CD-recensie

 

© Maarten Brandt, mei 2020

Sibelius: Symfonie nr. 4 in a, op. 63 – nr. 6 in d, op. 104

Hallé Orchestra o.l.v. Mark Elder
Hallé CD HLL 7553 • 70' •
Opname: augustus 2018 (nr. 4) en januari 2019 (nr. 6), Bridgewater Hall, Manchester (VK)

   

Jean Sibelius (1865-1957) behoort zowel tot de meest bekende als minst begrepen componisten van het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. Het feit dat men diens muziek doorgaans automatisch met die van componisten als Tsjaikovski en Dvorak combineert helpt bepaald niet het begrip voor diens klinkende nalatenschap te bevorderen. Zeker cosmetisch gezien uit deze markante Fin zich in een klanktaal die met recht romantisch mag worden genoemd, terwijl hij zich ook nogal eens van een gestiek bedient die voor een niet onaanzienlijk deel wortelt in het gebruikelijke arsenaal van expressieve gebaren die kenmerkend zijn voor de 19de eeuw. Maar achter die uiterlijke façade gaat een originaliteit schuil die een vooruitstrevendheid bezit waartegen het totale oeuvre van de bijkans volledig doodgespeelde Dimitri Sjostakovitsj hopeloos ouderwets afsteekt. Of, om met een Nederlandse Sibeliusliefhebber te spreken, te weten wijlen de componist Otto Ketting: “bij Sjostakovitsj kun je er van overtuigd zijn dat elke noot precies zo klinkt als deze door de componist is bedoeld.” Met andere woorden, cosmetica en inhoud vallen bij hem naadloos samen en voor de avontuurlijk ingestelde luisteraar valt er na en of twee keer horen niet bijster veel meer te ontdekken. Behalve de constatering dat Sjostakovitsj heel goed kan instrumenteren en – getuige wat men van menige orkestmusicus hoort – een muziek heeft nagelaten die ‘lekker speelt'.

Sibelius uit het getto bevrijden
Bij Sibelius is dat wezenlijk anders. Uiterlijk effectbejag is doorgaans ver te zoeken en wat op het eerste gehoor ‘vertrouwd' lijkt te klinken is dat bij nadere beschouwing dikwijls helemaal niet. Op de korte afstand kunnen bepaalde ingrediënten dan wel als zodanig overkomen, voor hen die in staat zijn de bredere context te bezien en hoe die op zich conventioneel lijkende elementen daarbinnen zijn geordend, zal vroeg of laat ondubbelzinnig blijken dat we hier met een muziek te maken hebben die keer op keer verrast en ook blijft verrassen. Zeker wanneer de met de programmasamenstelling van onze orkesten belaste functionarissen de moed zouden kunnen opbrengen Sibelius uit het getto van Tsjaikovski, Grieg en Dvorák te bevrijden en diens werk broederlijk te combineren met bijvoorbeeld dat van Lutoslawski, Dutilleux, Lindberg, Ketting, Ligeti of Feldman. Of om een concreet voorbeeld te noemen: Ed Spanjaard die op 19 april 2008 met het Radio Filharmonisch Orkest op fabuleuze wijze een lans brak voor de Zesde symfonie van de Finse meester tijdens een schitterend productie in het kader van de ZaterdagMatinee, waarop dit curieuze en fascinerende werk het sluitstuk vormde op een programma dat verder achtereenvolgens bestond uit de Symphony van Julian Anderson, het Klarinetconcert van Magnus Lindberg en de wereldpremière van ‘Riflesso sul aqua' van Richard Rijnvos. Toch wordt Sibelius in Nederland door de andere orkesten niet echt regelmatig gespeeld, op diens Vioolconcert, de Tweede en – al in beduidend mindere mate - Vijfde symfonie na*. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Engeland waar diens composities evenzeer tot het vaste repertoire behoren als bij ons Mahler, Bruckner (en Sjostakovitsj!). In vroeger tijden was het vooral Herbert von Karajan die met een behoorlijke regelmaat symfonieën van Sibelius vertolkte en ook opnam met achtereenvolgens het Philharmonia Orchestra en ‘zijn' Berliner Phiharmoniker (EMI en DG). Natuurlijk zijn en waren er ook nog tal van andere voortreffelijke pleitbezorgers voor Sibelius, zoals onder meer John Barborolli (EMI, nu Warner), Paavo Berglund (idem), Herbert Blomstedt (Decca) en, om een recenter voorbeeld te noemen, Hannu Lintu (DVD, Arthaus musik). En Simon Rattle heeft zich in deze al evenmin onbetuigd gelaten (zowel op cd: EMI als op dvd: label Berliner Philharmoniker). Uiteraard is deze opsomming verre van compleet. Wat er ook van zij, het gaat hoe dan ook beslist niet te ver vast te stellen dat de symfonieën van Sibelius op elpee en later cd beter zijn vertegenwoordigd dan live in de concertzaal. Zo is de Zesde symfonie door het Koninklijk Concertgebouworkest slechts in twee producties gegaan en beide keren onder wijlen Colin Davis, ook een Sibelius-interpreet van grote statuur. Maar, als het om de toporkesten in ons land gaat spant Rotterdam absoluut de kroon, de al genoemde Rattle dirigeerde tijdens zijn debuut de Vijfde van Sibelius en voorts hebben de nodige Finse dirigenten met werk van deze componist in de maasstad hun opwachting gemaakt. Daaronder bijvoorbeeld Paavo Berglund en Susanna Mälkki. Ook Valery Gergiev deed het nodige van Sibelius en … Mark Elder die op bovenstaande cd de Vierde en de Zesde verklankt

Verbanden
Laatstgenoemd werk behoort tot de meest stiefmoederlijk behandelde uit diens oeuvre. Onderzoek heeft uitgewezen dat er wat de ontstaansgeschiedenis betreft duidelijke verbanden zijn te signaleren tussen dit stuk en de beide voorgaande symfonieën. Toen Sibelius aan de eerste versie van zijn Vijfde (1915) schaafde, was hij ook nog met zijn Vierde (1911) in de weer, terwijl elementen die uiteindelijk niet in de definitieve versie van de Vijfde (1918-1919) terecht zijn gekomen deels als materiaal hebben gediend voor de Zesde (1918-1923). Wanneer het gaat om een karakterduiding van deze drie symfonieën, die het zwaartepunt vormen in Sibelius' symfonische oeuvre, valt het volgende op te merken. Bij alle verschillen delen deze composities met elkaar dat ze een zoektocht articuleren naar een nieuwe taal, want Sibelius was zich terdege bewust van de innovaties van Schönberg cum suis, maar realiseerde zich tegelijkertijd dat dit niet zijn weg was. De Vierde is het meest duistere werk uit zijn klinkende nalatenschap, een partituur waarin zowel in termen van expressie als klankkleur de extremen maximaal zijn uitgebuit en er een ongenaakbaarheid bespeurbaar is die zich haaks verhoudt tot onwillekeurig welke franje. Daarbij eindigt het geheel in een volstrekte desolaatheid. Die vormt het vertrekpunt van de Vijfde, die een buitengewoon expansieve en soms demonische grondtoon heeft, maar waarin uiteindelijk het licht overwint, zij het niet zonder slag of stoot. Dan komt de Zesde waarin de toon opeens heel anders is, intiemer, soms uiterst melancholiek, zij het onderbroken door momenten die van een hoogst eigenaardige opgewektheid om niet te zeggen euforie blijk geven en waarbij de bochten soms heel kort en scherp worden genomen.

Schijnbare ontspannen sfeer
Wie met de Vierde en Vijfde in achterhoofd naar de Zesde luistert zal het niet meteen opvallen, maar indien men meent dat breukvlakken (die in de Vijfde en sterker nog in de Vierde meer aan de oppervlakte liggen) hier ontbreken, heeft het bij het verkeerde eind. Achter de schijnbare ontspannen sfeer en de bij vlagen duidelijk waarneembare en naar binnen gekeerde hymnische gloed van de Zesde gaat een en al raadselachtigheid schuil. De opening van het eerste deel, waarin de dorische kerktoonsoort deels in hoge mate bepalend is heeft iets van een ‘Lyrischer Dankgesang' (ik ken geen symfonie van Sibelius die zo ontroerend begint), terwijl het slot van datzelfde gedeelte juist qua sfeer kardinaal van die aanhef verschilt. De overige delen hebben dat eveneens, hoe verschillend de opzet ervan ook is: er wordt op allerhande niveaus een continuïteit gesuggereerd die veelal schijn is en een muziek oplevert die een soms uiterst vluchtige tendens vertoont. Alsof iemand naar een droombeeld grijpt, wat natuurlijk onmogelijk is, aangezien de ‘stof waar dromen zijn gemaakt' zich niet in materie laat vangen. Om het even hoe men ook tegen dit werk aankijkt, de Zesde Sibelius is een stuk voor de fijnproever. Het verdient dan ook zeker geen aanbeveling om – zoals Elder het op deze cd doet – eerst naar de Vierde de luisteren, alvorens de Zesde tot zich te nemen (gelukkig kan een cd naar believen worden geprogrammeerd!), omdat de luisteraar anders het niet te verwaarlozen risico loopt de subtiliteiten van het geheel niet of nauwelijks op te merken. De Zesde is doordesemd van een soort ‘Spätstil', die men ook in de late kamermuziek van Beethoven en Schubert tegenkomt, zij het in dit geval gehuld in een exquis en subliem orkestraal gewaad. Typisch een muziek die men wel of niet kan waarderen, maar die bij een herhaald luisteren steeds meer van haar geheimen zal prijsgeven en waarbij de uiteindelijke indruk wel eens deze zou kunnen zijn: dat de Zesde au fond wel eens nog revolutionairder zou kunnen zijn dan de Vierde, die deze reputatie van meet af aan bezit. Dat komt misschien ook omdat in de Zesde de gebaren kleiner zijn en de geraffineerde overgangen zich op een aanmerkelijk subtieler vlak afspelen. Een van die raadselachtige momenten is ook de afsluiting van de schijnbaar opgewekte finale, waar de sfeer vlak voor de eindstreep omslaat in die van een bijna tragische verstilling die, wat dat betreft, het slot van de Vierde in herinnering roept. Het kan verkeren.

Meedogenloze en ongerepte inslag
Vooral in die finale zijn Elder en het Hallé Orchestra – dat op Sibelius-terrein in grote naam heeft hoog te houden; niemand minder dan de componist zelf leidde het befaamde orkest in Manchester tijdens een tournee door Engeland! – bijzonder in hun element. Mede door een net iets uitgebalanceerder genomen tempo dan de meeste andere dirigenten. Tijdens de overige delen heerst een zekere afstandelijkheid, waardoor Elder mijn favoriete uitvoeringen onder Karajan (op DG) en Blomstedt (Decca) niet helemaal kan doen vergeten. Toch betekent dit laatste niet dat men niet wordt getroffen door prachtige instrumentale details en het is – hoe paradoxaal het ook moge klinken – dankzij die ietwat nuchtere tendens in Elders aanpak dat met name die al genoemde en dieper liggen breuklijnen haarscherp worden geprofileerd. Want als men iets op Karajan zou kunnen afdingen is het misschien wel dat de muziek soms ‘te mooi ‘ klinkt, mede door enkele ongeëvenaard fraai overkomende strijkersportamenti, een fenomeen waar alleen de Berliner toen het patent op hadden (maar ik blijf er voor vallen!). Elder is wat dat betreft meer te plaatsen in een enigszins historiserend geïnformeerde uitvoeringstraditie. Mijn oordeel is dan ook al het andere dan zwart/wit en eerder toe te schrijven aan een smaakkwestie. In de Vierde vind ik die licht-nuchtere benadering overtuigender uit de verf komen, omdat juist daardoor de meedogenloze en ongerepte inslag van de muziek een imponerend accent krijgt. Een verhaal apart is het il tempo largo (derde deel) dat zich qua speelduur - 12'47 – dichter in de buurt van Vänskä (14'06 - Bis met het Lahti Orchestra) dan bij voorbeeld van Beecham (9'34 – EMI) en Gibson (8'45 – Collect) bevindt. Elder laat niet alleen hier, maar in de gehele symfonie de muziek voor zich spreken, met als gevolg een, voor zover men dat van een gebroken betoog als deze Vierde kan zeggen, bij uitstek natuurlijk verloop. Het weliswaar dynamische maar ook soms wat onderkoelde (in bedoel dit laatste niet persé negatief, integendeel), klankbeeld is door de opnametechnici zonder meer prachtig in de bytes gevangen en past als een handschoen om de visie die Elder voorstaat.

_________________
*) Hoewel het aan de balk mag dat oud orkestdirecteur van Het Gelders Orkest Hans Hierck op 7 november 1985 – naar aanleiding van het Kalevala-jaar - in Nijmegen de landelijke zaal première van Sibelius' avondvullende Kullervo-symfonie heeft weten te bewerkstelligen. En wel met voornoemd ensemble onder leiding van zijn toenmalige chef-dirigent, de Italiaan Guido Ajmone-Marsan, nadat Hierck, toen hij nog als muziekproducer en -presentator bij de NOS (de nu niet meer bestaande Nederlandse Omroep Stichting) werkte, verantwoordelijk was voor de Nederlandse vuurdoop van dit werk in de vorm van een radioproductie geleid door de Finse dirigent Okko Kamu.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links