CD-recensie

 

© Maarten Brandt, augustus 2018

 

The Rotterdam Philharmonic Orchestra Collection - Yannick Nézet-Séguin

Sjostakovitsj: Symfonie nr. 4 in c, op. 43

Mahler: Symfonie nr. 10 in Fis (versie Deryck Cooke II)

Beethoven: symfonie nr. 8 in F, op. 93

Tsjaikovski: Francesca da Rimini op. 32

Turnage: Pianoconcert*

Bartók: Concert voor orkest Sz116

Dvorák: Symfonie nr. 8 in G, op. 88

Bruckner: Symfonie nr. 8 in c (versie 1887/1890 Robert Haas)

Debussy: Trois Nocturnes

Haydn: Symfonie nr. 44 in e, Hob.I:44 (Trauer)

Marc-André Hamelin (piano)*, Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Yannick Nézet-Séguin
DG 483 5345 • 8.11' • (6 cd's)
Live-opnamen, gemaakt in De Doelen, Rotterdam op (in chronologische volgorde):
14 en 15 juni 2011 (Bartók)
8 en 9 november 2012 (Haydn)
10 en 11 oktober 2013 (Turnage)
12-14 december 2014 (Debussy)
30 oktober en 1 november 2015 (Tsjaikovski)
15 en 16 februari 2016 (Bruckner)
21 en 22 april 2016 (Mahler/Cooke)
9-16 december 2016 (Beethoven, Dvorák en Sjostakovitsj)

Ook op o.a. Spotify

 

Geen groter verschil dan tussen de twee dirigenten-reuzen, de rus Valery Gergiev en de canadees Yannick Nézet-Séguin. Eerstgenoemde maestro weet zijn publiek niet zelden in trance te brengen met qua dramatiek en temperament alles en iedereen platwalsende vertolkingen, maar tevens met optredens die - mede als gevolg van Gergievs niet alleen overvolle maar vooral ook overlopende agenda, dubbele afspraken een enkele maal zelfs niet uitgezonderd! - soms op het randje zijn. Wie herinnert zich niet het ZaterdagMatinee-concert van alweer tal van jaren geleden met de Negende Mahler? Terwijl Gergiev dezelfde ochtend nog op Schiphol moest landen na een Don Carlos in New York te hebben geleid en de Mahler-partituur (die natuurlijk wel was ingezeept, maar dat is weer een ander verhaal) enkele momenten voor de uitvoering voor het eerst zag? De resultaten waren ernaar.

Dat laatste zal Nézet-Séguin nooit overkomen, hij is de man van een gestage, maar zekere om niet te zeggen onafwendbare grote (en grootse!) ontwikkeling. Om niet te zeggen een ontwikkeling die - in tegenstelling tot die van Gergiev - in hoge mate wordt geschraagd door een gedegen planning en vooral: evenwichtigheid. Gergiev weet zijn luisterschare voor het moment zeer dikwijls te betoveren, maar de aard van het musiceren van Nézet-Séguin wordt getypeerd door een enorme graad van duurzaamheid. Hij is daarbij ook echt een bouwer, iemand bij wie niet zozeer het ego vooropstaat als wel het streven naar een categorie van musiceren die op en top inflatiebestendig is.

Keerzijden
Natuurlijk zijn ook hier keerzijden aanwijsbaar. Nézet-Séguin is bepaald niet de man van het, programmatisch gezien, grote avontuur. De grensverleggende kant van de afgelopen en huidige eeuw, daar heeft hij hoegenaamd niets mee. Ook niet met Nederlandse muziek. Schönberg, Webern, Berg, Boulez, Stockhausen, Berio, Ligeti en (de rijpe) Lutoslawski, om slechts enkele namen te noemen, komen op zijn lijst niet voor en Diepenbrock, Pijper, Vermeulen, (Ton) de Leeuw, Van Vlijmen, Heppener, Escher etc. al evenmin. Nee, met uitzondering van een enkel klein uitstapje, zoals het op bovengenoemde collectie cd's te horen Pianoconcert van de Engelse componist Mark-Anthony Turnage, is het doorgaans wel bekeken. Nézet-Séguin is echt een, om niet te zeggen, DE man van het grote om niet te zeggen gietijzeren repertoire. Dit met enkele onmiskenbaar duidelijke specialiteiten. Naast zijn éclatante affiniteit met Mahler en Bruckner is er namelijk zijn opvallende gevoel voor de finesses van de Franse toonkunst. Getuige bijvoorbeeld de op deze riant gevulde cd's te horen Trois nocturnes van Debussy: analytisch en op hetzelfde moment voorzien (Sirènes) van een brede golfslag, want met 11'13 is Nézet-Séguin in die afsluitende nocturne bijvoorbeeld onmiskenbaar langzamer dan die andere expert op het gebied van deze muziek: Pierre Boulez. Dezelfde Boulez die Debussy niet voor niets als een van de grootste vernieuwers in de muziek beschouwde en in dat opzicht minstens even belangrijk als Webern.

Geloof in de goede zaak
En dit feit doet ons weer even bij het gietijzeren repertoire in relatie tot het RPhO aanbelanden. Het geval wil namelijk dat dit helemaal spoort met de 'filosofie' (als dat al niet een te groot woord is) van het huidige management dat zich alleen maar om publiekscijfers bekommert, lees: slechts op de vraag inspeelt, maar er niet of ternauwernood voor openstaat dat men - zonder overigens dat grote repertoire te verwaarlozen, want daar gaat het hier niet om - ook vraag zou kunnen creëren door de luisteraar meer avontuur te bieden. Wanneer het mogelijk is - en dat is wat bij veel zo niet de meeste orkesten thans 'en vogue' is - een publiek af te stompen, is ook het omgekeerde haalbaar. Alleen dat kost meer inspanning en betekent dat het primaat niet alleen nadrukkelijker bij het artistiek team moet liggen, maar ook dat het management beter gepokt en gemazeld moet zijn waar dit het geloof in de goede zaak betreft. En dat betekent vooral: ook voor minder gangbare en nieuwe muziek enthousiasme uitstralen en zo het publiek nieuwsgierig maken. Maar goed nu terug naar het op deze cd's gebodene, want los van al deze overwegingen is één ding zonneklaar en dat is dat wat hier te horen is doorgaans van onbetwist topniveau is. Ik noemde dat Pianoconcert van Turnage al, niet het meest diepgaande stuk van het eigentijdse componeren, maar wel technisch bepaald niet eenvoudig, zeer virtuoos en rijk aan ritmische hoogstandjes. Niettemin komt het geheel op mij over alsof deze partituur - wat een fenomenale pianist is die Hamelin toch! - al langer dan weet ik hoeveel jaren tot het kernrepertoire van het orkest behoort en het is maar al te bekend hoe weinig moderne muziek het RPhO de laatste decennia heeft gespeeld. En dat laatste zegt opnieuw het nodige over het meesterschap van Nézet-Séguin die zijn orkest in Turnage onafgebroken op de punt van de stoel laat spelen.

Spanningsbogen
Meesterschap is zeker ook het trefwoord om de grandioze verklanking van wat Celibidache terecht ooit het "Zenith des symphonischen Komponierens" heeft genoemd, Bruckners Achtste symfonie mee te karakteriseren. Ik herinner me die uitvoering nog, want heb die destijds zelf onder auspiciën van de Vrienden van het Rotterdams Philharmonisch Orkest ingeleid. Ook ben ik nog niet vergeten dat ik me toen enorm op die uitvoering verheugde omdat die stond aangekondigd als die van de oerversie uit 1887 die echter ter elfder ure niet doorging. Doodjammer, want wat had ik die graag onder Nézet-Séguin willen horen. In plaats daarvan opteerde de dirigent voor de aanvechtbare mixversie van Robert Haas waar men tegenwoordig eigenlijk niet meer mee kan aankomen. Een editie immers waar musicologisch veel op valt af te dingen, omdat elementen uit twee uiteenlopende bronnen op strikt willekeurige, lees: louter subjectieve basis met elkaar zijn gecombineerd. Wil dit nu zeggen dat Nézet-Séguin is gekant tegen de oerversies van zijn grote idool? Allesbehalve, want dat bewees hij ondubbelzinnig met met zijn beide op cd vastgelegde uitvoeringen van de Derde symfonie, waarvan die met de Dresdner Staatskapelle op Profil de kroon spant en door mij (klik hier voor de recensie) voor onze site is besproken. Dit gezegd hebbende heb ik weer ademloos naar deze lezing van Bruckners Achtste zitten luisteren, die me qua aanpak - en dat bedoel ik als een zeer groot compliment - bij vlagen deed denken aan de tweede Philips-vastlegging van dit werk onder Haitink, nog steeds - des Haas ondanks - een van de grote referentie-opnamen van deze symfonische kolos. Het is ongelooflijk hoe Nézet-Séguin de spanningsbogen naadloos, en dat van begin tot eind, weet door te trekken en de climaxen perfect vermag te doseren. Dit in alle rust en met een open oog voor de enorme vergezichten waar de klanktaal van de Oostenrijkse symfonicus het zo bij uitstek van moet hebben. Hiertegen verbleekt zijn commerciële registratie met het Orchestre Métropolitain (ATMA) in het kader van zijn integrale Bruckner-cyclus ten enenmale.

Yannick Nézet-Séguin tekent contract met Deutsche Grammophon (met links Ute Fesquet, Vice President Artist & Repertoire en rechts Clemens Trautmann, President)

Geest
Over Mahlers door Deryck Cooke en tal van anderen 'gerealiseerde' Tiende van Mahler kan men denken wat men wil. Zoveel is zeker, de zaak ligt aanzienlijk problematischer dan bij de finale van de Negende Bruckner die voor 98 procent af was, en waarvan de coda niet alleen van een orgelrecital door Bruckner zelf al min of meer viel te herleiden, maar ook van het in schets overgeleverde materiaal zelf, zoals Cohrs en de zijnen op zeer overtuigende wijze hebben weten aan te tonen. Dit terwijl, op het Adagio en in mindere mate het Purgatorio na, Mahlers Tiende in een dermate rudimentaire staat is overgeleverd dat men het haast wel met Marius Flothuis eens moet zijn dat het hier eerder om de "Eerste symfonie van Cooke gebaseerd op de schetsen van de Tiende van Mahler [gaat]" dan de Tiende van Mahler. Want die Tiende van Mahler is - hoe we het ook wenden of keren - niets meer of minder dan dat befaamde openingsdeel, dat schitterende adagio en tegelijkertijd ook meest grensverleggende onderdeel van dit torso. Dit alles neemt geenszins weg, want zo kan men het ook stellen, dat die mahleriaanse symfonie van Cooke een hoogst imposant geheel vormt en dat de geest van Mahler er hoe dan ook duidelijk in rondwaart, ook al valt er over de inkleding van de elementen uit de door Mahler neergeschreven schetsen in hoge mate te twisten. Op YouTube kan men de vertolking door het RPhO en Nézet-Séguin van de NTR-ZaterdagMatinee zien en horen. Toen was al vast te stellen dat die uitvoering zich volledig kon meten met die van de Berliner Philharmoniker onder Sir Simon Rattle (EMI). In diezelfde periode, dus medio april 2016, speelden de Rotterdammers dit werk onder hun chef in hun thuisbasis De Doelen en het resultaat was opnieuw zeer indrukwekkend en wat méér is: veel indrukwekkender dan zijn studioregistratie met het Orchestre Métropolitain (ATMA). De benadering van het geheel staat weliswaar stijf van de dramatiek, maar (en dat is een hele kunst) zonder daarbij in termen van sentimentaliteit ook maar een seconde over de schreef te gaan. Voorwaar een magistrale verklanking, die - behalve door Rattle - hooguit wordt geëvenaard door de totaal anders geaarde uitvoering door het Philadelphia Orchestra onder leiding van James Levine (RCA). Nu maar hopen dat het RPhO eerstgenoemde nog eens uitnodigt voor een Bruckner Negen mét finale!

Ragfijnste pianissimi
Toen ik zag dat deze Rotterdamse collectie opnieuw Sjostakovitsj bevatte, moest ik wel even slikken, want immers als er één orkest is waar de Sjostakovitsj-hausse ziekelijke en belachelijke vormen heeft aangenomen is het wel bij het ensemble aan de Maas. Aan de andere kant is het de Vierde, verreweg de meest pionierende symfonie van zijn schepper. De plaats die de Zesde in Mahlers oeuvre vertegenwoordigt en de Drei Orchesterstücke, opus 6 van Berg, die neemt de Vierde symfonie in de klinkende nalatenschap van de alom geliefde Dmitri in. Dit werk is op grote afstand het meest weerbarstige en compromisloze stuk in het componeren van deze Rus. Dat is, hoe men het ook wendt of keert , aan geen enkele twijfel onderhevig en daarom alleen al staat deze Vierde op eenzame hoogte. Gergiev wist met deze symfonie de luisteraar een bijkans lijfelijke sensatie te bezorgen en Kondrashin destijds - die de Nederlandse vuurdoop van deze partituur bij het Koninklijk Concertgebouworkest leidde, waarvan hij toen vaste dirigent was - niet minder, hoewel hij in de ingetogen passages meer fijnzinnigheid aan de dag legde dan zijn latere Russische confrater. En Nézet-Séguin? Hoe brengt hij het er van af? Op een geheel andere wijze dan beide voornoemde dirigenten. Het vreemde is dat zijn benadering qua het doortrekken van - alweer - de grote lijnen en een opmerkelijk oog voor zelfs het kleinste detail me heel sterk aan Haitinks geniale vertolking uit Chicago deed denken (CSO Resound). Waarom vreemd? Omdat er wat de speelduur betreft maar liefst er periode van plusminus 7 minuten gaapt tussen de lezing van Haitink en die van Nézet-Séguin (70 tegen 63). Maar toch komt onder de baton van de Canadees niets gejaagd over, integendeel. Ik bespeurde in dit stuk tal van nieuwe doorkijkjes, andere accenten, maar ook een formidabele greep op het totaal. De klank is rijk, maar nooit massief, en dat is voor een live-opname een prestatie van ongekend formaat, zeker bij een compositie als deze. En daarbij verstaat Nézet-Séguin de kunst van het hanteren van de ragfijnste pianissimi (en dat in een symfonie met de meest dissonerende en wat dat betreft compromisloos klinkende geluidsuitbarstingen die Sjostakovitsj ooit schreef!) op een manier die opnieuw de naam van Kondrashin in herinnering brengt, een dirigent die als nauwelijks een ander van zijn generatie evenzeer befaamd was om het aanbrengen van de zachtst denkbare dynamische gradaties zonder de helder- en doorzichtigheid aan kracht te laten inboeten.

Basfundament
Ook het klassieke repertoire is bij Nézet-Séguin in uitstekende handen. Verwacht in Haydn en Beethoven geen op en top historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk, maar eerder een benadering - en dat is allerminst een straf om naar te luisteren - die soms de naam van Josef Krips in gedachten brengt. En dat betekent noblesse, een mooie afwerking van de klank die op zijn beurt veelal slank, maar ook kernachtig van karakter is. In Dvoráks Achtste laat de dirigent de teugels behoorlijk ruim vieren en komt het zangerige karakter van deze symfonie echt schitterend tot zijn recht. Last but not least is er Bartóks Concert voor orkest die mij de modelvertolkingen onder Fritz Reiner (RCA) en Antal Dorati (Mercury en Philips met achtereenvolgens het London Symphony Orchestra en het Koninklijk Concertgebouworkest) weliswaar niet kan doen vergeten - maar dan leggen we de lat wel extreem hoog -, maar die daar bij vlagen wel heel dicht bij in de buurt komt. De enige in wie Nézet-Séguin wat betreft Tsjaikovski's Francesca da Rimini naar mijn persoonlijke mening echt zijn meerdere moet erkennen is Haitinks superieure Philips-opname van dit werk. Alweer de nodige jaren oud, maar wat een klank! En het Koninklijk Concertgebouworkest op het toppunt van zijn kunnen.

Nog een enkel woord over de weergavekwaliteit. Zoals u uit het voorgaande al heeft kunnen opmerken is die doorgaans goed tot zeer goed (slagwerk in Sjostakovitsj, berg u maar! Schier onbegrensde dynamiek). Alleen in de Achtste Bruckner, zeer helder klinkend daar niet van, had het basfundament een fractie substantiëler gekund (pauken bijvoorbeeld). Natuurlijk hebben we het hier over live-registraties, maar wie deze Achtste wat dit aspect betreft vergelijkt met de recentelijk door mij besproken live-opname uit Beieren onder Jansons (BR Klassik, klik hier voor de recensie) weet wat ik bedoel.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links