CD-recensie

Zwakke 'grand opéra' blijkt krachtig muziekdrama

 

© Paul Korenhof, augustus 2014

 

Meyerbeer: Vasco de Gama
(originele versie van L'Africaine)

Bernhard Berchtold (Vasco de Gama), Claudia Sorokina (Sélika), Pierre-Yves Pruvot (Nélusko), Guibee Yang (Inès), Kouta Räsänen (Don Pédro), Rolf Broman (Le Grand Inquisiteur de Lisbon, Le Grand Prêtre de Brahma), André Riemer (Don Alvar), Martin Gäbler (Don Diégo), Tiina Penttinen (Anna), Tommaso Randazzo (Un matelot, Un prêtre), Harald Meyer (L'huissier). koor van de Opera van Chemnitz, Robert-Schumann-Philharmonie o.l.v. Frank Beermann

CPO 777 828-2 (4 cd's)

Opname: Chemnitz, 4-7 februari 2013

   

Toen Riccardo Muti in 1971 in Florence L'Africaine terugbracht op het repertoire in een spectaculaire productie met Jessye Norman en Veriano Luchetti, bevatte de totale voorstelling ruim 160 minuten muziek. Twee jaar later volgde de San Francisco Opera met een voorstelling onder Jean Perisson met Shirley Verrett, Evelyn Mandac, Pládico Domingo en Norman Mittelman, die met ruim 175 minuten muziek nog een kwartier langer duurde. We leken op de goede weg, maar andere theaters waren minder ondernemend en als men zich al om Meyerbeer's laatste partituur bekommerde, hoorden we meestal hooguit twee en een half uur muziek. Aandacht bleef er echter nog wel en dat resulteerde onder meer in voorstellingen in München in november 1977 met Martina Arroyo en Giorgio Casellato-Lamberti en vrijwel gelijktijdig in Barcelona met Montserrat Caballé en wederom Domingo.
De enige productie in die jaren die werkelijk moeite deed de structuur van het werk tot haar recht te laten komen, was die in London in 1978 met Grace Bumbry en nogmaals Domingo, bij een reprise in 1981 met Franco Bonisolli met ruim drie volle uren muziek. Daarna werd het weer een tijdje stil rond Meyerbeer's laatste opera. Af en toe was er wel ergens een (sterk bekorte) uitvoering, maar pas in 2013, na de publicatie van de gereviseerde partituur, ontstond er nieuwe belangstelling met opmerkelijke voorstellingen in Venetië, uitgezonden door de RAI (ook overgenomen door de NTR), en in Chemnitz, uitgezonden door Deutschlandradio Kultur en door cpo op cd uitgebracht.

Inmiddels is de serieuze musicologie zich zowaar ook met de partituren van de lang miskende Meyerbeer gaan bezighouden en in het geval van L'Africaine leverde dat een werk op dat niet alleen nog een vol uur langer duurde dan de langste tot dan toe bekende versie, maar die ook veel logischer in elkaar zit. In het verleden heeft menigeen zich vrolijk gemaakt over een opera met de titel 'De Afrikaanse', terwijl de vrouwelijke hoofdpersoon toch een Indische prinses is en een groot deel van de opera zich ook alleen maar in India kan afspelen, tegen de achtergrond van de Brahma-cultus. Het werd gezien als het zoveelste bewijs dat de 'grand opéra' louter gericht was op oppervlakkig effectbejag door onder meer het gebruik van exotische decors, ook als die nergens op sloegen. Logica en geloofwaardigheid interesseerden Meyerbeer kennelijk evenmin als zijn librettist Eugène Scribe en bij zo'n redenering wordt het zelfs voorstelbaar dat voor wijlen Gerard Mortier de hele 19de eeuw hooguit veertig tot zestig werken heeft opgeleverd die de moeite waard zijn.

Hoewel ik altijd grote bewondering heb gehad voor opera's als Les Huguenots, Le Prophète en Le Pardon de Ploërmel, ben ik trouwens zelf bij L'Africaine nooit verder gekomen dan waardering voor de muziek. De personages en de handeling stonden voor mij niet op het niveau dat ik toch van Meyerbeer gewend was, al was ik wel altijd geïntrigeerd door de opmerking van Leo Riemens, dat er naast de bekende partituur een 'supplement' van ruim twintig aria's, duetten en ensembles moest bestaan. Ik ging er echter van uit dat dit het resultaat was van de talloze omwerkingen van een partituur waaraan de componist vijftien jaar gewerkt had, letterlijk tot op de dag van zijn dood, en dat dit supplement vooral bestond uit alternatieve muziek voor mogelijke andere solisten..

Inmiddels weten we dat L'Africaine in eerste instantie inderdaad een verhaal was over een Afrikaanse prinses. Haar liefde voor een onbekende Portugese zeeman boeide Meyerbeer echter steeds minder dan en het werk werd onderbroken ten gunste van onder meer Le Pardon de Ploërmel . Toen hij later de draad weer werd opgepakt, besloot hij in overleg met Scribe Vasco da Gama tot hoofdpersoon te maken om het werk aldus meer historisch kader en meer diepgang te geven. Componist en librettist beseften echter dat het nu noodzakelijk werd het Afrikaanse deel van de handeling te verleggen naar India en op dat moment werd ook de titel veranderd in Vasco de Gama.
Na de dood van Meyerbeer nam diens collega François-Joseph Fétis de taak op zich het werk op het toneel te brengen en daarbij ging hij rigoureus te werk. De partituur werd drastisch ingekort en ook gewijzigd, en om het publiek te tonen dat het inderdaad ging om de opera waaraan de zo populaire Meyerbeer vijftien jaar eerder begonnen was, veranderde hij de titel weer terug naar L'Africaine, iets wat hij zonder tegenstand kon doen omdat Scribe al eerder was overleden. Aan het verhaal zelf veranderde hij echter niets en alle hoon die sindsdien door critici en dramaturgen over componist en librettist is uitgestort omdat zij kennelijk het verschil niet wisten tussen Afrika en India, trof dus twee onschuldigen. De blaam treft Fétis en niemand anders.

De Opera van Chemnitz durfde het vorig jaar aan de kritische uitgave van Meyerbeer's partituur compleet op het toneel te zetten, of bijna compleet, want het schijnt dat er enkele coupures zijn gemaakt in het laatste bedrijf. Terecht, want met alleen al een slotscène van ruim een half uur is de rol van Sélika nu al bijna onzingbaar. Al met al blijft er bovendien 255 minuten muziek over (een gemiddelde voorstelling van de Meistersinger duurt maar een paar minuten langer), maar tot mijn verbazing bleek dat bij beluistering van de cd's beslist niet te lang, al weet ik natuurlijk niet hoe ik gereageerd had als ik de hele voorstelling in het theater had meegemaakt.
Zo rommelig en inconsequent als de door Fétis ingekorte versie was, zo boeiend en tegelijk ook consequent is de originele partituur, waaruit duidelijk valt op te maken dat Meyerbeer niet alleen maar een spectaculaire show op het toneel wilde zetten. Hij heeft zich merkbaar bekommerd om de personages en de vooral 'Indische delen' getuigen van zijn streven om historische en vooral etnische achtergronden in de muziek te verwerken. Hij werd daarin gesteund door het libretto van Scribe, dat ook beter blijkt dan ik verwachtte en waarin de bekende tenoraria 'O paradis' in deze versie beter geïntegreerd is en meer sfeer bijdraagt dan ik gewend ben. Opvallend is trouwens ook dat de oorspronkelijke versie begint met de veel realistischer tekst 'O doux pays' die de figuur van Vasco menselijker proporties geeft dan het romantisch gezwijmel dat Fétis kennelijk voor ogen stond.

Muzikaal is de originele partituur een effectief brok muziektheater waarvan zelfs Verdi waarschijnlijk het een en ander heeft opgestoken voor zijn Don Carlos . Dat hij de versie van Fétis gekend heeft, staat wel vast, maar het zou mij niet verbazen als hij ook Meyerbeer's manuscript onder ogen heeft gehad en de finale van het eerste bedrijf heeft een climax waarvoor de Italiaanse componist zich niet zou hoeven te schamen. Niet alleen Verdi schoot mij trouwens in de gedachten. We weten dat Berlioz ooit erg enthousiast was over Robert le Diable, maar de partituur van Vasco de Gama suggereert dat die bewondering wederzijds was. Zo brengt Meyerbeer bijvoorbeeld met de droomscène van Vasco aan het begin van het tweede bedrijf ondubbelzinnig hulde aan Berlioz door een niet te missen verwijzing naar het lied van Hylas in Les Troyens.

Hoewel de rol van de Indiase prinses Sélika ook wel gezongen is door een mezzosopraan met hoogte, is het een echte sopraanpartij, iets donkerder van timbre dan de Inès, de 'eerste sopraan', en de vergelijking met Rachel in La Juive, Alice in Robert le Diable, en Valentine in Les Huguenots ligt voor de hand. De eerste Sélika in 1864 was dan ook de Belgische zangeres Marie Sasse (ook bekend als Sass, Sax en Saxe), een zangeres die nota bene in 1852 gedebuteerd was als Gilda in Rigoletto. In 1859 trad zij voor het eerst in Parijs op als de gravin in Le nozze di Figaro, in 1861 koos Wagner haar als Elisabeth voor de Parijse première van Tannhäuser, en als dat nog niet genoeg indicatie is: twee jaar na Sélika zong zij de wereldpremière van Verdi's Don Carlos, niet als Eboli, maar als Elisabeth de Valois, een van Verdi's meest lyrische sopraanpartijen. Binnen de huidige zangerswereld zouden op dit moment Anna Catarina Antonacci en Eva Maria Westbroek ideaal zijn, twee zangeressen die in Les Troyens zowel Cassandre als Didon gezongen hebben, maar ook een Verdi-sopraan als Krassimira Stoyanova zou met deze partij uitstekend uit de voeten kunnen en misschien zelfs een hoge mezzosopraan als Elina Garanca.

Evenals Marie Sass is de Russische Claudia Sorokina van oorsprong een lyrische sopraan die zich ook in het coloratuurrepertoire thuis voelt. Zij debuteerde als Micaëla in Carmen en zong drie jaar geleden zelfs Isabelle in Robert le Diable, en niet zoals ik op grond van haar Sélika zou verwachten, de 'donkerder' rol van Alice. Hier heeft zij de zware taak om geleidelijk de dragende rol in deze opera van de tenor over te nemen, waarbij de laatste twee bedrijven eveneens schatplichtig zijn aan Les Troyens met onmiskenbare parallellen tussen zowel Didon en Sélika als Énée en Vasco. Sorokina doet dat uitstekend met een vocalistiek en een persoonlijkheid die een Didon in een groot theater niet zouden misstaan.

Daarmee kom ik dan bij het algehele peil van deze uitvoering in een Duits 'provincietheater', want dat is Chemnitz in feite toch. Gelukkig wordt er in menig Duits provincietheater meer aandacht (en veel meer geld!) aan muziek en theater besteed dan in ieder van de drie Nederlandse grote steden en dat maakt dat Chemnitz zich de afgelopen jaren een naam kon verwerven als pleitbezorger van minder bekend repertoire. Toch komt het nog als een enorme verrassing dat chefdirigent Frank Beermann en zijn mensen er zelfs in slaagden deze gigantische opera van Meyerbeer tot leven te wekken - en dan nog op een niveau dat internationaal aandacht verdient (en zeker ook enige jaloezie!).
Natuurlijk staan niet alle bijrollen daarbij op het niveau van de Parijse Opéra in de tijden van Meyerbeer, en ook is de zang niet altijd even idiomatisch Franse, al wekt ook op dat punt deze uitvoering zonder meer mijn bewondering. Na de Sélika van Sorokina gaat mijn waardering daarbij vooral naar de Vasco van Bernhard Bechtold, een lichte spinto-tenor (demi-caractère zouden de Fransen zeggen) die vooral de lyriek in zijn partij benadrukt.
Dramatiek komt in hoge mate van de bariton Pierre-Yves Pruvot als de slaaf Nélusco, soms een beetje vibrerend en ook niet helemaal met het bronzen geluid van een echte zanger als Jean Borthayre (of eventueel Giuseppe Taddei), maar ook in Frankrijk schijnt de dramatische bariton uitgestorven te zijn. Ten opzichte van de 'Fétis-versie' heeft zijn rol echter aanmerkelijk aan importantie gewonnen en Pruvot weet dankbaar gebruik te maken van de kansen die hem daardoor geboden worden. Mooi, betrouwbaar maar een beetje kleurloos is de Inès van de sopraan Guibee Yang (maar ook haar rol blijft een beetje kleurloos), en verder valt er onder meer een markante Don Pédro van de bas Kouta Räsänen te beluisteren.

Tot slot een woord van lof voor het koor van de Opera van Chemnitz en vooral voor de Robert-Schumann-Philharmonie die onder de merkbaar bezielend eleiding van Beermann deze immense partituur met grote zorg en op een hoog muzikaal niveau tot klinken heeft gebracht. Terwijl in Nederland het tweede nationale operagezelschap door een politicus zonder enig cultureel gevoel - en al helemaal zonder enig cultureel inzicht - zo vakkundig om zeep werd gebracht, dat een reeds geplande Ring des Nibelungen moest worden afgeblazen, realiseert de Opera van Chemnitz wel projecten op dit niveau. We zullen het er maar op houden dat ieder land de politici krijgt die het verdient . . .

De voortreffelijke opname, helder en met veel theatersfeer, werd gerealiseerd door Deutschlandradio Kultur en door cpo uitgebracht in een lijvige cassette met vier cd's en een eveneens lijvig cd-boekje van 212 pagina's. Met zo'n omvangrijk libretto kon dat niet anders, maar helaas werkte dat ook een beetje negagief. Het gekozen lettertype voor zowel het libretto als de overige teksten is namelijk oncomfortabel klein geworden en het zou een goede zaak zijn als cpo deze teksten ook via de site digitaal ter beschikking zou stellen.

Na de herontdekking van Robert le Diable, ingezet met een inmiddels legendarische voorstelling in de Parijse Opéra in 1985, en de absoluut complete versie van Les Huguenots die Minkowski in 2011 in Brussel realiseerde is deze opname van Vasco de Gama opnieuw een bewijs dat Meyerbeer een eeuw lang ten onrechte ondergewaardeerd en vaak zelfs totaal miskend is. Zijn belangrijkste werken verdienen niet alleen aandacht vanuit historisch oogpunt. maar als muziekdrama's staan zij op een aanmerkelijk hoger niveau dan menigeen ons in het voetspoor van Wagner heeft willen doen geloven. Helaas weten we ook dat het 'wegschrijven' van Meyerbeer meestal gebeurde door critici die niet de moeite hadden genomen zelf enig onderzoek te doen. Het is een lot dat Meyerbeer overigens deelt met diverse andere componisten, zeker binnen het Franse repertoire.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links