CD-recensie

Callas Live Remastered

 

© Paul Korenhof, april 2018

 

Verdi: Nabucco - Napels 1949 (2cd's)
Wagner: Parsifal - Rome (RAI) 1950 (3 cd's)
Verdi: I vespri siciliani - Florence 1951 (3 cd's)
Verdi: Aida - Mexico City 1951 (2cd's)
Rossini: Armida - Florence 1952 (2cd's)
Verdi: Rigoletto - Mexico City 1952 (2cd's)
Bellini: Norma - Londen 1952 (2cd's)
Verdi: Macbeth - Milaan 1952 (2cd's)
Cherubini: Medea - Milaan 1953 (2cd's)
Gluck: Alceste - Milaan 1954 (2cd's)
Spontini: La Vestale - Milaan 1954 (2cd's)
Giordano: Andrea Chénier - Milaan 1955 (2cd's)
Bellini: La sonnambula - Milaan 1955 (2cd's)
Donizetti: Lucia di Lammermoor - Berlijn 1955 (2cd's)
Donizetti: Anna Bolena - Milaan 1957 (2cd's)
Gluck: Ifigenia in Tauride - Milaan 1957 (2cd's)
Verdi: La traviata - Lissabon 1958 (2cd's)
Bellini: Il pirata - New York 1959 (2cd's)
Donizetti: Poliuto - Milaan 1960 (2cd's)
Puccini: Tosca - Londen 1964 (2cd's)

Parijs 1958, Hamburg 1959 & 1962, Londen 1962 & 1964 (3 Blue-ray discs)
Warner Classics (22 sets, 45 discs in box met extra een boekwerk van 214 pagina's; behalve het extra boekwerk ook los verkrijgbaar)

Klik hier voor de dvd-uitgave Maria Callas in concert (3 Blu-ray discs)


Noot vooraf:
De hierboven vermelde titels zullen stuk voor stuk hieronder besproken worden, chronologisch van boven af. Zodra een bespreking geplaatst is, wordt het mogelijk door het aanklikken van de titel meteen naar het betreffende gedeelte te gaan.

Op 16 september was het veertig jaar geleden dat Maria Callas in Parijs overleed, 53 jaar oud maar al dertien jaar nauwelijks meer dan een legende. Hoewel het aanvankelijk niet ontbrak aan plannen en voorstellen, had zij sinds haar laatste Tosca in Londen geen opera meer gezongen. Als wij enkele voorstellingen uit de oorlogsjaren, die zij in Griekenland doorbracht, niet meerekenen, had de carrière van de belangrijkste operazangeres van de vorige eeuw daarmee slechts achttien jaar geduurd, van 2 augustus 1947 tot 5 juli 1965. Wel liet zij zich door de tenor Giuseppe di Stefano nog overhalen tot een afscheidstournee in 1973-1974, een verstandige beslissing was dat niet. Haar feitelijke artistieke testament vormen de opnamen die wij bezitten van de masterclasses die zij in 1971 en 1972 gaf aan de Juilliard School of Music in New York.

Na de geslaagde en op sommige punten ook verrassende 'remastering' van Callas' studio-opnamen kwam Warner Classics ter gelegenheid van deze veertigste sterfdag met een nieuwe en nog belangrijker uitgave: een remastering van twintig live-opnamen. Gezien de kwaliteit van vooral de oudste banden moet dat moet een hele klus zijn geweest en het resultaat is ook niet bestemd voor hifi-fanaten die een opname vooral gebruiken om naar hun installatie te luisteren. Bovendien moesten er keuzes worden gemaakt, bijvoorbeeld uit de diverse opnamen van Norma en La traviata, en dat betekent dat sommigen hier echt hun favoriete uitvoering zullen missen.
Het zij zo, maar om deze uitgave alle recht te doen, heb ik besloten deze uitgave in onderdelen te bespreken, waarbij ik maandelijks een uitzending van Opera Actueel zal gebruiken om mijn besprekingen met fragmenten te illustreren. Daarbij zal ik mij houden aan de chronologische volgorde en omdat het geen zin heeft het wiel opnieuw uit te vinden, zal ik bij iedere opname ook teruggrijpen op de mening van John Ardoin, de meest deskundige onder alle 'Callas-kenners', die in The Callas Legacy *) alle opnamen op onvolprezen wijze geanalyseerd heeft.

*) Ardoin: The Callas Legacy, revised edition. Duckworth, Londen 1982

*****

 

Verdi: Nabucco
Gino Bechi (Nabucco), Gino Sinimberghi (Ismaele), Luciano Neroni (Zaccaria), Maria Callas (Abigaille), Amalia Pini (Fenena), Iginio Riccò (Il Gran Sacerdote), Luciano Della Pergola (Abdallo), Silvana Tenti (Anna)
Teatro San Carlo di Napoli
Dirigent: Vittorio Gui
Opname: Napels, 20 december 1949

Het duurt een half uurtje voordat Callas-Abigaille het toneel betreedt, maar dat werd ditmaal een verrassend half uurtje. Deze Nabucco die in 1949 door de RAI werd vastgelegd en die soms in de meest primitieve omstandigheden tot ons gekomen is, klinkt hier acceptabeler dan ooit. Het blijft een oude opname die niet bepaald op hoogwaardige studiobanden bewaard is gebleven, maar de klank is helderder en voller dan ik van diverse lp-uitgaven gewend ben. Alleen de storingsgeluiden, vooral tijdens Nabucco's aria, blijven hinderlijk.

Het belangrijkste is echter dat de technici zich zo beheerst hebben bij het schoonmaken. Te veel oudere opnamen, waaronder zelfs een prestigieuze reeks Callas-cd's, zijn niet om aan te horen door een rigoureuze schoonmaakactie die vooral bestond uit het wegfilteren van ruis. Ik heb nooit begrepen dat de 'operaliefhebbers' die hiervoor verantwoordelijk waren, niet hoorden dat daardoor ook het timbre van de stemmen onherstelbaar werd aangetast, tot in het onherkenbare.

Niets van dat alles bij deze 'remastering' en gelukkig maar. Aan ruis is het oor snel gewend, maar vervorming of een klank die uit balans is, kunnen hinderlijk worden en na enige tijd zelfs tot gehoorklachten leiden. Naar deze opname kon ik echter redelijk ontspannen luisteren (ik heb het wel in twee sessies gedaan) en het resultaat was ernaar. Natuurlijk, het draait om Callas, maar niet eerder ben ik bij deze opname zo onder de indruk geweest van Vittorio Gui, die hier een Serafin-achtige spanning combineert met momenten waarop een Muti-achtige attaque het revolutionaire van de muziek onderstreept.

Sinds ik Nabucco in het Gebouw voor K&W hoorde van de oude Nederlandse Opera met Marijke van der Lugt, Jess Walters en Georg Litassy is het werk niet meer uit mijn gedachten weg geweest. Het is een soort Verdi waarvan altijd flarden in je geheugen rondzwerven en dat werd alleen maar erger sinds ik Jan Derksen ooit in het Circustheater een onvergetelijk geladen 'S'apressan gl'istanti' hoorde inzetten.
Gino Bechi mist het wollige van Derksen, maar hij was wel de grote Italiaanse Verdi-bariton uit de jaren veertig en klinkt hier beheerster dan in een enkele jaren jongere Barbiere di Siviglia onder Serafin, waar timbre en stijl aan vergroving onderhevig zijn. Luciano Neroni is daarnaast een goede Zaccaria, geen Giulio Neri maar heel acceptabel, en Gino Sinimberghi zingt een betrouwbare Ismaele, maar terecht merkt Ardoin op dat het contrast tussen zijn monochrome frasering en het kleurenpalet van Callas in het terzet 'Io t'amava' perfect de grootheid van de Griekse sopraan illustreert.

Puur vocaal was Norma waarschijnlijk Callas' grootste rol (in het theater hooguit overtroffen door Violetta), maar ik heb altijd het gevoel gehad dat veel van haar zelfvertrouwen in Norma te danken was aan haar Abigaille en het blijft jammer dat zij die rol later nooit meer gezongen heeft, zelfs niet in Mexico City. In dit tijd behoorde Nabucco nog tot de 'onbekende Verdi', vermaard door het 'slavenkoor', maar daar bleef het meestal bij.

Ardoin signaleert dat Callas' opkomst met een lage B in haar borststem gevolgd door twee briljante notenreeksen waarvan de tweede twee octaven omspant, meteen laat horen dat Callas in het theater totaal iets anders is dan Callas bij concerten of in de studio. Hij vervolgt dan met drie bladzijden analyse van haar vertolking die iedereen zelf maar moet lezen. Laat ik het erop houden dat ik de complexiteit en de emotionaliteit van 'Anch'io dischiuso', inclusief het voorafgaande recitatief en de erop volgende cabaletta, nooit zo overtuigend gehoord heb als hier, waar deze muziek gezongen wordt door een sopraan die zowel Brünnhilde als Elvira in I puritani beheerste. Elf maanden eerder had zij met die rollen haar visitekaartje afgegeven en hier horen wij waartoe die combinatie kon leiden.

Een ander hoogtepunt is het duet van Abigaille en Nabucco, waar Callas ieder woord een enorme lading en een geheel eigen kleur weet te geven, en waar de emoties zo sterk uit haar zang naar voren komen, dat Bechi er na een matige opening kennelijk helemaal door wordt meegesleept. Ardoin noemt het 'emotioneel en vocaal meer een duel dan een duet, een krachtige confrontatie tussen Abigaille en Nabucco' - en dat is het!

Tot slot: het blijft een onopgehelderd raadsel waarom het Napolitaanse publiek halverwege het 'slavenkoor' zo te keer gaat. De kreet 'Viva Italia!' meteen erna snap ik weer wel, maar het tumult dat daarop volgt vraagt om een uitleg die ik nog nooit ben tegengekomen.

****

 

Wagner: Parsifal
Maria Callas (Kundry), Africo Baldelli (Parsifal), Rolando Panerai (Amfortas), Boris Christoff (Gurnemanz), Dimitri Lopatto (Titurel), Giuseppe Modesti (Klingsor), Lina Pagliughi (Eerste bloemenmeisje) e.a.
RAI Roma
Dirigent: Vittorio Gui
Opname: Rome, 20-21 november 1950

Maria Callas' enige compleet bewaarde Wagner-rol is in feite slechts een halve live-opname, verspreid over twee dagen gerealiseerd in het Romeinse auditorium van de Italiaanse radio. Ruim anderhalf jaar eerder, in februari-maart 1949, had zij haar rol eveneens in Rome in het theater gezongen, toen onder leiding van haar mentor Tullio Serafin, maar daarvan zijn geen opnamen bewaard. Helaas, want met de laatste grote Duitse heldentenor Hans Beirer in de titelrol, een legato-expert als Cesare Siepi als Gurnemanz en Marcello Cortis als Amfortas moet die uitvoering minstens zo interessant zijn geweest.

Het woord 'compleet' is overigens heel betrekkelijk bij een uitvoering die 'slechts' 210 minuten duurt, een half uur korter dan een gemiddelde uitvoering van Wagner's Bühnenweihfestspiel. Ook de Italiaanse vertaling zal sommige wenkbrauwen doen fronzen, maar ten onrechte. We mogen nooit vergeten dat hele generaties muziekliefhebbers zijn opgegroeid met opera's in hun eigen taal, en dus met heel veel vertaalde libretti. Ook die van Wagner en zelf ben ik meer dan eens op het vliegtuig naar Londen gestapt voor een Engelse uitvoering in de ENO, zeker als die gedirigeerd werd door een Wagner-specialist als Reginald Goodall.

Na Arturo Toscanini en Victor De Sabata was ook Vittorio Gui een Italiaanse Wagner-dirigent van klasse en met voorbijgaan aan de coupures hebben we hier zeker te maken met een uitvoering die ook als Wagner-vertolking gehoord mag worden, en niet alleen als Callas-curiositeit. Een probleem daarbij is alleen dat de Italiaanse opnamestaf niet echt in Wagner gespecialiseerd was, althans niet bij deze Parsifal. De stemmen komen prachtig door en laten niet vermoeden dat het hier een opname van bijn azeventig jaar oud betreft, maar het orkest blijft wat op de achtergrond. Jammer, want ook in deze muziek toont Gui zijn kwaliteiten als een van de grote Italiaanse dirigenten uit het midden van de vorige eeuw.

In de eerste akte weet Callas weinig met Kundry te doen, daarvoor is de rol te fragmentarisch, en in de derde akte horen we haar maar in twee woorden, maar zij zingt een tweede akte zoals we die van haar kunnen verwachten met centraal de rol van Kundry als mysterieuze verleidster. Niet onbelangrijk daarbij is Wagner's werken met de 'oneindige melodieën' die hij in Bellini zo bewonderde en die Kundry's 'Ich sah das Kind' Norma-achtige kwaliteiten verleent waarin Callas zich merkbaar thuis voelt. (Haar eerste Norma had zij enkele maanden daarvoor in Mexico City gezongen.) Het blijft een nadeel van deze uitvoering dat zij hier als Parsifal de absoluut oninteressante en kleurloze Africo Baldelli tegenover zich heeft. Met Hans Beirer of de jonge Mario Del Monaco zou het resultaat een stuk interessanter zijn geweest!

Voor de geïnteresseerden zij vermeld dat de nog relatief jonge Boris Christoff (negen jaar ouder dan Callas en vier jaar eerder in Rome gedebuteerd als Colline in La Bohème) eenon-Duitse, onvergelijkelijk granieten Gurnemanz neerzet. Geen vertolking zoals ik die altijd zou willen horen, maar indrukwekkend is het zeker! Daarnaast horen we het heel individuele timbre van Rolando Panerai als een Italiaans-gepassioneerde Amfortas, terwijl niemand minder dan Lina Pagliughi het eerste bloemenmeisje zingt. Zoals Ardoin al constateerde: een Parsifal waaraan twee grote Lucia's meewerken, moet uniek zijn in de annalen van de opera!

De remastering is weer voortreffelijk. De stem van Christoff heb ik zelden zo fraai uit de luidsprekers horen komen en een voordeel van de coupures is dat de hele uitvoering nu op drie cd's past. Een klein foutje: het cd-boekje vermeldt op pagina 5 dat Callas de rol van Kundry zes maal gezongen heeft, maar daarbij werd deze over twee dagen verspreide opname wel voor dubbel meegeteld.

Voor de statistieken: het eerste bedrijf bevat een flinke coupure in de monoloog van Gurnemanz die begint met 'Titurel, der fromme Herr'; het tweede bedrijf bevat twee coupures in de scène van Klingsor, een coupure in de passage van Kundry vóór 'Amfortas! Die Wunde' en een grotere beginnend bij 'Für ewig verdammt'; in het derde bedrijf ontbreekt een flink deel van Gurnemanz monoloog kort na 'O Herr, war es ein Fluch'.

****

 

Verdi: I vespri siciliani
Maria Callas (Elena), Giorgio Kokolios-Bardi (Arrigo), Enzo Mascherini (Monforte), Boris Christoff (Procida), Bruno Carmassi (Bethune), Mario Frosini (Vaudemont), Mafalda Masini (Ninetta), Gino Sarri (Danieli) e.a.
Maggio Musicale Fiorentino
Dirigent: Erich Kleiber
Opname: Florence, 26 mei 1951

Een eerdere 'remastering' verscheen tien jaar geleden bij Testament op twee cd's, iets wat behalve door de gemaakte coupures mogelijk was door het weglaten van de ouverture. Daarom alleen al is het goed nu een nieuwe uitgave van de complete uitvoering te hebben. Natuurlijk is de ouverture hier niet waar het om draait, maar in de krachtige, over de gehele linie opmerkelijk genuanceerde en bij vlagen zangerige directie van Erich Kleiber is ook dit fragment de moeite waard. Bovendien zorgt een spreiding over drie cd's voor een aanmerkelijk betere indeling.

Een ander verschil is dat de cd's van Testament een (onhoorbare) fractie sneller klinken, wat erop duidt dat Warner een eigen versie op de markt brengt. De door Testament gebruikte banden waren afkomstig uit de privé-collectie van Lord Harewood en in Florence gemaakt op speciaal verzoek van EMI-producer Walter Legge; de exacte bron van Warner is onbekend, maar bij directe vergelijking levert het resultaat wel een klankverschil op. Groot is het niet, maar Testament klinkt een fractie scherper, terwijl Warner stemmen en orkest iets ronder laat overkomen. Het blijft een compacte radioklank uit 1951 met de stemmen minder op de voorgrond dan ik soms zou wensen, maar het achter elkaar beluisteren van de gehele opera was bepaald geen straf.

Door het zwakke libretto is Les Vêpres siciliennes dramatisch geen sterk werk geworden, maar muzikaal valt er veel te genieten, vooral dankzij enkele meeslepende aria's en duetten plus de beste balletmuziek die Verdi geschreven heeft. De mengeling van Italiaans karakter en Franse stijl zorgt bovendien voor een afwisseling die ook in deze Italiaanse uitvoering overeind blijft. Het zwakke punt is hier echter weer de tenor, een stemsoort die in die eerste jaren na de oorlog Italiaanse directies nog meer hoofdpijnen bezorgde dan nu het geval is.

De onwelluidende, ongedisciplineerde Giorgio Kokolios-Bardi vergroot in feite alleen maar mijn bewondering voor Callas, die in hun grote duet in het vierde bedrijf een bijna onwaarschijnlijke hoeveelheid emoties en kleuren in haar stem weet te leggen. Ook de droog getimbreerde bariton Enzo Mascherini is hier niet op zijn best, anders dan de bas Boris Christoff, een Verdi-zanger van klasse die we in grote vorm horen. Niet zonder ironie constateert Ardoin dat het kwartet met koor waarmee dat bedrijf eindigt, hier in feite een duet voor sopraan en bas wordt.

Ook elders is de bijdrage van Callas de grootste attractie van deze uitvoering, door het meesterschap van haar frasering en haar - hier soms bijzonder lastige - intonaties, maar vooral door de manier waarop zij verschillende belangrijke momenten van de muzikaal toch ietwat onevenwichtige Elena met elkaar in balans weet te brengen. Van de rustige ironie waaruit in het eerste bedrijf het lied 'Ascolto il pianto' overgaat in een opzwepende oproep via de uiteenlopende schakeringen in de twee duetten met Arrigo (hoogtepunt: een als puur bel canto gezongen 'Arrigo, ah parli un core') tot de virtuositeit van de zogenaamde 'bolero' geeft zij een vertolking portretteert zij Elena op een manier waarbij later alleen Renata Scotto in de buurt zou komen.

*****

 

Verdi: Aida
Maria Callas (Aida), Oralia Dominguez (Amneris), Mario Del Monaco (Radamès), Giuseppe Taddei (Amonasro), Roberto Silva (Ramfis), Ignacio Ruffino (Il re), Rosa Rodriguez (Una sacerdotessa), Carlos Sagarminaga (Un messagiero)
Palacio de Bellas Artes
Dirigent: Oliviero De Fabritiis
Opname: México, 3 juli 1951

Een absoluut legendarische Callas-voorstelling vond plaats in Mexico City op 30 mei 1950. Weer was Callas niet gezegend met een echt goede tenor als partner, maar de Oostenrijks-Amerikaanse Kurt Baum veroorloofde zich bovendien noten langer aan te houden dan was afgesproken. Callas liet dat niet over haar kant gaan, maar vroeg wel aan haar andere partners Giulietta Simionato (Amneris) en Robert Weede (Amonasro) of zij hun oncollegiale collega met gelijke munt mocht betalen. Aan het einde van de slotscène greep zij daarop haar kans en de ontstelde Baum moest aanhoren dat zij de 'triomscène' bekroonde met een lang en glorieus aangehouden hoge Es. Baum was laaiend, maar het publiek ook, zij het op een andere manier, en het jaar erna besloot Callas het effct te herhalen, ditmaal gewoon 'voor de lol'. Of zoals Kiri Te Kanawa ooit zei: "Als je zo'n noot in huis hebt, moet je hem ook laten horen!"

Was de Aida van 1950 al opwindend, die van 3 juli 1951 torent daar nog bovenuit. Callas was een jaar later nog beter in vorm, haar benadering was gerijpt en zij wist nog meer nuances uit de muziek naar boven te halen. Daarbij had zij in Oliviero De Fabritiis een dirigent met een groot gevoel voor Verdi's muzikale dramatiek, terwijl Mario Del Monaco en Giuseppe Taddei als partners ook op een hoger niveau stonden.
Als Amneris spreidde de jonge Oralia Dominguez nog niet de kleurenrijkdom en de koninklijke allure van Simionato ten toon, maar zij bracht wel al een stralende mezzosopraan mee. Moeiteloos nam zij het in hun duetten op tegen Callas' titelrol en Del Monaco's Radamès, en jammer is hooguit dat de Italiaanse stertenor toen al niet meer in staat leek zijn kracht te doseren. Zijn stralende timbre en de zekerheid van zijn intonaties zijn nog steeds elektriserend, maar als vertolker kwam hij in de Nijl-scène al op het randje en in het slotduet miste zijn zang iedere poëzie en tederheid. Op het punt van nuanceringen kwam Taddei het dichtst bij Callas in de buurt, hoewel ik de indruk krijg dat ook hij in de Nijl-akte iets te veel uit de kast wilde halen.

Callas was die avond schitterend bij stem en bouwde een vertolking op die nog altijd fascineert door de uitgebalanceerde dramatiek zonder een spoor van chargeren of vocale oneffenheden. Zoals het betaamt bij een belcanto-specialiste, zijn alle emoties direct gerelateerd aan de noten en de woorden, en op dat punt is dit een van haar beste Verdi-vertolkingen. Dat de vrouwenfiguren in La traviata en Un ballo in maschera haar dramatisch bijzonder goed lagen, is niet verbazend, evenmin dat Nabucco en Macbeth theatraal het beste in haar naar boven haalden, maar de mengeling van lyriek en dramatiek met haar emotionele en dynamische uitersten in Aida haalt op alle fronten het beste in de Griekse sopraan naar boven. En als zo'n vertolking aan het slot van de triomfscène bekroond wordt met een perfect gerealiseerde topnoot, heeft dat op het publiek hetzelfde effect als het beslissende doelpunt bij een voetbalwedstrijd. Een storm van bijval van alle rangen en standen in het theater was het gevolg. Zoiets moet voor alle aanwezigen onvergetelijk zijn geweest!

Ook technisch wint deze Aida het van die uit 1950, zodat we ons in dit geval volledig achter de keuze van Warner voor juist deze opname kunnen scharen. Wel werden de mij tot dusver bekende uitgaven alle in meerdere of mindere mate ontsierd door een scherpe hoogte, maar doordat de stemmen prominent waren opgenomen, kwamen de timbres redelijk goed door, evenals de nuances en andere details, inclusief de toen onvermijdelijke souffleur. De cd's van Myto kwamen het beste uit de bus en op het eerste gehoor ontloopt de remastering van Warner die nauwelijks. Bij directe vergelijking valt echter op dat de klank nu iets minder direct is, iets minder scherp ook, waardoor de kans op vermoeiheid bij het luisteren is afgenomen. Deze opname blijft voor de Callas-bewonderaar een absolute must!

*****

 

Verdi: Rigoletto
Piero Campolonghi (Rigoletto), Maria Callas (Gilda), Giuseppe di Stefano (Duca di Mantova), Ignacio Ruffino (Sparafucile), María Teresa García (Maddalena), Ana María Feuss (Giovanna), Gilberto Cerda (Monterone), Alberto Herrera (Marullo), Carlos Sagarminaga (Borsa), Francisco Alonso (Ceprano), Edna Patoni (Contessa di Ceprano)
Palacio de Bellas Artes, México
Dirigent: Umberto Mugnai
Opname: Mexico City, 17 juni 1952

Gilda is waarschijnlijk Callas' meest omstreden rol omdat zij in de oren van menigeen, zelfs van veel van haar fans, niet 'meisjesachtig' genoeg klinkt. Niet helemaal eerlijk gezien het feit dat wij ons van travestierollen ook niet afvragen hoe 'mannelijk' zij klinken, en afgezien daarvan: ik kan een hele reeks Gilda's noemen die niet bepaald 'meisjesachtig' klinken! Waar het om gaat is wat Callas met haar rol doet en op dit punt ben ik het volledig eens met Ardoin in zijn constatering dat het jammer is dat de rol geen onderdeel van haar vaste repertoire is geworden.

Callas zou waarschijnlijk onze visie op Gilda nog sterker veranderd hebben dan zij dat deed met Lucia di Lammermoor, ook zo'n rol die vroeger vooral door zangvogeltjes werd gezongen en waarvan Callas ons de tragiek en de dramatiek heeft laten inzien. Al in haar enige optreden in die rol maakt zij van Gilda een fascinerende karakterstudie die ons de overgang laat horen van een onschuldig meisje naar een volwassen vrouw die in staat is tot weloverwogen, verregaande beslissingen. Gewoon naar luisteren dus, met de tekst in de hand en eventueel het commentaar van Ardoin ernaast!

Jammer dat de rest van deze uitvoering de moeite absoluut niet waard is. De tweedimensionale, fantasieloze Rigoletto van Campolonghi en de ongedisciplineerde, regelmatig detonerende Hertog van Di Stefano kunnen niet in haar schaduw staan, maar nog erger is de dirigent. Mugnai dirigeert alsof het hem totaal niet interesseert wat op het toneel of in de muziek gebeurt en maakt blindelings alle toen gebruikelijke coupures. Op dat punt was het vroeger bepaald niet beter dan nu!

 


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links