CD-recensie

 

© Paul Korenhof, april 2023

Jessye Norman The Unreleased Masters

Wagner: Tristan und Isolde Prelude - 'Westwärts schweift der Blick Weh, ach wehe! Dies zu dulden' - 'Isolde! Tristan! O sink hernieder' - 'Mild und leise'
Jessye Norman (Isolde), Hanna Schwarz (Brangäne), Thomas Moser (Tristan), Ian Bostridge (Seemann)
Gewandhausorchester Leipzig
Dirigent: Kurt Masur
Opname: Leipzig, 1998

(R.) Strauss: Vier letzte Lieder
Wagner: Wesendonck-Lieder
Jessye Norman (sopraan)
Berliner Philharmoniker
Dirigent: James Levine
Opname: Berlijn, 1989 &1992

Haydn: Scena di Berenice
Berlioz: Cléopâtre
Britten: Phaedra
Jessye Norman (sopraan)
Boston Symphony Orchestra
Dirigent: Seiji Ozawa
Opname: Boston, 1994

Decca 4852984 (3 cd's)

 

Dat in 1998 door Philips in Leipzig onder leiding van Kurt Masur opnamen waren gemaakt van Tristan und Isolde met Jessye Norman, Hanna Schwarz en Thomas Moser was algemeen bekend. Waarom die opnamen nooit waren gepubliceerd, was echter alleen bekend bij insiders, maar nu blijkt dat het in feite ging op 'proefopnamen' omdat Norman aarzelde of zij Isolde compleet zou opnemen. En het resultaat viel kennelijk niet helemaal positief uit.

De Liebestod had Norman wel al meerdere malen gezongen, ook voor een Wagner-recital op EMI met het London Philharmonic Orchestra onder leiding van Klaus Tennstedt, maar zangtechnisch is dat uiteindelijk niet het zwaarste deel van de rol. Ook het liefdesduet is niet het grootste probleem, zeker niet bij een studio-opname. Het struikelpunt is vooral Isolde's vertelling in het eerste bedrijf (hoewel het doven van de fakkel in het tweede niet onderschat mag worden) en dat viel bij de sessies in Leipzig kennelijk niet helemaal gunstig uit. Althans in de oren van Norman zelf.

Philips en Masur leken wel vertrouwen in het project te hebben. In ieder geval werd besloten om voldoende muziek op te nemen voor een cd met hoogtepunten, maar ook daarvoor gaf Norman uiteindelijk geen toestemming, waarbij vermoedelijk een enkele niet helemaal perfect gerealiseerde noot in de vertelling een rol (mee)speelde. Jessye Norman was niet gemakkelijk en ook ten aanzien van haar eigen prestaties was zij bijzonder kritisch. (Althans op zangtechnisch gebied; stilistisch was zij iets minder veeleisend.)

Nu Universal van Norman's erfgenamen toestemming heeft gekregen voor het uitbrengen van ongepubliceerd materiaal, kunnen we alleen maar blij zijn dat indertijd zo'n ruime selectie (ruim 66 minuten) kon worden opgenomen. Dat het beslist niet de bedoeling van Philips was om alleen maar 'proefopnamen' te maken, blijkt ook uit de keuze van de overige solisten en het feit dat er meer werd opgenomen dan alleen maar muziek van Isolde. De selectie begint dan ook met een met gloed en grote autoriteit gespeeld voorspel, onmiddellijk gevolgd door het lied van een met Ian Bostridge als galabezetting gepresenteerde Steuermann.

Een ander pluspunt is de jeugdige Brangäne van Hanna Schwarz, hier nog even slank van klank als ik mij herinner van die onvergetelijke voorstellingen onder Hans Vonk bij DNO in 1979. Jeugdige straling en een relatief slank timbre kenmerken ook de Tristan van Thomas Moser die misschien zelfs beter had gepast bij de Isolde van de vocaal eveneens tamelijk slanke Hildegard Behrens dan bij de vaak naar de mezzosopraan neigende Jessye Norman. Aan de andere kant bezit de ook hier weer magnetische zang van de Amerikaanse sopraan een autoriteit die haar weer uniek maakt, en die ruimschoots opweegt tegen het feit dat zij in tekstbehandeling en articulatie de meerdere moet erkennen in haar Duitstalige collega's.

De tweede cd bevat live-opnamen uit Berlijn van Strauss' Letzte Lieder en Wagner's Wesendonk-Lieder (de naam Wesendonk hier - zoals vrijwel overal - foutief gespeld als Wesendonck) met een tussenpoos van drie jaar uitgevoerd met de Berliner Philharmoniker onder leiding van James Levine. De grootste concurrentie bij de cyclus van Strauss is natuurlijk haar eigen opname met Masur uit 1982 die ik ook op punten prefereer. De belangrijkste verschillen zijn het iets hogere en daardoor soms minder 'vredige tempo' van Levine en een balans die iets meer ten gunste van het orkest werkt. Maar in beide gevallen inderdaad 'iets', een fractie dus. Norman is in deze muziek wederom superieur en wie de eerste opname niet kent, mist in feite niets.

In de Wesendonk-Lieder heb ik eveneens het gevoel dat Levine hier en daar net een fractie meer rust in het tempo had kunnen leggen. Hier betreft het echter de enige (mij bekende) opname die Norman van deze cyclus maakte en ik vraag mij verbaasd af waarom wij daar dertig jaar op hebben moeten wachten. Met een bijna introverte benadering die helemaal stoelt op eenvoud en het voor zich laten spreken van tekst en muziek is dit een van de integerste, minst 'geïnterpreteerde' vertolkingen die ik ken. Misschien is het ook juist een voordeel dat Norman Isolde nooit op het toneel gezongen heeft. Juist door het ontbreken van iedere theatrale suggestie bereikt haar zang hier een ongekende intensiteit.

Na twee cd's met muziek van de beide Richards is de derde cd met door Seiji Ozawa uitmuntend begeleide live-opnamen uit Boston (en evenals de vorige met een nauwelijks merkbaar publiek) een aanduiding van Norman's veelzijdigheid. Haar Scena di Berenice laat een in de recitatieven lichte, in de cantabiles naar het romantische neigende Haydn horen met een emotioneel palet dat doet betreuren dat zij nooit Donna Elvira in Mozart's Don Giovanni heeft vastgelegd.

Helemaal 'thuis' lijkt zij vervolgens in de 'scène lyrique' Cléopâtre van Berlioz, een componist met wie zij ontegenzeglijk een grote affiniteit had. Het driedimensionale beeld van de Egyptische koningin dat zij puur door haar zang weet op te roepen, doet wederom betreuren dat wij wel een officiële opname hebben van haar Cassandre in Les Troyens, maar niet van Dido,, de rol die haar van al haar operarollen misschien het meest na aan het hart heeft gelegen. (Klik hier voor het interview dat ik ooit met haar had en waarin dergelijke onderwerpen uitgebreid aan de orde kwamen.)

Een andere aanwinst is de cantate Phaedra van Britten naar een deel uit Phèdre van Racine, een werk uit 1975 (een van Britten's laatste) en chronologisch gezien waarschijnlijk de modernste (klassieke) muziek die Norman heeft gezongen. Een bijzonder waardevolle aanvulling van haar discografie, niet alleen omdat het dramatische karakter duidelijk een kolfje naar haar hand was en haar de mogelijkheid bood de breedte van haar vocale palet te demonstreren. Het is bovendien een leuke tegenhanger van haar Phèdre in Hippolyte et Aricie van Rameau, waarvan een fragment op YouTube te vinden is.

N.B. Bovenstaande bespreking is gebaseerd op digitale kopieën ('downloads' heet dat in modern Nederlands) die via internet aan de pers beschikbaar werden gesteld. Gefundeerde informatie omtrent de fysieke presentatie is dus onmogelijk.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links