CD-recensie

Een zingende actrice zonder weerga

 

© Paul Korenhof, november 2014

 

Martha Mödl - The Queen of Drama in Opera

Fragmenten uit opera's van Wagner (Rienzi, Die Walküre, Siegfried, Götterdämmerung, Tristan und Isolde, Parsifal), Verdi (Macbeth, Don Carlos, La forza del destino, Un ballo in maschera), R. Strauss (Elektra,), Beethoven (Fidelio), Purcell (Dido and Aeneas), Bizet (Carmen), Offenbach (Les Contes d'Hoffmann), Moesorgski (Boris Godoenov), Orff (Antigonae), Stravinsky (Oedipus Rex) Beethoven: Zes liederen, op. 48, Wagner: Wesendonck Lieder

Martha Mödl, Anny Konetzni, Irmgard Seefried, Sena Jurinac, Anneliese Rothenberger Anny Schlemm, Elisabeth Schwarzkopf, Rita Streich, Astrid Varnay, Walburga Wegner (sopraan), Johanna Blatter, Maria von Ilosvay, Gisela Litz, Ira Malaniuk (mezzosopraan), Anton Dermota, Lorenz Fehenberger, Waldemar Kmentt, Max Lorenz, Lauritz Melchior, Peter Pears, Rudolf Schock, Ludwig Suthaus, Set Svanholm, Ramon Vinay, Wolfgang Windgassen (tenor), Dietrich Fischer-Dieskau, Ferdinand Frantz, Hans Hotter, Benno Kusche, George London, Josef Metternich, Gustav Neidlinger, Hermann Uhde, Alexander Welitsch (bariton), Josef Greindl, Ludwig Weber (bas) e.a.
Michael Raucheisen (piano)
Diverse orkesten o.l.v. Wilhelm Furtwängler, Heinrich Hollreiser, Herbert von Karajan, Joseph Keilberth, Hans Knappertsbusch, Clemens Krauss, Ferdinand Leitner, Dimitri Mitropoulos, Arthur Rother, Hans Schmidt-Isserstedt, Wilhelm Schüchter, Fritz Stiedry, Igor Stravinsky, Eugen Szenkar

Membran Documents 600188 (10 cd's)

Opname: 1950-1958

 

Onlangs besprak ik uit dezelfde serie vocale portretten van Membran een schitterende doos met tien cd's vol opnamen van Astrid Varnay (klik hier) waarnaar ik niet uitgeluisterd raakte. Prompt daarop verscheen een gelijksoortige uitgave met de stem van haar zes jaar oudere collega Martha Mödl (1912-2001) en dat leidt nu tot een paar gewetensvragen: wie is 'beter' ofwel: wie heeft mijn voorkeur? De tweede vraag bewaar ik tot het slot van deze beschouwing, de eerste is onmogelijk te beantwoorden. Ik heb beide dames niet in het theater meegemaakt toen zij op het hoogtepunt van hun beider carrière in Bayreuth stuivertje wisselden met rollen als Isolde, Kundry en Brünnhilde, waarbij de een niet zelden de Derde Norn zong in een Götterdämmerung waarin de ander de hoofdrol vertolkte. Zo ging dat toen in Bayreuth, maar het tekent ook de mentaliteit van beide dames, die het als collegae opperbest met elkaar konden vinden.

Het verschil tussen beiden kan misschien het beste als volgt omschreven worden: Varnay was een fenomenale zangeres die ook uitstekend acteerde, maar Mödl was een fenomenaal actrice die ook uitstekend kon zingen. Meer dan wat ook was Mödl een theaterdier dat zich even goed thuis voelde in een toneelstuik waarin zij geen noot te zingen had, als in een goed geregisseerde opera. En als de regie niet optimaal was (wat zeker in die tijd regelmatig gebeurde), was zij mans genoeg om zelf het heft in handen te nemen en drama te creëren waar de regisseur dat had nagelaten.

Het belangrijkste verschil met Astrid Varnay is echter puur vocaal van aard. Varnay was een echte sopraan met bovendien een groot repertoire dat uiteenliep van meer lyrische partijen als Elsa en zelfs Amelia Grimaldi tot de zwaarste rollen in het Duitse dramatische repertoire. Pas later in haar carrière voegde zij daar mezzo-rollen aan toe, en dan vooral karakterpartijen met in het centrum natuurlijk Klytämnestra.
Bij Martha Mödl verliep de ontwikkeling anders. Haar stem was van huis uit die van een warme mezzosopraan, bijna een alt, en tot de rollen in haar beginperiode behoorden dan ook Eboli, Carmen, zelfs Ulrica en ook toen al Klytämnestra. En hoe fascinerend die rol kan zijn , als die niet gezongen wordt door een bijna afgezongen 'hoogdramatische' sopraan, maar door een volle mezzosopraan in de bloei van haar leven, bewijst het fragment in deze verzameling uit de Scala-opname onder Mitropoulos uit 1950, gezongen door een toen 'pas' 38 jaar oude Mödl.
Mede door Lady Macbeth (in Duitsland toen regelmatig gezongen door een mezzosopraan met hoogte) werd zij zich steeds meer bewust van haar mogelijkheden in het sopraanvak en dat leidde in het begin van de jaren vijftig tot de start van haar tweede carrière. Tot de e4este hoogtepunten daarin behoren vooral diverse Fidelio's onder Furtwängler, een legendarische Tristan und Isolde onder Karajan in Bayreuth in 1952 en de onlangs door mij gesignaleerde Ring die Furtwängler in 1953 voor de RAI dirigeerde (klik hier). In de jaren daarna wijdde zij zich vooral aan de muziek van Wagner, met buiten Isolde, Kundry, Brünnhilde en de Derde Norn ook af en toe een Sieglinde en natuurlijk de Wesendonck Lieder. Heel toepasselijk horen we haar hier echter ook nog even in 1952 in een aria van Adriano uit Rienzi , een rol die Wagner schreef voor de sopraan Wilhelmine Schröder-Devrient (voor haar schreef hij eveneens Senta), maar die tegenwoordig meestal door een mezzosopraan gezongen wordt. Na 1958 keerde zij echter weer terug naar het mezzovak, nu met de nadruk op karakterpartijen (haar gravin in Schoppenvrouw behoorde tot de grote creaties die in die tijd in het theater te zien waren), terwijl zij daarnaast ook optrad in toneelstukken en zelfs deinsde zij er niet voor terug zich een keertje uit te leven in een tv-komedies.

Natuurlijk worden ook de delen uit niet-Duitse opera's hier in het Duits gezongen en ik zou het mij niet anders kunnen voorstellen. Zoals ik mij Callas niet kan voorstellen in combinatie met het soort regisseurs dat wij maar al te vaak in een hedendaags operatheater aantreffen, zo past Mödl niet in een Verdi-opera die in het Italiaans gezongen wordt. Daarvoor was zij te veel de actrice die constant bezig was de diepste betekenissen van haar tekst naar een theatrale expressie te vertalen, en als een Duitse zangeres voor een Duits publiek heb je daarvoor ook een Duitse tekst nodig. Ik begin steeds meer tot de overtuiging te komen dat het moderne zingen 'in de taal van de componist' in veel gevallen toch vooral economisch en gemakzuchtig onderbouwd is! Als de redenen daarvoor puur artistiek zouden zijn, zou bijvoorbeeld overal ter wereld Don Carlos in het Frans worden uitgevoerd, maar dat is nog altijd meer uitzondering dan regel! (Aan de andere kant: de tegenwoordig overal gebruikelijke 'Franse' Carmen is vaak eerder 'onartistiek' te noemen!)

Het merendeel van de Wagner-fragmenten in deze selectie (twee cd's Tristan und Isolde , drie cd's Die Walküre , slechts één cd Siegfried en Götterdämmerung samen, één cd Parsifal) met grote delen uit de Knappertsbusch- Parsifal van 1951 en de Karajan- Tristan , twee van de meest legendarische uitvoeringen waaraan Mödl ooit meewerkte. Daarnaast - en dat is wellicht het aantrekkelijkste van deze uitgave - horen we onder meer haar complete Sieglinde uit de Walküre die zij in 1954 zong onder Josef Keilberth. Brünnhilde is naar verhouding helaas minder goed vertegenwoordigd (de tweede akte uit Götterdämmerung ontbreekt zelfs geheel), maar gelukkig voor de verzamelaar heeft Testament enkele jaren gelden het slotdeel van de tetralogie in de uitvoering onder Keilberth uit 1955 compleet uitgebracht als aanvulling op de complete Ring uit dat jaar met Astrid Varnay en Gré Brouwenstijn.

De artistieke verschillen tussen de diverse uitvoeringen hebben vooral betrekking op de dirigenten (Arthur Rother heeft in Tristan und Isolde bijvoorbeeld de neiging een beetje aan het tempo te trekken), maar de vertolking van Mödl zijn opmerkelijk constant en komen met overweldigende overtuigingskracht de luidsprekers uit. Afgezien van onder andere ietwat bonkende bassen in de Karajan- Tristan uit Bayreuth zijn de opnamen over het algemeen gelukkig heel helder en rustig, op het verbluffende af! Wel zijn er wel verschillen in volume, bijvoorbeeld op cd 4 bij de overgang van de Liebestod onder Rother (Berlijn 1952) naar de beduidend zachter klinkende delen uit onder Keilberth (München 1958), terwijl de bonkende bassen mij een beetje stoorden.

Een vergelijking tussen Mödl en Varnay blijft moeilijk. Daarvoor hadden beide dames te veel hun specifieke repertoire en eigenlijk overlapten zij elkaar alleen maar met Fidelio en vier grote Wagner-partijen. Bovendien is het moeilijk om puur auditief te vergelijken, zonder het theatrale aspect, zeker als het om Mödl gaat. Ik denk dat haar Fidelio in de zaal mogelijk intenser is geweest, die van Varnay hartstochtelijker en misschien zelfs geloofwaardiger.

Bij Wagner blijft Kundry de rol die Mödl ook vocaal op het lijf geschreven lijkt, maar dat is niet verwonderlijk: die rol doet het altijd goed in handen van een mezzosopraan met hoogte, zoals decennia lang bewezen is door Waltraud Meier, die eveneens furore maakte als Isolde. Tot op zekere hoogte geldt dit ook voor Sieglinde en de eerste akte onder Keilberth (Bayreuth 1954) is een absoluut hoogtepunt van deze uitgave, mede door de heerlijk breed uitgezongen Siegmund van Max Lorenz en de meer dan levensgrote, granieten Hunding van Josef Greindl.

Prefereer ik dus Mödl als Kundry en Sieglinde, als Isolde zijn zij en Varnay voor mij gelijkwaardig, maar voor Brünnhilde gaat mijn voorkeur toch uit naar het stralende sopraantimbre van Astrid Varnay, al doet dat niets af aan mijn bewondering voor de grootse vertolkingen van Mödl. Interpretatief blijft 'de Duitse Duse' op eenzame hoogte staan. Jammer is wel dat het kennelijk nooit mogelijk is geweest beide dames samen te brengen in een goede opname van Strauss' Elektra . Dat had muziekdrama van het allerhoogste niveau kunnen worden!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links