CD-recensie

Triomf voor ensemblekunst

 

© Paul Korenhof, april 2017

 

Puccini: La fanciulla del west

Carol Neblett (Minnie),  Plácido Domingo  (Dick Johnson),  Sherrill Milnes (Jack Rance),  Francis Egerton (Nick),  Robert Lloyd ( Ashby), Jonathan Summers (Sonora), John Dobson (Trin), Malcolm Rivers (Sid), Tom McDonnell (Bello), Paul Crook (Harry), Robin Leggate (Joe), William Elvis (Happy), Malcolm King (Larkins), Gwynne Howell ( Jake Wallace),  Paul Hudson  (Billy Jackrabbit),  Anne Wilkens (Wowkle), Eric Garrett (José Castro), Handel Owens (Un postiglione)
Royal Opera House, Covent Garden
Dirigent: Zubin Mehta
Pentatone Classics PTC 5186 243 (2 sacd's)
Opname: Londen, juni 1977

 

Op 21 januari 1978 beleefde ik vanaf de tweede rij, met mijn neus bijna in de orkestbak, een van mijn grootste theaterervaringen. In mei 1977 was in Covent Garden voor het eerst sinds 1912 La fanciulla del west weer op het toneel gekomen en al heel snel was het werk daar een ware 'hit' geworden. Dat was zeker voor een groot deel te danken aan de sfeerrijke, tot in de kleinste details verzorgde productie van Piero Faggioni, vorig jaar nog eens hernomen voor Eva-Maria Westbroek, maar in het centrum van het succes stond natuurlijk Puccini's muziek in een vertolking met Carol Neblett en Plácido Domingo in de hoofdrollen en met Zubin Mehta als een Puccini-dirigent par excellence.

Aansluitend op die eerste reeks werd de uitvoering voor de plaat opgenomen en voor het volgende seizoen plande de Royal Opera een tweede serie, besloten op die memorabele zaterdagmiddag 21 januari, een van die momenten waarop alles leek samen te vallen. Doordat het de enige matinee was in beide series, zat in de zaal een groot contingent liefhebbers 'van buiten', die zowel de spraakmakende productie als de zang van Domingo aan den lijve wilden meemaken. Achter het toneel heerste een sfeer van ontspanning en wellicht enige weemoed omdat het echt de laatste voorstelling zou worden, en daarbij kwam ook nog de verjaardag van Domingo. Het resulteerde in een voorstelling waarbij vanaf de eerste maat de vonken leken over te schieten, en die na een ovationeel slotapplaus culmineerde in een uitbundig meegezongen 'Happy Birthday To You'.

Als herinnering bleef de opname van de rechtstreekse uitzending die de BBC die middag maakte, nog altijd een kostbaar bezit, ook nadat DGG de schitterend uitgegeven en technisch superieure lp's had uitgebracht. De uitgave was overigens een triomf voor de analoge opnametechniek in een tijd toen de klank nog 'gemaakt' werd door de producer en de uitvoerenden, en niet door de man achter de knoppen.
Bovenal werd de uitvoering echter een demonstratie van ensemblekunst, iets waarvan wij nu in Nederland met onze voorstellingen vol ingevlogen solisten alleen maar kunnen dromen. De prestaties van Neblett en de jonge Domingo (hij werd die dag 37) staan op een zeldzaam niveau, evenals de directie van Mehta, maar zoals bij vrijwel iedere Puccini-opera is de sfeer doorslaggevend en meer dan bij enig ander werk, buiten misschien La Bohème en Gianni Schicchi , wordt die bepaald door de mate waarin de leden van een ensemble op elkaar ingespeeld zijn.
Op dat punt leverde de Royal Opera een troefkaart met ruim een dozijn solisten die regelmatig samen op het toneel stonden en elkaar door en door kenden. Het waren ook niet de eersten de besten. De tenoren Francis Egerton en John Dobson waren zeer individuele en uiterst begaafde comprimario's en Robin Leggate zong ook regelmatig grotere rollen, evenals de baritons Jonathan Summers en Tom McDonnell, om maar te zwijgen van de bassen Robert Lloyd en Gwynne Howell. Het leverde spetterend ensemblewerk op met cameo-rollen die stuk voor stuk als echte karakters naar voren komen, zoals de sensitieve Sonora van Jonathan Summers, de vriendelijk autoritaire Ashby van Robert Lloyd en de net niet te sterk gechargeerde Larkens van Malcolm King. Wat een cast konden ze toen in Londen op de been brengen!

De enige buitenstaander bij de opname was Sherrill Milnes die werd overgevlogen, nadat de Zweedse bariton Ingvar Wixell wegens indispositie verstek had moeten laten gaan. In het theater werd hij vervangen door Silvano Carroli, een vaste gast op het Londense operatoneel waar ik hem later regelmatig hoorde tegenover Domingo's Otello, maar die nooit een favoriet van mij werd. Daarvoor waren zijn stem en zijn voordracht te 'rauw', terwijl zowel Jack Rance als Jago ook fluweel moeten laten horen, Rance in zijn toenaderingen tot Minnie en Jago als dekmantel voor zijn venijn. Milnes toonde zich daarentegen ideaal voor de gepassioneerde en jaloerse sheriff, terwijl het feit dat hij regelmatig op het toneel van Covent Garden had gestaan, ertoe bijdroeg dat hij zich naadloos in het ensemble kon invoegen.

Toen ik in juni 1977 een bezoek bracht aan de als studio ingerichte Watford Town Hall, lieten de technici mij vol trots een paar delen in quadrofonie beluisteren. Van dat systeem had ik echter niet zo'n hoge pet op, nog afgezien van het feit dat het optimale effect erg plaatsgebonden was. De analoge lp's heb ik echter altijd gekoesterd en als ik eerlijk ben: ik prefereer de warmere analoge klank daarvan zelfs nog steeds boven de heldere maar ook wat cleane cd-versie die DG in de jaren tachtig uitbracht.

De 'remastering' op basis van de quadro-registratie komt als stereo-cd - mede door een hogere bitsnelheid? - dicht in de buurt van de lp-versie. Op een surround-installatie (en niet eens zo'n heel erg dure) is het effect echter verbazend, maar wel 'surround' en geen theaterakoestiek. Een goede afstelling van de achterste luidsprekers is dus een eerste vereiste, maar het resultaat komt heel natuurlijk over, terwijl de klank die van de lp in warmte lijkt te evenaren met daarbij meer helderheid en dieptewerking. En zoals ik al eens eerder constateerde, werkt dat door wanneer ik mij niet meer keurig tussen de luidsprekers bevind. Het geeft de suggestie alsof het geluid bezit neemt van de ruimte, zoals een uitgekiende belichting dat kan doen.

Na twee dagen stoeien met de lp's, de cd's en de sacd's die ik zowel stereo als surround beluisterde, gaat mijn voorkeur uiteindelijk uit naar deze sacd-versie. De cd's heb ik inmiddels weggegeven, maar de lp's blijven in de kast staan, en niet alleen uit nostalgie. De presentatie door Pentatone biedt buiten de twee discs slechts een sober boekje met een summiere toelichting, dus op dat punt blijft de lp-uitgave onovertroffen.

***********

Collega-recensent Joop Schrier, clavecinist, jazzpianist, steunpilaar van de Dutch Swing College Band en Puccini-specialist bij uitstek, wijdde in oktober 1978 een bespreking aan deze uitvoering waaraan ik geen woord hoef toe te voegen. Daarom publiceer ik hieronder (met toestemming van zijn erfgenaam) zijn recensie van de oorspronkelijke lp-uitgave:

Nog eens overlezende wat ik ooit bij de her­uitgave van de Decca- Fanciulla met Te­baldi, Del Monaco en Cornell MacNeil schreef, kom ik tot de conclusie dat in ieder geval één zinsnede voor herroeping in aanmerking komt: La fanciulla del west is typisch een opera die je niet moet zien, maar moet beluisteren'. De omstandig­heid dat ik deze opera nooit heb kunnen zien heeft me waarschijnlijk parten ge­speeld, maar in juni van het vorige jaar en in januari van dit jaar werd in Covent Garden een reeks opvoeringen gegeven die stormen van enthousiasme heeft ver­oorzaakt. Collega Korenhof, die de allerlaatste voorstelling meemaakte, gewaagt van een zeer functionele Holly­wood-achtige enscenering, die iedere gedachte aan een soort spaghettiwestern in de kiem smoorde.
Voor de hoofdrollen had men aangetrokken: de Amerikaanse Carol Neblett, een ambitieuze dame die vorig jaar de Europese kranten haalde door zich in de opera van Chicago publiekelijk te gedragen alsof zij zich in een naturistenkamp bevond, Plá­cido Domingo als Dick Johnson en Sil­vano Carroli als Jack Rance. De rest van de cast bestond uit eigen krachten van Covent Garden. Het grootste aandeel van het succes had de dirigent, Zubin Mehta. die een staal van zijn kunnen gaf dat volgens toehoorders alles sloeg wat hij tot dusver op operagebied heeft gepresteerd.

De nu door DGG gepresenteerde opname is de neerslag van de voorstellingen in juni 77. De bariton Carroli, volgens Paul Korenhof een misbezetting, werd voor de opname vervangen door Sherrill Milnes, wat alleen maar pure winst kan zijn. Men kan zich voorstellen dat ik me na de enthousiaste verhalen met meer dan gewone belangstelling tot luisteren zette. Wel, het is inderdaad een bijzondere ervaring geworden. De rol van Minnie is een spécialité de La Maison Neblett (zij zong de rol al aan vele Euro­pese operatheaters) en dat zij zich als een vis in het water voelt, is zonder meer hoor- en voelbaar. Haar stemkwaliteiten lenen zich bijzonder voor de rauw-dramati­sche sfeer waarin het werk zich voltrekt, maar de tederheid in haar betrekkingen tot de mannelijke hoofdfiguur weet zij al evenzeer te treffen. Plácido Domingo is een meer dan voortreffelijk partner, goed bij stem en kennelijk bezield door zijn tegenspeelster. Zo is het prachtige liefdesduet aan het eind van de eerste akte een bijkans onovertroffen situatieschets geworden, waarvan een toegewijd Pucci­ni-adept niet genoeg kan krijgen.
Jack Rance, de derde hoofdfiguur, wordt ge­zongen door Sherrill Milnes en het dient gezegd: dit is een creatie die zonder meer formidabel moet worden genoemd. Hij weet de karaktertrekken van de schurk­achtige sheriff tot Scarpia-achtige waar­den op te schroeven en dat is wat Puccini moet hebben bedoeld. Dat gebeurt niet met vocale krachtpatserij, maar door middel van zorgvuldig gedoseerde nuances. Het timbre van de stem is geleidelijk aan wat donkerder geworden en dat staat de Rance-figuur uitstekend. Wie de foto's van Milnes als Rance bekijkt zal het op­vallen dat hij een typeur van grote klasse is.

De overige rollen worden gezongen door Engelse vocalisten, die het over het geheel genomen voortreffelijk doen. De enige die bepaald onder de maat blijft is Anne Wilkens als de Indiaanse vrouw Wowkle: een wat benauwde stem, zonder expressie en met weinig theater-feeling gehanteerd. Met voldoening mag worden geconstateerd dat men tegenwoordig bij Covent Garden veel aandacht besteedt aan de linguïstiek. Op het Italiaans van de locale krachten valt nauwelijks aan­merking te maken; de enige uitzondering is, alweer, Anne Wilkens.

Komende op Zubin Mehta als dirigent, een vat met lovende adjectieven zou hier dringend nodig zijn, maar laat me volstaan met op te merken dat hij La fanciulla del west een nieuw leven heeft ingeblazen met zijn magistrale directie, die zonder enige nadrukkelijkheid een gedetailleerd beeld geeft van een Puccini-partituur, waarvan velen - onder wie ikzelf - de draagwijdte tot dusver hebben onderschat. 'Nieuw leven', schreef ik zoëven, het heeft er alle schijn van dat de Londense voorstel­lingen als overdonderend kijkspel en met een zo intens muzikaal uitgewerkte parti­tuur hebben gezorgd voor een tweede jeugd van La fanciulla , zoals Puccini zijn opera koesterend noemde.

De technici van DGG hebben intussen een pres­tatie geleverd die al even memorabel is als de voorstellingen: een prachtig afgerond en verzadigd klankbeeld rolt stralend uit de speakers en laat geen wens onver­vuld. Zo en niet anders moet anno 1978 een opera klinken. En zo, en niet anders, moet een tekstboek worden ingericht: drie verschillende essays over het werk (in vier talen), uitstekende artiestenfo­to's, scènefoto's uit Covent Garden en géén ontluisterende opnamefoto's, plus natuurlijk het libretto. Kortom, een pro­ductie van formaat die ik vrijwel zonder reserve mag aanbevelen. - J. S.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links