CD-recensie

Een Parsifal boven Karajan?

 

© Paul Korenhof, december 2005

 

Wagner: Parsifal.

Yvonne Minton (Kundry), Lucia Popp (Bloemenmeisje), James King (Parsifal), Bernd Weikl (Amfortas),  Franz Mazura (Klingsor), Kurt Moll (Gurnemanz), Matti Salminen (Titurel) e.a., Tölzer Knabenchor, koor en orkest van de Bayerische Rundfunk o.l.v. Rafael Kubelík.

Arts Archives 43027-2 (4)


Een goed voorbeeld van de manier waarop de grote labels ooit geld over de balk gooiden, vormen de drie grote Wagner-opnamen die Kubelík voor DG maakte. Alleen Lohengrin zag toen het daglicht, maar zowel Die Meistersinger von Nürnberg (1967) als Parsifal (1980) bleven op de plank liggen, de eerste omdat het gele label bij nader inzien waarschijnlijk liever wachtte op een opname met Fischer-Dieskau, de tweede omdat vrijwel gelijktijdig een opname onder Karajan werd gemaakt. Inmiddels zijn beide opnamen dankzij de medewerking van de Bayerische Rundfunk eveneens op cd verschenen, de Meistersinger al in 1996 bij Calig en Parsifal vorig jaar bij Arts Archives, en de ironie wil dat beide opnamen meteen bij verschijning de hemel in geprezen zijn. Kubelíks Meistersinger met Thomas Stewart, Sandór Kónya, Gundul;a Janowitz en Franz Crass werd meteen door vrijwel alle critici uitgeroepen tot een van de beste opnamen die ooit van dit werk verschenen zijn, zo niet de beste, en met Parsifal gebeurde prompt hetzelfde, waarbij menigeen deze registratie zelfs op punten boven die van Karajan plaatste. Ik moet ook eerlijk zeggen: Karajan was voor dit werk gedurende vele jaren mijn favoriet, maar nu weet ik het niet meer. Natuurlijk, de Berlijnse strijkers blijven een wonder van legato, raffinement en een zinderende suggestie van mystiek, maar Kubelík zorgt voor meer dramatiek bij tempi die een majestueuze 'wijding' kunnen suggereren en toch nooit echt  langzaam zijn (109'33"- 67'18" - 76'00"). Wat hij bovendien met de blazers doet, is waarlijk overweldigend van sonoriteit en voor mij laat hij op dat punt de 'verfijning' van Karajan achter zich.

Waar het de solisten betreft, gaat mijn voorkeur zeker uit naar Kubelík, zij het niet op alle fronten. Om te beginnen hebben beide dirigenten Kurt Moll als een waarlijk superieure Gurnemanz, doorleefd, prachtig van dictie, rond en edel van klank en met een superbe legatotechniek, maar bij Karajan levert de samenwerking met dirigent en orkest net iets meer magie op. Iets dergelijks geldt voor de titelrol, een stralende James King bij Kubelík, op nog hoger niveau ook dan in de tien jaar oudere live-opname onder Boulez, maar ook hier wint Karajan dankzij de tenor Peter Hofmann, die niet alleen meer intensiteit meebrengt, maar die bepaalde frasen zelfs een heel bijzondere lading weet mee te geven. Aan de andere kant heeft Kubelík de Kundry van Yvonne Minton, die een Dunja Vejzovic ver achter zich laat, zeker als zij haar intonaties helemaal onder controle heeft. Bernd Weikl en Franz Mazura zijn helemaal met hun rollen vergroeid geraakt en dan kunnen Van Dam en Nimsgern bij Karajan nog zo hun best doen, Kubelík biedt hier net iets meer, en dat geldt ook voor de Titurel van Matti Salminen. Dat het ensemble bloemenmeisjes bij Karajan net iets meer kamermuzikale perfectie heeft, zal niemand verbazen, maar bij Kubelík klinken de stemmen individueler en als Erste Blume straalt Lucia Popp ook meer sensualiteit uit dan Barbara Hendricks.

Opnametechnisch is er in zoverre weinig verschil, dat het hier twee uitmuntend gerealiseerde digitale opnamen uit de DG-stal betreft, maar het ensemble van de Bayerische Rundfunk klinkt warmer, ongetwijfeld mede dankzij de Münchner Herkulessaal. Of de uitgave in Nederland verkrijgbaar is, weet ik niet, maar de liefhebber zal deze toonaangevende opname van Parsifal zeker weten te vinden.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links