CD-recensie

 

© Paul Korenhof, juni 2014

 

Martin: Der Sturm

Ethan Herschenfeld (Alonso), Josef Wagner (Sebastian), Robert Holl (Prospero), James Gilchrist (Antonio), Simon O'Neill (Ferdinand), Andreas Macco (Gonzalo, Ein Schiffspatron),
Marcel Beekman (Adrian), Dennis Wilgenhoff (Caliban), Roman Sadnik (Trinculo), André Morsch (Stephano), Thomas Oliemans (Bootsmann), Groot Omroepkoor, Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Thierry Fischer

Hyperion CDA68621/3 (3 cd's)

Opname: Concertgebouw, Amsterdam, 11 oktober 2008

 

Dat Shakespeare mijn favoriete toneelschrijver is zal geen lezer van mijn beschouwingen verbazen. Met De storm heb ik echter altijd problemen gehad, vooral omdat ik moeilijk uit de weg kon - en nog steeds kan - met de figuur van Prospero, ondanks alle menselijkheid die Shakespeare hem heeft meegegeven. Of misschien is hij zelfs iets te menselijk? Zijn manipulatiedrang grenst aan machtswellust (zijn houding tegenover Ariel heeft vooral in de eerste helft van het stuk veel weg van die van een slavendrijver), zijn gedrag tegenover Caliban vertoont overeenkomsten met racistisch getinte superioriteit en als een regisseur hem suggesties van een incestueus gevoel voor zijn dochter Miranda geeft, zal ik mij niet geschokt voelen. In de loop der jaren ben ik er echter van overtuigd geraakt dat De storm eerder een menselijke tragedie is dan de idylle die mijn leraren erin zagen en die ik nooit kon terugvinden. Evenals bij Een midzomernachtsdroom, zogenaamd een blijspel, maar voor mij Shakespeare's meest pessimistische kijk op de mensheid, ligt ook in zijn zwanezang de nadruk op schijn en desillusie, met de nadruk op desillusie.

Al die gevoelens kwamen bij mij weer boven toen ik enkele weken geleden een voorstelling zag door Het Nationale Toneel in de regie van Johan Doesburg, waaraan ik meteen moet toevoegen dat het de eerste voorstelling van De storm was die echt helder op mij overkwam, vermoedelijk doordat Doesburg in al zijn geactualiseerde directheid korte metten maakte met het verheven en mythische element dat dit stuk meestal aanhangt.
Door die onvrede met de traditionele benadering ben ik ook nooit echt doorgedrongen in de lp van Dietrich Fischer-Dieskau met monologen uit Der Sturm van Frank Martin, de opera die in 1955 in Wenen in première ging en waarin de Duitse bariton eigenlijk de hoofdrol had moeten zingen. Hoewel ik sinds een voorstelling van Monsieur de Pourceaugnac tijdens het Holland Festival 1963 een groot bewonderaar ben van Martin (delen van deze Molière-opera heb ik nu nog in mijn oren!), heeft een kennismaking met de complete partituur van Der Sturm moeten wachten tot de ZaterdagMatinee van 11 oktober 2008. Eigenlijk onvoorstelbaar dat het zo lang heeft geduurd eer Nederland kon kennismaken met dit hoofdwerk van de componist die hier zo'n belangrijk deel van zijn leven heeft doorgebracht, en die al enkele jaren vóór de complete opera voor het Nederlands Kamerkoor de Five Songs of Ariel componeerde.

Die Five Songs, die op 7 maart 1953 in première gingen, lagen - ditmaal in de Duitse vertaling van August Wilhelm von Schlegel - aan de basis van de complete opera waaraan hij in 1952 was begonnen en waarin de luchtgeest Ariel, een van Shakespeare's intrigerendste creaties, inderdaad door koorstemmen vertolkt wordt. Ten dele kwam Martin hiervan terug toen hij bij een latere voorstelling in Genève deze rol toevertrouwde aan een danseres en actrice, omdat hij had gemerkt dat Ariel's tekst anders voor het publiek verloren ging.

Luisterend naar de nu uitgebrachte cd's, verbaast het mij weer dat zo weinig componisten zich aangetrokken voelden tot een werk dat voor het operatoneel geschreven lijkt, niet alleen door Ariel's liederen, Caliban's verwijzing naar 'de muziek van het eiland' en de licht extravagante handeling met zelfs enkele kluchtscènes van een type dat in Verdi's Falstaff en Strauss' Ariadne auf Naxos niet zou misstaan. Ook de totale structuur met een storm aan het begin en resignatie aan het slot (de parallel met Boito's versie van Otello ligt voor de hand) vraagt om muziektheater en Martin besefte dat heel goed toen hij besloot voor dit werk een heuse ouverture te schrijven als tegenhanger van Prospero's epiloog aan het slot.
De partituur van Martin, die overigens meer de traditionele visie op dit stuk deelt dan mijn pessimistische benadering, is zo kleurrijk en afwisselend als men zich wensen kan, waarbij de componist er duidelijk voor heeft gezorgd dat de instrumentatie nergens de verstaanbaarheid van de zangpartijen in de weg zou staan. Dat dit ook nog eens talloze instrumentale juweeltjes heeft opgeleverd, is extra winst in deze partituur waarin ook nog eens diverse citaten en jazzinvloeden op verbluffend knappe wijze geïntegreerd zijn. Om bij de komische scènes van Caliban, Trinculo en Stephano instrumentaal meer te kunnen uitpakken, werd de zang daar dichter bij de spreektaal gehouden, wat bovendien een effectief dramatisch onderscheid opleverde met de scènes rond Prospero, Miranda en de jonge Ferdinand.
De verklanking door het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Thierry Fischer getuigt vanaf de sfeervolle opening tot Prospero's prachtige slotmonoloog van de liefde die deze Zwitserse dirigent de muziek van zijn landgenoot toedraagt. Het aandeel van het Groot Omroepkoor sluit daar mooi bij aan, zeker door de manier waarop Martin de rol van Ariel instrumentaal heeft ingebed met subtiel gebruik van onder meer een clavecimbel. Niet alleen vanwege de tekst, maar ook vanuit dramatisch oogpunt kan ik me echter voorstellen dat Martin deze rol later geïndividualiseerd heeft: muzikaal klinkt zijn oorspronkelijke oplossing fascinerend, maar in het theater moet dat toch ten koste van het karakter van de luchtgeest zijn gegaan.

Prospero werd geschreven voor Fischer-Dieskau en gecreëerd door Eberhard Waechter, twee baritons die waarschijnlijk de onderdrukte woede en wraakzucht beter in hun stem konden leggen dan de nobele en bijna aartsvaderlijk klinkende Robert Holl. Diens zang en tekstbehandeling zijn boven iedere kritiek verheven, maar voor mij klinken de negatieve kanten in het karakter van Prospero bij hem minder door.
Ook Miranda had ik graag een fractie lichter gehoord dan Christine Buffle haar neerzet. Ik weet dat de eerste Miranda gezongen werd door de mezzosopraan Christa Ludwig, die overigens was ingevallen voor Irmgard Seefried, maar het gaat mij om het feit dat Miranda is opgegroeid op een eenzaam eiland waar zij geen andere menselijke wezens heeft gezien dan haar vader en Caliban, en waar Prospero haar bovendien heel bewust over tal van zaken onwetend heeft gehouden. De rol vraagt daarmee om iets van kinderlijke naïveteit en verbazing, en dat element mis ik bij Buffle. Afgezien van de sterk naar 'Italiaanse opera' neigende Ferdinand van de tenor Stuart O'Neill kan ik niet anders dan de rest van de rolbezetting voorbeeldig noemen, waarbij vooral de kundig binnen de grenzen gehouden Caliban van de bas Dennis Wilgenhoff mooi uit de verf komt.

De opname wordt gepresenteerd als een NTR-productie, hoewel zowel de NTR als de naam NTR in 2008 nog niet bestonden. Dat neemt niet weg dat de opnamestaf (van de NTS dus) uitstekend werk heeft verricht met een prachtig breed en helder geluidsbeeld dat de akoestiek van het Concertgebouw in volle glorie naar de huiskamer overbrengt. Soms zouden de stemmen naar mijn smaak alleen iets minder prominent mogen klinken, en dat geldt dan vooral de ietwat uit de toon vallende tenor van Stuart O'Neill.
Een klein schoonheidsfoutje van de cd-productie is het soms abrupt wegvallen van de akoestiek na afloop van een scène. Wel heeft Hyperion gekozen voor een luxueuze uitgave op drie cd's zodat elk van de drie afzonderlijke bedrijven heerlijk ruim op zijn eigen cd staat. Voor het cd-boekje ging men minder genereus te werk. Juist bij dit werk had het libretto een letter van een punt groter verdiend.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links