CD-recensie

 

© Maarten Brandt, oktober 2009

 

 

Gustav Mahler: Symfonie nr. 8 in Es.

Sylvia Greenberg, Lynne Dawson en Sally Matthews (sopraan), Sophia Koch en Elena Manistina (alt), Robert Gambill (tenor), Detlef Roth (bariton) en Jan-Hendrik Rootering (bas), Rundfunkchor Berlin (instudering: Simon Halsey), MDR Rundfunkchor Leipzig (instudering: Howard Arman), Windsbacher Knabenchor (instudering: Karl-Friedrich Beringer), Deutsches Symphonie-Orchester Berlin o.l.v. Kent Nagano.

Harmonia Mundi 901858.59 • 88' • (2 sacd's)


De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat uw scribent met de Achtste symfonie van Mahler, bijgenaamd de Sinfonie der Tausend, altijd de meeste moeite heeft gehad. Anders dan bijvoorbeeld de Vierde, de Zesde en de Negende, stuk voor stuk symfonieën waarin, ondanks de soms grote lengte, geen noot teveel staat, komt de Achtste vaak over als een werk waarin de maker zichzelf overschreeuwt en het eerder om groot, groter, grootst dan iets anders lijkt te gaan. O zeker, het stuk bevat schitterende momenten, zoals bijvoorbeeld het grandioze orkestrale voorspel tot het tweede deel, een toonzetting van de slotscène uit het tweede deel van Goethe's drama Faust, het slotkoor, het befaamde Chorus Mysticus uit datzelfde gedeelte en niet te vergeten natuurlijk de hemelbestormende doorwerking van het eerste deel, de Pinksterhymne Veni Creator Spiritus. Maar al snel slaat tijdens het luisteren de vermoeidheid toe door het teveel aan decibels en vervolgens door het simpele feit dat het au fond onmogelijk is een partituur met een dermate massale bezetting adequaat op cd vast te leggen. Niettemin mag Mahlers volgens hemzelf meest ambitieuze opus zich in een groot aantal opnamen verheugen. Bijna teveel om op te noemen zelfs. Zo zijn Mahler-dirigenten van onbetwiste faam als Leonard Bernstein (Sony en DG), Bernard Haitink (Pentatone), Georg Solti (Decca), Rafael Kubelík (DG en Audite), Simon Rattle (EMI), Claudio Abbado (DG) en Pierre Boulez (DG) de uitdaging aangegaan. Maar deze lijst is verre van compleet.

 
  Mahler voor de ingang van de Weense hofoper ten tijde van de voltooiing van zijn Achtste symfonie in 1907

Kern

Uit het overstelpende aanbod Mahler-opnamen is te verklaren waarom bovenstaande in 2005 verschenen registratie onder Kent Nagano nauwelijks is opgevallen. Dezelfde Nagano die met het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin voor een zeer matige vastlegging van de Derde van Mahler tekende. Maar deze Achtste is niet minder dan een openbaring. Interpretatief en opnametechnisch. Voor het eerst is het me gelukt alle reserves ten aanzien van deze halverwege oratorium, mis en opera balancerende symfonie zonder ook maar een greintje uitputting terzijde te schuiven. Wel te verstaan, vastgenageld op de punt van mijn stoel. Allerhande passages die me in de overige uitvoeringen nogal eens zwak voorkwamen, vielen me niet alleen absoluut niet op; ze bleken niet te bestaan. Mahlers 'Opus ultimum' is toch een meesterwerk. Met dien verstande dat dit slechts als zodanig overkomt als de troepen door een dirigent worden aangevuurd die de kern van deze symfonie aanvoelt. En die kern heeft te maken met het oceanische, het tot uitdrukking willen brengen van ultieme verbondenheid met de oergrond van het zijnde. En, last but not least met de niet te onderdrukken 'Sehnsucht' daarin op te gaan.  Ik heb al die kreten van Mahler over zijn Achtste, waaronder zijn idee dat deze compositie het hele universum tot klinken brengt, altijd tamelijk grote onzin gevonden, totdat ik deze uitvoering hoorde.

Furtwängleriaanse visie

De kracht van Nagano schuilt in de beheersing, het perfect doseren van de pieken en dalen binnen het spanningsverloop. En bovendien neemt hij de tijd: dit is met een speelduur van bijna anderhalf uur een van de breedst opgezette Achtstes van Mahler ooit. Maar toch sleept de zaak geen moment, altijd is er een innerlijke spanning, en een klank die tegelijkertijd verfijnd en substantieel is. Wie na Nagano bijvoorbeeld Haitink of Solti opzet merkt pas hoe ongenuanceerd en niet zelden arm aan frasering  hun aanpak is, om het even hoe laatstgenoemde door zijn drive soms toch enorm weet te imponeren. De keerzijde van Solti's benadering is echter dat hij vaak teveel van de ene naar de andere climax jakkert waardoor een soort dramatische inflatie in de hand wordt gewerkt. Maar Nagano verstaat als geen ander bij zijn weergave van dit stuk de kunst van het "reculer pour mieux sauter." Als er al een term is om Nagano's visie mee te omschrijven dan is het wel Furtwängleriaans. Zoals Furtwängler de Negende van Beethoven tot leven wekt, doet Nagano dit met Mahlers verpletterende koorsymfonie. Het soms net een stapje terugdoen in tempo of dynamiek heeft inderdaad de bedoeling om de spankracht te intensiveren. Daarin lijkt Nagano niet alleen op Furtwängler maar zelfs op Celibidache (die niets met Mahler had, maar dat is weer een ander verhaal). Een van de euvels van de Achtste in het algemeen en het tweede deel in het bijzonder is dat het geheel in een liedertafel-achtige muziek kan ontaarden en ook dat bepaalde melodieën neigen naar een niveau hetwelk dat van een operette amper ontstijgt.

 
  Mahler dirigeert de première van zijn Achtste symfonie op 12 september 1910 in de »Neue Musikfesthalle« in München
   
   

Rubati

Een voorbeeld hiervan is het Adagissimo (Ausserst langsam) uit deel II, zijnde het louter instrumentale intermezzo waarmee het aanzweven van Mater Gloriosa in klinkende munt wordt omgesmeed. In verreweg de meeste uitvoeringen komt deze episode als een voorbij waaiend deuntje over, op z'n best als de mahleriaanse versie van de Méditation uit Massenets opera Thaïs. Zo niet onder Nagano, die hier voor een smachtend en uiterst breed tempo opteert, inclusief portamenti à la Mengelberg bij de violen en enorme rubati, waardoor deze muziek op slag volkomen geloofwaardig wordt en een theatraal effect zonder gelijke wordt gesorteerd.

Het is overigens over de gehele linie opvallend hoeveel zorg er is besteed aan het uitlichten van de talloze orkestrale details, net zoals dit tevens het geval is in de uitvoering onder Boulez. Zij het dat Nagano de noten nog sterker poëtisch weet te laden en bovendien met een 'suspense' die ongekend is. Voorts is de wijze waarop het orgel (bespeeld door Sigurd Brauns) zich met het ensemble mengt voorbeeldig te noemen en dat aspect was nu juist de achilleshiel bij Boulez (klik hier voor de recensie).

Dan het Chorus Mysticus waar Nagano je door de minutieuze greep op het temporele verloop de adem doet inhouden en waardoor de sonore en diep-klinkende bassen van het koor - ondanks het ragfijnst denkbare pianissimo tijdens het begin - haarscherp doorkomen. Wat dan volgt is in de meest omvattende zin des woords oogverblindend.

Achtste voor een onbewoond eiland

Het solistische team is tevens van de bovenste plank, waaraan zij toegevoegd dat het vrijwel onmogelijk is om daarin homogeniteit te bereiken. Er is altijd wel een stem die er onaangenaam uitspringt. Meestal is dat de tenor. Maar dat is me deze keer niet opgevallen. Dat is mede toe te schrijven aan de omstandigheid dat Nagano de solisten niet als een verzameling willekeurige zangers, maar als een echt team laat fungeren. Het gevolg is dat zowel de solistische als de massale secties volkomen evenwichtig werken, zelfs wanneer solisten en koor gelijk optrekken, zoals op de nodige plaatsen in het Accende lumen sensibus van het eerste deel. De technici hebben het totaal meesterlijk in de bytes gevangen. In termen van geluidskwaliteit staat deze unieke vastlegging dan ook op hetzelfde niveau als de door Pentatone opnieuw geremasterde en in SuperAudio formaat uitgegeven (maar artistiek weinig overtuigende) Philipsopname onder Haitink.

Natuurlijk, een cd - en ook een SuperAudio cd al dan niet in surround beluisterd - kan het live ervaren van een werk als dit nooit vervangen, maar deze productie komt daar toch verrassend dicht bij. Ik had niet verwacht ooit de Achtste van Mahler naar het tropische onbewoonde eiland mee te nemen, maar ik vrees dat ik er dankzij Nagano niet onderuitkom.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links