CD-recensie

Netrebko en Villazón in La bohème:

een Rodolfo met vocale problemen
valt voor een kerngezonde Mimí

 

© Paul Korenhof, juli 2008


 

Puccini: La bohème.

Anna Netrebko (Mimì), Nicole Cabell (Musetta), Rolando Villazón (Rodolfo), Boaz Daniel (Marcello), Stéphane Degout (Schaunard), Vitalij Kowaljow (Colline), Tiziano Bracci (Benoit, Alcindoro, Un doganiere), Kevin Connors (Parpignol), Gerald Häussler (Sergente), koor van de Bayerische Rundfunk, kinderkoor van het Stadttheater am Gärtnerplatz, Symfonieorkest van de Bayerische Rundfunk o.l.v. Bertrand de Billy

DG 477 6600 (2 cd's)


Het slot van de eerste akte hadden Anna Netrebko en Rolando Villazón ons reeds als - lichtelijk ridicule - videoclip aangeboden, nu is er dan de complete opera en ongetwijfeld zullen hordes operaliefhebbers en zelfs enkele critici weer uit hun dak. Natuurlijk is er ook wel reden voor enthousiasme, om te beginnen over de opname, want zelden werd deze partituur klanktechnisch zo doorzichtig en zo geciseleerd vastgelegd zonder dat dit ten koste ging van de orkestrale warmte, de tutti of de theatersfeer. Het Münchner orkest speelt bovendien de sterren van de hemel en Bertrand de Billy bewijst weer eens dat hij beslist niet de onbeduidende kapelmeester is, waarvoor een deel van de Nederlandse pers hem aanzag, toen hij hier voor het eerst optrad als 'begeleider' van Gheorghiu en Alagna.

Bijzonder geslaagd is ook het totale ensemble met voorop de lyrische bariton Boaz Daniel als een warmbloedige Marcello en de al even lyrische, iets meer naar de karakterbariton neigende Stéphane Degout als een levendige Schaunard met precies dat beetje ironie dat die rol nodig heeft. Naast hen zet de bas Vitalij Kowaljow een sonore Colline neer, zij het niet met het markante dat 'Vecchia zimarra' tot zo'n juweeltje kan maken, en Nicole Cabell is een meeslepende Musetta. Bij hen allen ontbreekt echter iets van de echte 'bohémien-sfeer'. Bij de drie heren ontbreekt iets van het studentikoze en losbandige, en van dat laatste had Nicole Cabell helemaal wel een onsje meer kunnen gebruiken. Tenslotte bewegen Musetta en Mimì bewegen zich allebei op de grens van de prostitutie en dat mag best hoorbaar worden. Dat is het bij Cabell niet - en bij Netrebko helemaal niet, maar daarover dadelijk meer.

Een groot probleem is volgens mij dat De Billy wel een goede dirigent is, maar geen echte Puccini-dirigent. Een Puccini-parituur zit vol met 'piccole cose', details - soms uiterst miniem - die in de juiste verhouding belicht moeten worden en die vaak ook de aanleiding moeten vormen voor lichte, vaak nauwelijks waarneembare vertragingen of versnellingen die meestal ook maar heel even duren. Bovendien met het sentiment in de muziek op de juiste manier belicht worden om een optimaal effect te bereiken, niet door het te benadrukken, maar door het juist te contrasteren met luchtigheid, relativering en schijnbare vrolijkheid. In plaats daarvan probeert De Billy juist het sentiment te doseren, waardoor hij het onvermijdelijk benadrukt. Dat vermindert het contrast, het vermindert de betrokkenheid van de toehoorder en het brengt zelfs het gevaar van sentimentaliteit met zich mee. Zo traag als Karajan in diens latere Decca-opname is hij nog net niet, maar het feit dat hij bijvoorbeeld voor de sterfscène van Mimì een minuut meer nodig heeft dan Puccini-specialisten als Beecham, Votto of Karajan in zijn Scala-periode, zegt wel iets over zijn benadering.

Het draait voor de meesten echter helemaal om Anna Netrebko en Rolando Villazón. Om met de laatste te beginnen: die voelt zich hier duidelijk in zijn element. Het studentikoze en artistieke van Rodolfo liggen hem even goed als zijn verliefdheid en zijn latere liefdesverdriet. De hartstochten van Puccini krijgen het volle pond zonder overtrokken te worden en zijn zang is bovendien overgoten met een mediterrane saus die aan de jonge Di Stefano doet denken. Een andere overeenkomst is dat beiden de rol beter niet hadden kunnen zingen, althans niet zo vroeg in hun carrière. Voor een lyrische tenor is de muziek van Puccini bijzonder verraderlijk, zeker op momenten waarop de componist de orkeststemmen op elkaar gaat stapelen (en daar heeft hij een handje van...), en het is niet voor niets dat een zanger als Alfredo Kraus deze rol maar één keer in het theater heeft willen zingen en later in zijn carrière ook nog één keer voor de grammofoonplaat. Kraus was heel zuinig op zijn stem en dat is Villazón beslist niet. Sterker nog: de opname werd gemaakt in april 2007, toen de eerste grote vocale crisis van de Mexicaanse tenor zich al aankondigde (hij zou kort daarna gedwongen rust gaan nemen) en die aankondiging is duidelijk te horen. Hier zingt wel een 'toptenor', maar niet een zanger die op dat moment goed bij stem is (hij laat 'Che gelida manina' ook een halve toon transponeren) en ik kan alleen maar bewondering hebben voor de manier waarop hij dat weet te maskeren.

Anna Netrebko is een ander hoofdstuk. Zij heeft absoluut geen last van vocale problemen, maar mijn probleem met haar is dat zij juist té gezond klinkt. Ik hoorde Maria Bayo ooit in Montpellier haar eerste Mimì zingen en werd toen getroffen door het feit dat je bij haar eerste opkomst al voelde dat dit meisje iets onder de leden had. Dat zegt zij ook en Rodolfo ziet het trouwens meteen: deze Mimì is in de eerste akte al ziek, in de derde akte nog veel zieker (daar gaat het verhaal nota bene over!) en in de vierde akte letter 'doodziek'. Maar niet de Mimí van Anna Netrebko. Die klinkt in de eerste akte kerngezond, zij klinkt in de derde akte kerngezond en zij klinkt nog steeds kerngezond als zij aan het slot in het laatste stadium van tbc bij Rodolfo terugkeert en de laatste adem uitblaast. Wie de tekst volgt, snapt gewoon niet waar iedereen het in de derde akte over heeft. Het is hetzelfde als met die andere tbc-lijdster,  Violetta Valéry in La traviata, de rol die Netrebko wereldroem en onder meer een Edison heeft bezorgd. Toen schreef ik al dat je maar even naar Callas, Scotto of Cotrubas hoefde luisteren om te weten hoe ziekte en tragiek in een zangstem kunnen doorklinken en hier is het hetzelfde. Netrebko zingt prachtig, maar met een warme lyriek die wel op zijn plaats is in I Capuleti ed i Montecchi en ten dele ook in I Puritani (mits de waanzin daar goed geregisseerd wordt), maar die haar vertolking hier vocaal ongeloofwaardig maakt. Ik mag Netrebko bijzonder graag, ik houd van haar stem, maar zij is absoluut geen 'stemactrice' en op dit punt zou zij heel goed gecoacht moeten worden.

Bijzonder fraai is de presentatie in een mooi doosje, niet zo'n armoedige plastic openklapper, maar een met smaak ontworpen behuizing met een boekwerk van tweehonderd pagina's. Wat de foto's van de stersolisten die daarin werden afgedrukt, met deze opera te maken hebben, ontgaat mij weer helemaal en de stiefmoederlijke behandeling van de overige medewerkenden is weer beschamend.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links