CD-recensie

Fliegende Holländer op ouderwets hoog niveau

 

© Paul Korenhof, januari 2010

 

 

Wagner: Der fliegende Holländer.

Ludwig Weber (Daland), Astrid Varnay (Senta), Wolfgang Windgassen (Erik), Elisabeth Schärtel (Mary), Josef Traxel (Steuermann), Hermann Uhde (Holländer). koor en orkest van de Bayreuther Festspiele 1955 o.l..v. Hans Knappertsbusch.

Orfeo C 692 092 I (2 cd's)

Live-(mono)opname Bayreuther Festspiele, 22 juli 1955)


De jaren 1955 en 1956 waren twee gouden jaren in de geschiedenis van de Bayreuther Festspiele. Wieland en Wolfgang Wagner hadden in 1951 het festival een nieuwe start gegeven met de Wagner-veteraan Hans Knappertsbusch en het veelgevraagde en ook al veelbesproken multitalent Herbert von Karajan als dirigenten. De laatste had het echter al na twee jaar voor gezien gehouden en zijn plaats was ingenomen door de minder spraakmakende maar de beslist niet minder interessante Joseph Keilberth. Samen met 'Kna' had de latere Münchner chefdirigent in enkele jaren tijd het gehele ensemble solisten, orkest en koor (met de fameuze koorleider Wilhelm Pitz) tot een nu legendarisch niveau weten op te stuwen.

Ondertussen had de mediabelangstelling voor Bayreuth in enkele jaren tijd een enorme impuls gegeven aan de opnamekwaliteit die op de heuvel gerealiseerd kon worden. Walter Legge was er al in 1951 met een EMI-ploeg neergestreken, kort daarop gevolgd door een Decca-team waarvan na Christopher Raebrun spoedig ook John Culshaw deel zou uitmaken en de vaste aanwezigheid van de technische ploeg van de Bayerische Rundfunk, die de akoestiek van het theater van haver tot gort kende, zorgde voor een kruisbestuiving waarvan alle aanwezigen geprofiteerd hebben. Helaas haakte EMI na twee jaar af - samen met EMI-ster Karajan - maar Decca bleef en realiseerde er zelfs al in 1955 stereoregistraties van een nog altijd verbazingwekkende kwaliteit.

Als we technisch minder representatieve uitgaven uit het grijze circuit buiten beschouwing laten, was de enige 'tastbare' getuigenis van die periode een opname van Der fliegende Holländer uit 1955, die ik nog altijd op drie stereo-lp's in de kast heb staan. De laatste jaren is daar heel wat bij gekomen. Testament kwam met de complete Ring uit 1955 plus een extra Götterdämmerung uit datzelfde jaar, beide onder Keilberth en beide in stereo-opnamen van Decca, op Orfeo verscheen de complete Ring onder Knappertsbusch uit 1956 in opnamen van de Bayerische Rundfunk plus een Tannhäuser onder Cluytens uit 1955 (beide in mono) en nu is er dus ook de Holländer onder Knappertsbusch uit 1955, eveneens in een mono-opname van de Beierse radio.

Voor wie de Keilberth-versie bezit: er zijn twee significante verschillen. Om te beginnen in de bezetting: waar Keilberth als Erik de beschikking had over de tenor Rudolf Lustig, horen we bij Knappertsbusch niemand minder dan Wolfgang Windgassen en het verschil is evident. Het is het verschil tussen een goede huiswijn en een grand cru, ook als die misschien niet helemaal bij het gerecht past. Voor Erik kan ik me een jeugdiger timbre en een onbezonnener zangstijl voorstellen (Fritz Uhl was in die haren ideaal), maar de autoriteit van Windgassen in deze muziek is nauwelijks te evenaren en laten we eerlijk zijn: naast de in timbre toch ietwat overrijpe Senta van Astrid Varnay is hij uitstekend op zijn plaats.

Het tweede en belangrijkste verschil betreft de beide dirigenten. De lp's van Keilberth vermelden geen timing, maar ik weet wel dat hij in 1956 uitkwam op 148', dus we kunnen gevoeglijk aannemen dat hij in 1955 ook in die buurt zat. Knappertsbusch heeft vijf volle minuten meer nodig. Dat lijkt weinig en in Lohengrin of Parsifal zou het dat ook zijn, maar in een opera van deze lengte met daarbij zoveel delen warin een straf ritme overheerst, kan vijf minuten heel veel verschil uitmaken. En dat doet het hier ook! Voortdurend ben je je van Kna's tempi bewust en hoewel ik me tegelijkertijd realiseer dat het nu niet meer zo langzaam zou kunnen, en dat vooral hedendaagse regisseurs er helemaal gek van zouden worden, moet ik ook toegeven dat ik er uitzonderlijk geïmponeerd door raakte. Het is als een heel oude, zware wijn: alleen langzaam, slokje voor slokje drinken zorgt dat hij zijn geheimen prijsgeeft!

De Senta van Varnay - ik wees daar reeds op - heeft in zoverre een 'ouderwetse klank, dat hier duidelijk aan de vocale superioriteit van de ervaren dramatische sopraan de voorkeur wordt gegeven boven de meisjesachtige klank van een jongere collega. Voor beide is iets te zeggen, maar ook hier gaat de vergelijking met wijnen op. Er zijn mensen die kunnen  genieten van een leuke Beaujolais primeur, terwijl anderen toch liever meer rijping proeven. Een feit is dat Varnay vocaal en interpretatief superieur is, en dat je je geen moment hoeft af te vragen of zij iets wel 'haalt'!

Haar Holländer is Hermann Uhde en als ik stel dat ik de andere grote vertolker van die tijd, zijn Amerikaanse collega George Londen, prefereer, is dat vooral een kwestie van smaak, maar niet helemaal. Uhde vertegenwoordigt vooral het mythische karakter van zijn rol, maar London geeft meer reliëf aan de psychische verscheurdheid. Voor beide benaderingen is iets te zeggen, maar mijn voorkeur gaat toch uit naar de laatste, die ook beter aansloot bij het muziektheater van Wieland Wagner.

In de overige rollen horen we een galabezetting met een Daland van Ludwig Weber, die een donkere bas-klank weet te combineren met bonhommie, een Mary van Elisabeth Schärtel die eens een keertje niet klinkt als Senta's oma, en de verrukkelijke lyriek van Josef Traxel in het rolletje van de Steuermann. De volle monoklank met een fraaie balans werd door Orfeo met groot respect en zonder onnatuurlijk 'oppeppen' op de cd gezet.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links