte galm mee, waardoor bovendien het directe in haar confrontatie met Wotan doorbroken wordt. Onjuist vind ik ook het overdreven lawaai als Wotans speer in stukken breekt - alsof het Walhalla dan al instort.

Een klein probleem vormt ook de inzet van de slotscène. Marton is geen 'mooie' maar wel een imponerende Brünnhilde, ontegenzeglijk een zangeres met karakter en met een dijk van een stem, maar haar eerste inzetten ('Heil dir, Sonne!') klinken teveel als krachtsexplosies (met sterk geaspi­reerde h's) en sluiten te weinig aan bij de sug­gestie van het opbloeien in stralend zonlicht, wat wel sterk in het orkestspel aanwezig is. Dat duurt echter maar even en het duet wordt daarna de tour-de-force die het behoort te zijn, maar ook daar weer: prachtig van opbouw en climaxwer­king

Tegenover de typisch 'Midden-Europese' spanningsbogen en de ietwat mysterieuze klank zoals die ook uit de Bayreuther orkestbak komt, stelt Levine in zijn opname  weer golven van orkestrale bril­le, fraai en doorzichtig van klank, en vol diepte en scher­pe profilering. Daarvoor moet natuurlijk ook de instrumentale kwaliteit aanwezig zijn en daar­aan ontbreekt het hier geenszins. Wat ik op DG soms mis aan emotionele lading (de beide Wanderer-scènes in de derde akte bereiken bij Haitink hoogten waar Levine ver bij in de schaduw blijft), wordt dubbel en dwars vergoed aan stralende orkestklanken, en dat is ook nooit weg.

Verder vinden we in de Siegfried op DG weer de nog steeds onovertroffen Mime van Zednik en de superi­eure Wanderer van Morris, maar ligt het aan mij dat ik Zednik's Mime in de Boulez-opname nog scherper gekarakteriseerd vind, en dat ik het gevoel heb dat Morris onder Haitink nog net iets meer betrokkenheid ten toon spreidt? Wlaschiha's Alberich heeft zijn ups en downs, maar hier is hij duidelijk 'up': helder en kernachtig van timbre, trefze­ker en haarscherp van karakter. Svenden was altijd een imponerende Erda in het theater, maar hier begint haar naar een tremolo nei­gende vibrato soms te irrite­ren en ook de Waldvogel van Kathleen Battle valt een beetje tegen. Haar Duits is verstaanbaar en haar stem hel­der, maar zij klinkt iets te zwaar en juist omdat zij kennelijk niet al te spichtig of mechanisch wil lijken, ontwikkelt zij een neiging haar noten op te trekken.

Daar­entegen niets dan lof voor Hildegard Beh­rens, die zich in het jeugdige en geëxalteerde van het liefdesduet kennelijk meer op haar plaats voelt dan in de dramatiek van Die Walküre. Zij veegt Eva Marton hier finaal van de kaart en juist daar­om is het zo jammer dat haar tegenspeler Reiner Gold­berg de zwakke plek in deze opname is. Hij heeft een pracht van een stem, maar weet onvoldoende hoe hij deze rol moet doseren. Bij een studio-opname treedt dat minder sterk op de voorgrond dan in theater of concertzaal, maar het blijft duidelijk dat hij niet in de huid van een personage weet te kruipen en daardoor overtuigt hij zelden - nog afgezien van het feit dat bepaalde momenten ook echt niet fraai gezongen zijn.

Götterdämmerung

Ook bij de opnamen van Götterdämmerung wreekt zich dat er gelijktijdig twee complete Ringen gesmeed werden in een tijd toen één Ring al nauwelijks goed te bezetten was. Bij al mijn waardering voor de Waltraute van Marjana Lipovsek blijf ik bijvoorbeeld terugdenken aan de onvergetelijke samenwerking van Haitink en Hanna Schwarz in Covent Garden, maar hier zingt Schwarz bij Levine, groots, maar zonder precies die vonk die in Londen wel oversloeg. Marton is wederom een markante Brünnhilde voor wie van haar stem houdt en als Siegfried overtuigt Jerusalem mij meer dan in Siegfried, maar ook bij deze twee ontbreekt precies datgene wat een vertolking boven zichzelf uit kan tillen, en dat is toch wel waarom een goede Götterdämmerung vraagt.

Hoe het ook kan, bewijzen de ietwat schuchtere, zich gemanipuleerd wetende Gunther van Thomas Hampson, de meest verrassende vertolking van die rol sinds Dietrich Fischer-Dieskau in de legendarische Solti-opname, en de absoluut superieure Hagen van John Tomlinson, nota bene opgenomen in een tijd toen hij de leidende Bayreuther Wotan was. Daarnaast is Eva-Maria Bundschuh een mooi timide Gutrune en Theo Adam blijft als Alberich op het niveau dat hij in Siegfried bereikte. De trio's Nornen en Rheintöchter zijn individueel en als ensemble krachtig bezet, maar de grote kracht van deze uitvoering is toch de dirigent.

Met het orkest van de Bayerische Rundfunk vindt Haitink het juiste midden tussen symfonische benadering en muziektheater, met prachtig doorgetrokken lijnen en een juiste dosering van de climaxen. Jammer blijft alleen dat deze hele Ring niet werd opgenomen nadat Haitink zijn diverse reeksen in Covent Garden gedirigeerd had. Daar hoorde je hem van jaar tot jaar in deze complexe materie groeien en ik ben ervan overtuigd dat er een totaal ander resultaat zou zijn ontstaan, als hij die ervaring had kunnen meenemen naar de opnamestudio.

Bij Levine blijft voor mij Götterdämmerung het overtuigendste onderdeel van zijn tetralogie. De Wagner-sonoriteit, de lange lijnen en de brede bogen die bij deze muziek on­ontbeerlijk zijn, weet hij in overvloed op te roepen, maar zijn tempi zijn hier niet extreem traag (het gemiddelde ligt een fractie onder dat van Solti, die in totaal 4.46' nodig had tegenover Levine 4.50') en slechts bij vlagen lijkt het of de dirigent zich zo in een bepaald klankpatroon verlustigt, dat hij zich er niet van los kan maken. Het dient echter gezegd dat het orkest van de Met onder zijn leiding tot fenomenale prestaties komt met prachtig getrokken lijnen van de strij­kers en soli van verschillende blazers die een gouden lijstje verdienen. Daartegenover staat soms even een gebarsten hoorn en een an­der moment waarop het koper niet smette­loos klinkt, maar over het geheel heeft deze uit­voering orkestraal veel fraais te bieden.

Vocaal is het resultaat iets wisselvalliger met als uitersten een glorieuze Waltraute van Hanna Schwarz en een net iets te bleke Hagen van Matti Salminen. Schwarz is groots, vrijwel op het­zelfde niveau als toen ik haar in Lon­den hoorde onder Haitink: prachtig evenwichtig in haar vocalistiek, altijd rond van klank en met een intensiteit die Waltraute's grote scène ook hier weer tot het hoogtepunt maakt. Salminen's betrekkelijk slanke en fluwelige bas mist daaren­tegen de vereiste dreiging, torent nergens bo­ven zijn omgeving uit, is bovendien slecht ver­staanbaar. Als Wagner bijvoorbeeld in de eerste akte bij 'Jagt er auf Taten wonnig umher' in de vocale lijn Siegfried's hoornmotief verwerkt, blijkt hij niet bij machte daarop adequaat te reageren. Hij heeft soms meer weg van een Alberich en dat valt des te meer op naast de sterk en in sonoor belcanto neergezette Gunther van Weikl, bij wie ik echter de vertwijfeling mis die de vertolkingen van Fi­scher-Dieskau, Stewart en Hampson kenmerkt.

Reiner Goldberg maakt het ene moment duidelijk waarom hij lange tijd gold als de grote hoop van de Wagner-wereld, maar op andere momenten helaas ook dat deze partij het uiterste van hem vergt (en soms meer), en dat hij over te weinig inzicht dan wel artisticiteit beschikt om dat te compenseren of te maskeren. Met de Brünnhilde van Hildegard Behrens is het eerder omgekeerd: haar vertol­king zindert van intensiteit en maakt daardoor grote indruk, ondanks het feit dat haar de stem­middelen ontbreken om op grote momenten een moeiteloos zingen te suggereren. In de slotscène brengt zij het er uitstekend van af, maar zij mist de kracht om de finale van de tweede akte te domine­ren en met de zwakke Hagen van Salminen be­tekent dat dus, dat daar Weikl als de wankelmoedige Gunther het toneel beheerst. Uitstekend bezet zijn de Nornen (Helga Dernesch, Tatiana Troyanos en Andrea Gruber - kom daar tegenwoordig in Bayreuth maar eens om!), maar het trio Rheintochter wordt net iets te weinig tot eenheid.

Conclusie

Het leven is kort en de Ring duurt lang. Momenteel heb ik alleen al in commerciële uitgaven zeker twee dozijn opnamen van Wagners tetralogie in de kast staan en als ik eerlijk mag zijn: ik denk niet dat ik een van deze twee opnamen ooit nog zal draaien, althans niet in complete vorm. Van Haitinks opname zal ik hooguit nog enkele losse bedrijven beluisteren, maar in grote lijnen prefereer ik toch de radiobanden van zijn uitvoeringen in Covent Garden. Van de opname onder Levine betwijfel ik zelfs of de cd's ooit nog uit het doosje zullen komen, tenzij ik natuurlijk een fragment nodig heb voor een uitzending naar aanleiding van het overlijden van een van de solisten.

De komende maanden (misschien wel jaren...) hoop ik echter aandacht te besteden aan alle opnamen die ik heb staan. Dan komen ze alle in ieder geval nog één keer hun doosje uit en ik weet ook zeker dat daarbij enkele uitgaven zijn, die meer kans maken om mee te mogen als ik ooit kleiner moet gaan wonen. En nu - in Rheingold-termen - de eerste 'maatstaven' gesteld zijn, kunnen komende artikelen ook iets korten worden.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links