CD-recensie

Janowski opent zijn tweede Ring

 

© Paul Korenhof, september 2013

 

Wagner: Das Rheingold

Tomasz Konyechuni (Wotan), Christian Elsner (Loge), Iris Vermillion (Fricka), Antonio Yang (Donner), Kor-Jan Dusseljee (Froh), Ricarda Merbeth (Freia), Maria Radner (Erda), Gunter Groissbock (Fasolt), Timo Riihonen (Fafner), Jochen Schmeckenbecher (Alberich), Andreas Conrad (Mime), Julia Borchert (Woglinde), Katharina Kammerloher (Wellgunde), Kismara Pessati (Flosshilde), Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin o.l.v. Marek Janowski

PentaTone Classics PTC 5186 406 (2 sacd's)

Opname: Berlijn, 22 november 2012

Klik hier voor de bespreking van
Die Walküre, Siegfried en Götterdämmerung

   

Wagner's eigen tempi lijken onhaalbaar, zeker met moderne instrumenten, maar het is of veel echte wagnerianen juist op dit punt lak hebben aan de opvattingen van hun idool. Zelf dirigeerde Wagner het voorspel tot de Meistersinger in acht minuten en een paar seconden, maar tegenwoordig zijn uitvoeringen van beneden de negen minuten zeldzaam en uitvoeringen van ruim tien minuten bepaald geen uitzondering - en toehoorders en critici vinden het prachtig. Waartoe dat kan leiden, bewees de loodzware olifantendans die ik Mariss Jansons nog niet zo lang geleden bij het KCO hoorde dirigeren, en die werkelijk niets meer met een elegante komedie te maken had.

Wagner en tempi
Nog opmerkelijker is de houding van wagnerianen ten aanzien van Parsifal, die soms zelfs resulteert in een wedstrijd om het traagste tempo. Toscanini geldt nog altijd als de kampioen op dit punt met een eerste akte van 2.06', Knappertsbusch zette in de jaren vijftig de standaard met tempi die daar net iets onder lagen, maar Levine probeerde zijn illustere voorgangers zelfs te overtreffen, al kwam hij daarbij niet verder dan 2.05'. Dat het anders kan, bewezen Boulez, Kegel en Stein met gemiddelden van respectievelijk 95', 96' en 99', maar de vraag naar het 'juiste tempo' blijft onbeantwoord.
In zijn nog altijd fascinerende Aspects of Wagner besteedt Bryan Magee in het hoofdstuk 'Wagner in performance' ruimschoots aandacht aan de tempi. Hij trekt hierbij voor zichzelf grenzen waarin ik mij helemaal kan vinden: het uiterste van acceptabele tempi wordt bereikt als de gezongen tekst niet meer zijn volle draagkracht kan krijgen. Tegelijk komt hij met een ander belangrijk criterium: 'Essentieel is dat deze muziek minder mooi moet klinken dan mogelijk is.' Wagner schreef immers geen 'mooie muziek' maar muziekdrama's en cruciaal bij een gesproken en gezongen drama is nog altijd het woord, wat het moderne 'regietheater' het moderne, visueel ingestelde publiek ook wil doen geloven.

Beperken wij ons tot Das Rheingold, dan moeten we meteen constateren dat dit 'voorspel' tot Der Ring des Nibelungen meer een 'conversatiestuk' is dan een werk dat structureel beheerst wordt door zanglijnen. Dat volgt uit de aard van het werk, maar ook uit het feit dat de muziek van het merendeel van de karakters sterk declamatorisch overkomt. Dat geldt niet alleen voor Loge en Alberich, maar ook voor Fasolt, Fafner, Mime, Fricka en Freia en zelfs voor meer dan driekwart van de partijen van Wotan, Donner en Froh.

Conversatiestuk
De afgelopen decennia tonen echter een tendens van steeds tragere tempi. Voor Das Rheingold hadden zowel Solti (Decca) als de 'partituurgetrouwe' Haenchen (De Nederlandse Opera) 146' nodig, maar de meeste uitvoeringen lopen snel in de richting van 160'. Keilberth had in 1955 in Bayreuth echter net iets meer dan 142' nodig en Boulez deed het daar in 1979 met ruim 141' nog sneller. Wagner zelf heeft ooit gezegd dat zijn ideaal meer in de richting van 120' ging, een resultaat waarvan ik niet weet of het haalbaar is, maar ik zou graag eens een poging in die richting willen horen.
Puur muzikaal ging tot het verschijnen van de Keilberth-opname mijn eigen voorkeur uit naar Solti. Natuurlijk is het heerlijk om de introductie van het 'Walhall-Motiv' in volle orkestrale glorie te horen uitdeinen, maar Magee heeft gelijk en 'mooie momenten' maken nog geen drama. Bovendien klinkt die prachtige Erda-scène bij een meer gedragen aanpak soms wel erg getrokken, nog afgezien van het feit dat ik mij niet goed kan voorstellen dat zo'n standbeeldachtige of zelfs futloze Erda Wotan later een reeks dochters zal baren. Laten we eerlijk zijn: Wagner schreef zijn werken voor het theater en de personages op het toneel moeten meer overeenkomsten vertonen met levende mensen dan met uit hun proporties gegroeide symbolen.
Hoe relatief een en ander is, bleek overigens na de première van Das Rheingold deze zomer in Bayreuth. Een deskundig journalistenpanel discussieerde na afloop voor gezamenlijke Duitse zenders en prees dirigent Kirill Petrenko daarbij om zijn gedetailleerde weergave van de partituur, waarbij hij door zijn bedachtzame tempi de toehoorder alle kans gaf van die details te genieten. Inmiddels had ik bij de opname van die uitzending echter geconstateerd dat diezelfde Petrenko met net iets meer dan 140' een van de snelste dirigenten van de afgelopen vijftig jaar was!

Marek Janowski had in zijn Berlijnse Wagner-cyclus voor het voorspel tot de Meistersinger (zonder concertslot) 8'33" nodig, een halve minuut meer dan de componist zelf maar minder dan vrijwel alle andere dirigenten, en hij hield de eerste akte van Parsifal binnen 96'. Een 'vlotte' Rheingold viel dus te verwachten en inderdaad zou hij met 141' min of meer een record hebben gevestigd, ware het niet dat hij in 1980 in zijn opname voor Eurodisc nog twee minuten eerder klaar was. Wie beide opnamen naast elkaar legt, begrijpt overigens waardoor het verschil wordt veroorzaakt. Tempi worden nu eenmaal ook door de omstandigheden beïnvloed, vooral door de akoestische omgeving en/of de aanwezigheid van een meeademend publiek. Eurodisc had in 1980 de microfoons in de kleinere, lege en iets minder resonerende Lukaskirche hangen, terwijl de nieuwe opname op 22 november 2012 werd vastgelegd in een vrijwel tot de laatste plaats gevulde Berliner Philharmonie en dat scheelt toch echt een slok op een borrel!

Humor
In combinatie met het wederom virtuoze, doorzichtige en - zeker voor Wagner - 'lichte' spel van het RSO Berlin zet Janowski hier tot mijn vreugde een uitvoering neer waarbij Das Rheingold weer wordt wat het in feite is: een licht komediantesk 'voorspel' waarin op aangename en theatrale wijze de informatie wordt verstrekt die nodig is voor het begrip van de drie 'grote' delen die gaan volgen. Dat is misschien even wennen voor wie gewend is aan de geluidsgolven van Levine en Barenboim, maar het resultaat is wel een uiterst muzikale uitvoering die de tekst alle ruimte biedt.
Daarmee komen we dan meteen bij een mogelijke bedenking. Ook bij een concertante uitvoering van een opera kan het theatrale ervan af spatten, maar dat gebeurt hier niet altijd, terwijl juist dit werk dat meer nodig heeft dan de overige delen van de tetralogie. Dat Janowski's tempi de wagneriaanse climaxen inperken, is een logisch gevolg van zijn benadering en soms ook een pluspunt, zeker in vergelijking met dirigenten die wel heel erg in de door hen opgeroepen muzikale overdaad lijken te zwelgen. Het resultaat kan muzikaal schitterend zijn, met het door Wagner bedoelde muziekdrama heeft het soms nog maar weinig te maken en dan gaat het fraaie detail uiteindelijk toch ten koste van het geheel.

Daarnaast mis ik hier iets van het speelse en vooral de - vaak wrange - humor die toch ruimschoots in tekst en muziek voorhanden is. Wie onlangs Das Rheingold op de Rijn in de regie van Wim Trompert heeft gezien, zag daar de visuele weergave van komedianteske elementen die wel degelijk ook in de muziek aanwezig zijn, in de openingsscène van Alberich met de Rijndochters, in de scènes met de goden, in het middentafereel (de confrontatie tussen Wotan en Alberich getuigde daarvan nog meer dan de scènes met Loge en Mime) en zelfs in de ironie van de slotscène.
Of Janowski zoveel minder gevoel voor humor heeft, weet ik niet, maar wel kan ik mij voorstellen dat hij na enkele confrontaties in het theater wat voorzichtiger is geworden in het laten doorklinken van het theatrale element. In een interview voor de WDR tijdens de pauze van een Wagner-concert dat hij onlangs in Keulen dirigeerde, liet hij in ieder geval geen twijfel over bestaan over zijn onvrede met de uitvoeringspraktijk van dit moment, niet alleen over het 'regietheater', maar ook het gebrek aan inzicht van collega-dirigenten werd door hem in scherpe bewoordingen aan de kaak gesteld.

De solisten
Een ander probleem vormt de bezetting. Ook Janowski kan niets veranderen aan het huidige gebrek aan goede stemmen voor het 'grote repertoire', niet alleen voor Wagner, maar ook voor Verdi, Strauss, Puccini, Bizet, Massenet, Saint-Saëns en zelfs Bellini en Donizetti. Daarbij komt dan het probleem dat de weinige stemmen die er zijn, hun tijd moeten verdelen over alle grote theaters en een nog steeds toenemend aantal festivals.
De spoeling is dus dun, zoals Janowski eveneens heeft moeten merken, maar beginnen we met de zonzijde, dan kunnen we ons hier in ieder geval verheugen over een van de beste Alberichs sinds Gustav Neidlinger: de bariton Jochen Schmeckenbecher. Helaas gaat het cd-boekje bij hem niet verder dan het vermelden van een lange reeks rollen en partijen alsmede met welke dirigenten hij die gezongen heeft, maar deze leerling van Kurt Moll beschikt over een helder, uitstekend gehanteerde bariton en een even opmerkelijk interpretatietalent, die hem met zijn drie scènes bijna de hele uitvoering doen beheersen met als hoogtepunt een mooi ingehouden vervloeking.
Uitstekend werkt de combinatie van deze Alberich met de Mime van de 'Spieltenor' Andreas Conrad, maar beiden krijgen net iets te weinig tegenspel van een fraai lyrische Christian Elsner die het gladde en ongrijpbare van de vuurgod Loge onvoldoende in zijn zang laat doorklinken. Met een beetje weemoed dacht ik terug aan de vertolking van Peter Schreier, een van de hoogtepunten in de Ring-cyclus die Janowski ruim drie decennia geleden voor Eurodisc vastlegde. Naar die opname grijp ik trouwens ook terug voor de drie Rheintöchter, hier fraai vertolkt door Julia Borchert, Katharina Kammerloher en Kismara Pessati, maar in 1980 gezongen door een ware droombezetting met Lucia Popp, Uta Priew en Hanna Schwarz.

Als Wotan horen we hier Tomasz Konieczy, die na een sensationele Alberich aan de Weense Staatsopera inmiddels schijnt uitgegroeid tot de eerste keuze in dat theater voor rollen als Wotan, Amfortas en Mandryka. Hoewel ik voor Die Walküre en Siegfried een zanger met een iets breder timbre zou prefereren, bezit deze Poolse bariton zeker het potentieel voor Wagner's jonge oppergod, al blijft het de vraag of hij die nu al had moeten opnemen. Er zijn nu eenmaal rollen met zoveel diepgang en zoveel facetten dat je er langzaam in moet groeien, en daar is Wotan er één van. Op dat punt laat Konieczy enkele wensen onvervuld, maar puur vocaal geeft hij een vertolking van klasse. Vocaal zeer 'aanwezig' maar in klank misschien iets te veel een bazig moeke is de Fricka van de mezzosopraan Iris Vermillion, terwijl de godenfamilie op niveau wordt aangevuld met de krachtige Freia van de sopraan van Ricarda Merbeth, de welluidende Donner van de bariton van Antonio Yang, en de met het juiste pathos gezongen Froh van de tenor Kor-Jan Dusseljee.
Bij de reuzen wreekt zich natuurlijk dat er tegenwoordig zo weinig echte goede bassen zijn, dat het moeilijk is deze relatief kleine rollen naar behoren te bezetten. Op dat punt komt Janowski een heel eind, vooral dankzij de beschikbaarheid van Günther Groissböck (Fasolt), geen gitzwarte bas in de traditie van Gottlob Frick, Josef Greindl of Karl Ridderbusch, maar wel een zanger van klasse die ook weet hoe hij met een tekst moet omgaan. Naast hem zet Timo Riihonen een vrijwel gelijkwaardige Fafner neer en de bezetting wordt afgerond met een betrouwbare Erda van Maria Radner, al mist zij net dat beetje individualiteit om haar vijf minuten tot een bijzonder moment te maken.

Over de klank, de balans en de kwaliteit van het stereobeeld valt niets nieuws meer te melden. Je kunt je nog afvragen of er een punt is waarop het beter kan, maar ik zou niets kunnen noemen. Ook de presentatie met fraaie boekwerkjes in plaats van plastic cd-doosjes is inmiddels welbekend, maar daarover zou ik kunnen opmerken dat het moeilijk is een cd eruit te halen zonder het plaatje echt stevig aan de platte zijde beet te pakken. Het paraat houden van een reinigingsdoekje is dus aanbevolen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links