CD-recensie

 

© Maarten Brandt, december 2016

 

Zimmermann: Sinfonie in einem Satz (oerversie 1951, fonografische primeur) – Giostra Genovese (fonografische primeur) – Konzert für Streichorchester – Musique pour les soupers du Roi-Ubu

WDR Sinfonieorchester Köln o.l.v. Peter Hirsch

Wergo WER 7340 2 • 64' •

Opname: maart 2013 (Sinfonie in einem Satz en Giostra Genovese) en mei 2015 (overige composities), Philharmonie, Keulen

www.wergo.de

 

 
 
Günter Wand

Het is een niet in den brede bekend feit dat niemand minder dan een van de grootste Bruckner-dirigenten ooit, Günter Wand (1912-2002), die faam in beginsel heeft te danken aan de Duitse componist, Bernd Alois Zimmermann (1918-1970). Het is namelijk Zimmermann geweest die Wand, na hem bij diverse gelegenheden aan het werk te hebben gezien, op het idee bracht zich eens met Bruckner te gaan bezighouden en meer in het bijzonder met diens Vijfde symfonie. Dezelfde symfonie die niet alleen Wands ‘Werdegang' als Bruckner-interpreet ‘par excellence' markeerde, maar die in zijn hele carrière een belangrijke rol is blijven spelen. Immers, deze symfonie nam deze ‘no nonsense'-maestro bij menige gelegenheid op, onder andere met de Berliner Philharmoniker. Wand behoorde voorts aanvankelijk tot de grootste pleitbezorgers van Zimmermanns werk en menige partituur van zijn hand werd door hem, zo niet in première gebracht, dan toch in ieder geval bij meer dan een gelegenheid uitgevoerd. Daaronder ook de tweede versie van de oorspronkelijk in 1951 voltooide Sinfonie in einem Satz, waarvan de oerversie (toen nog louter Sinfonie geheten) op 3 maart 1952 voor rekening kwam van het Keuls Omroep Orkest onder supervisie van Hans Rosbaud – de gereviseerde versie beleefde op 20 november 1953 haar vuurdoop in Brussel door Symfonieorkest van het Belgisch National Instituut van de Radio-Omroep onder leiding van Daniel Sternefelt . Nadat Wand Zimmermanns Magnum Opus, diens muziekdrama Die Soldaten (1965), voor onuitvoerbaar had verklaard – en in navolging van hem ook de dirigent Wolfgang Sawallisch – kwam het tot een definitieve verwijdering tussen deze twee grote kunstenaars.

Verschillende partituren
De naam Bruckner valt hier overigens niet zo maar, want niet alleen tussen Wand en Bruckner, ook tussen Zimmermann zelf en de Oostenrijkse symfonicus zijn parallellen te trekken. Daar doet het feit dat Zimmermann geen omvangrijk symfonisch oeuvre op zijn naam heeft gebracht hoegenaamd geen afbreuk aan. De omstandigheid wil echter dat wie de – grondig – herziene (en doorgaans gespeelde) versie van de Sinfonie in einem Satz (1953) met het origineel vergelijkt, haast meent met twee verschillende partituren van doen te hebben. En dit op een manier die bij voorbeeld automatisch de enorme afwijkingen in instrumentatie, materaal, verloop en retoriek van de Vierde symfonie van Bruckner in herinnering brengt. In beide gevallen laat het latere concept niet alleen een aanzienlijk geliktere, maar ook – zo men wil – conservatievere indruk achter dan het oorspronkelijke ontwerp, dat vol ongenaakbare episodes steekt en bovendien als geheel een veel weerbarstiger uitwerking op de luisteraar heeft. Dit nog afgezien van het feit dat zowel bij Bruckner als bij Zimmermann het verloop substantieel langer is (1951: ca 18 minuten, 1953: een klein kwartier).

Orgel
Het meest frappante is dat de bezetting van het oorspronkelijke ontwerp van Zimmermanns monolithische symfonie een substantiële rol voor het orgel voorschrijft, die nadien is geschrapt. Hetzelfde instrument dat ook in Die Soldaten van grote importantie is, en zowel daar als in deze symfonie niet zozeer voor het goddelijke en Koninklijke instrument doorgaat als wel – om het even hoe abstract in laatstgenoemd werk ook – het bij uitstek duistere, diabolische en het klankbeeld nadrukkelijk splijtende element symboliseert. De stilistische afstand tot Die Soldaten bevindt zich in de oerversie daarom slechts op een steenworp afstand (in de uitstekende toelichting bij bovenstaande cd, door de dirigent zelf, valt daar veel interessants over te lezen), met - mede – als gevolg hiervan een van de meest geladen (en ten onrechte minst bekende) neo-expressionistische orkestwerken uit die periode, naast die van Karl Amadeus Hartmann. Men zou hier met recht van een soort Bergs Drei Orchesterstücke 'à la Zimmermann' kunnen spreken! Heel bijzonder is bovendien de wetenschap dat we middels deze sublieme opname het werk voor de eerste maal horen, zoals Zimmermann werkelijk voor ogen stond, want in overleg met Rosbaud heeft de componist te elfder ure nog veranderingen (en ook enkele kleine, zij het wezenlijke, coupures!) moeten aanbrengen, die tenslotte ook in de gedrukte editie van de eerste versie terecht zijn gekomen, terwijl Hirsch zich voor het volle percentage baseert op Zimmermanns manuscript.

 
 
Bernd Alois Zimmermann

Stormen
Hoe dan ook is duidelijk, zeker wanneer men de meer gangbare editie uit 1953 onmiddellijk na dit eerste ontwerp beluistert, deze een haast brave, om niet te zeggen zelfs tamme indruk maakt. Het neo-expressionisme heeft daar ondubbelzinnig plaatsgemaakt voor neoclassicisme (qua vorm is deze symfonie als een bewerkelijke en door tal van tussenspelen onderbroken passacaglia op te vatten), zij het dan een neoclassicisme met wat heftigere accenten,die echter ten ene malen verbleken tegen de ontzagwekkende en ronduit verpletterende stormen en geluidsexplosies die Zimmermann hier laat opsteken. En, wat meer is, die door Hirsch en WDR Sinfonie Orchester uit Keulen op een wijze aan de vergetelheid zijn ontrukt, die bijna lijfelijk overkomt en tal van lichtjaren ver is verwijderd van de veelal gereserveerde, gladgepolijste om niet te zeggen ‘harmlose' uitvoeringspraktijk van symfonisch repertoire van tegenwoordig. Met andere woorden, er kan eigenlijk niets op tegen een qua dynamiek ongeremde radio-opname, die de toehoorder het gevoel geeft zich helemaal in het epicentrum van de actie te bevinden (let wel: we hebben het hier over een ‘gewone' stereo-opname zonder om het even welke tierelantijnen!). Mede ook dankzij de voor niets en niemand terugdeinzende manier waarop Hirsch en de zijnen de in de noten opgesloten kolkende energieën vrij baan geven, en waarbij het stadium van het totaal door het lint gaan angstwekkend dicht wordt genaderd, heeft men echt het gevoel in de zaal zitten. Niet minder dan sensationeel dus deze in vele opzichten historisch te noemen vertolking.

Satirisch pandemonium
Dat laatste geldt onverkort voor de overige stukken op deze voorbeeldig gedocumenteerde en klinkende uitgave, die deze productie maken tot een ideaal visitekaartje voor een ieder die met het – toegegeven, weinig vrolijk stemmende – oeuvre van Zimmermann wil kennismaken. Want, hoewel het anders lijkt, echt vrolijk gaat het in Musique pour les soupers du Roi-Ubu (1966) niet toe, want de componist noemde dit stuk natuurlijk niet voor niets ‘Un ballet noir', dat hij vormgaf in een ‘entree' en ‘sept parties'. Ook al heeft de receptiegeschiedenis van het werk de indruk van een zekere vrolijkheid wel in de hand gewerkt. Het geval wil namelijk dat de partituur er in voorziet de diverse episodes te laten onderbreken door iemand die, als een soort conferencier, commentaar levert op het gebeuren van de tijd en de eraan verbonden omstandigheden, waarin het stuk in kwestie tot klinken komt. Daar zit zeker wat in, want het in 1896 door de fransman Alfred Jarry (1873-1907) geschreven toneelstuk Ubu roi – dat mede van grote betekenis was voor de Dada-beweging en het surrealisme - kan bij uitstek worden gezien als een satirisch pandemonium. Een geheel waarin meedogenloos de draak wordt gestoken met de toneelgeschiedenis en tal van heilige huisjes het moeten ontgelden, om het even of het nu gaat om Shakespeare's Macbeth, Hamlet of diens The Tempest dan wel de toneelklassiekers van Franse bodem. Dit niet alleen om die stukken zelf belachelijk te maken, maar veeleer om de toenmalige Parijse burgerij te kakken te zetten. Dit geschiedt door de laagste en infaamste eigenschappen van de schouwburgbezoeker tot monstrueuze proporties uit te vergroten, met als uitkomst père Ubu die tot spil wordt verklaard van een ironisch koningsdrama en een figuur is met een extreem vraatzuchtig, egoïstisch, wreed, vulgair, dom, laf en geniepig karakter.

 
 
Hans Zender

Verleden, heden en toekomst
Zimmermann schreef zijn ‘Zwarte ballet' in opdracht en naar aanleiding van zijn opname als lid van Berliner Akademie der Künste. De concertante première kwam op 31 januari 1968 te Berlijn voor rekening van het RIAS symfonie orkest Berlijn onder leiding van Rudolf Alberth, terwijl de geënsceneerde versie op de 25 ste april van datzelfde jaar in met het orkest van de Deutsche Opera am Rhein te Düsseldorf onder de scepter van Hans Zender plaatshad in een choreografie van Erich Walter. Net als Jarry commentaar levert op het toneelgebeuren van zijn tijd, doet Zimmermann dit op onnavolgbare wijze in zijn Musique pour les soupers du Roi-Ubu door muziek uit het al dan niet verre verleden schaamteloos los te laten op dat van zijn tijdgenoten. En dit volgens het principe van de zogenaamde ‘Kugelgestalt der Zeit', die in veel van zijn latere werken (met behalve Ubu, Die Soldaten, het Requiem für einen jungen Dichter en het orkestwerk Photoptosis voorop) een sleutelrol vervult. Of om de componist zelf aan het woord te laten: “Vergangenheit, Gegenwart und Zukunft sind, wie wir wissen, lediglich an ihrer Erscheinung als kosmische Zeit an den Vorgang der Sukzession gebunden. In unserer geistigen Wirklichkeit existiert diese Sukzession jedoch nicht, was eine realere Wirklichkeit besitzt als die uns wohlvertraute Uhr, die ja im Grunde nichts anderes anzeigt, als dass es keine Gegenwart im strengeren Sinne gibt. Die Zeit biegt sich zu einer Kugelgestalt zusammen. Aus dieser Vorstellung […] habe ich meine […] pluralistische Kompositionstechnik entwickelt, die der Vielschichtigkeit unserer Wirklichkeit Rechnung trägt.“ Het gelijktijdig bestaan van verleden, heden en toekomst is trouwens een gedachte die al aanzienlijk ouder is dan Zimmermann, want wat lezen we bij Augustinus in zijn Confessiones? "Er zijn drie tijden, de tegenwoordigheid van het verleden, de tegenwoordigheid van het heden en de tegenwoordigheid van het toekomstige. Deze drie liggen verankerd in de ziel. Ergens anders zie ik ze niet. De tegenwoordigheid van het verleden is herinnering, de tegenwoordigheid van het heden is het beschouwen (waarnemen) en de tegenwoordigheid van de toekomst is de verwachting."

Overdonderende ervaring
Het is dit adagium dat Zimmermann dus mede inspireerde tot zijn hiervoor genoemde ‘Kugelgestalt' en dat aan de basis ligt van zijn zogenaamde ‘pluralistische' componeren dat in de Musique pour les soupers du Roi-Ubu heeft geleid tot een zodanig bonte collage van citaten (inclusief muziek uit zijn eigen werk bestaande in de jazzepisode uit het tweede bedrijf van Die Soldaten), dat hij daarmee zijn tijd niet alleen mijlenver vooruit was, maar waar citaatcomposities van latere datum totaal tegen verbleken (met als belangrijke uitzondering het derde deel uit de in 1968 voltooide Sinfonia van Berio). Stockhausen, Berlioz, Wagner, Dowland, Bach, Schubert, Gibbons, Stravinsky, Susato en anderen zijn hier van de partij. Ze worden op een groteske en buiten proporties zijnde wijze ten tonele gevoerd, waardoor een treffende muzikale pendant van het toneelstuk van Jarry ontstaat. Maar zonder cabaretier, hoe verleidelijk ook om te doen en, nogmaals, het is door de componist gesanctioneerd, werkt de muziek oneindig veel sterker. Waarom? Omdat eventuele gesproken teksten niet alleen van de muzikale gebeuren afleiden, maar ertoe zouden kunnen bijdragen dat men dat als ‘onderhoudend' of, erger nog: ondergeschikt aan het woord gaat ervaren. En de muziek die Zimmermann voor Ubu schreef is allesbehalve onderhoudend (wat heet!) maar is integendeel: verpletterend. Alles werkt na die laatste episode toe, de Marche du décervelage (letterlijk: ‘Mars der hersenverplettering') waarin Wagners Walkürenritt, het beginakkoord uit Stockhausens Klavierstück IX , de ‘Mars naar het Schavot' en het Dies Irae-motief uit Berlioz Symphonie fantastique niet alleen meesterlijk op elkaar zijn gemonteerd, maar middels waardoor de luisteraar eenvoudigweg minutenlang murw wordt gebeukt. Althans zeker in deze uitvoering door Hirsch cum suis, die gerust mag doorgaan voor een staaltje ‘kermis in de hel' zonder precedent. Opnieuw maakt de uiterst reliëfrijke ,in dynamisch opzicht schier onbegrensde en voorts kraakheldere opname (felheid slagwerk, scherpte in de laagte van het koper!) het ondergaan van het geheel tot niet minder dan een sensatie en een in meer dan louter spreekwoordelijke zin, overdonderende ervaring.

Syntaxis
Daarmee vergeleken zijn de Giostra Genovese uit 1962, ook al moet men deze karakteristiek in het geval Zimmermann relatief zien, ‘onderhoudend'. Deze, nu – evenals de eerste versie van de Sinfonie - voor het eerst op cd te horen, ‘caroussels' kunnen met terugwerkende kracht als een soort voorstudie van of wel opmaat tot Ubu worden gezien (Zimmermann was bij nader inzien weinig tevreden over dit stuk en stelde een uitbreiding in het vooruitzicht; dit werd uiteindelijk Ubu ) . Ook al omdat beide werken grotendeels op hetzelfde materiaal zijn gebaseerd in de vorm van onder andere muziek van Susato, Gibbons en Byrd. Hier en in nog veel sterkere mate in Ubu komt het unieke van Zimmermann haarscherp aan het licht. Want het gaat bij hem niet alleen om het creëren van een collage, dus het gebruiken van citaten en het eventueel assembleren daarvan, alsook het vervaardigen van het tegendeel, de ‘decollage'. In dier voege dat de citaten, onverschillig hoe herkenbaar op het eerste gehoor ook, zodanig anders worden ingekleurd, geïnstrumenteerd (met opnieuw een duivelse rol voor het orgel in Ubu ) en van hun origine ontvreemd dat ze tenslotte nauwelijks meer voor ontleningen kunnen doorgaan, maar volledig zijn opgegaan in of versmolten met Zimmermanns oninwisselbaar eigen syntaxis. Met als gevolg inderdaad een van de kenmerken van de ‘Kugelgestalt der Zeit', bestaande in de optimale belichaming van de ondeelbare tegenwoordigheid van heden, verleden en toekomst. Met dien verstande dat de structuur van de Giostra Genovese voornamelijk een- en die van Ubu integendeel multidimensionaal is. Het verdient daarom zeker aanbeveling, alvorens naar Ubu te gaan luisteren, deze vijfdelige danssuite tot zich te nemen.

Deze in vele opzichten spraakmakende cd wordt gecompleteerd met het halverwege Bartók en Hindemith balancerende korte Konzert für Streichorchster uit 1948. Het is het meest neoklassieke opus van het programma op deze cd dat een helder licht werpt op het begin van Zimmermanns creatieve loopbaan en dat een fraai langzaam deel als zwaartepunt heeft, benevens een finale waarin het materiaal van het meest beknopt openingsdeel nader is uitgewerkt. Nogmaals hulde voor de musici van deze fabuleuze uitgave, met Peter Hirsch voorop, die zich met zijn onopgesmukte en integere benadering in de traditie plaatst van Hans Rosbaud, Ernest Bour, Hans Zender en Peter Eötvös (en in ons land Ed Spanjaard en Jac van Steen). Dirigenten van wie we er niet genoeg kunnen hebben, maar om wie door menige orkestleiding en -bestuur veelal met een wijde boog wordt heengelopen. Hoe onterecht dit is blijkt wel uit deze productie die het volop verdient royaal in de prijzen te vallen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links