CD-recensie

 

© Maarten Brandt, september 2020

Paul van Kempen - Complete Philips Recordings

Diverse koren en solisten, Radio Filharmonisch Orkest, Koninklijk Concertgebouworkest, Berliner Philharmoniker, Orchestre Lamoureux, Orchestra dell'Accademia Nazionale di Sante Cecilia Rome en Orchestra del Teatro alla Scala o.l.v. Paul van Kempen (voor compleet overzicht: klik hier)
Decca Eloquence 484 0237 (10 cd's)

www.EloquenceClassics.com

   

Als de dag van gisteren herinner ik me nog het bezoek aan de Bussemergrintweg te Hilversum waar mijn opa, de vader van mijn vader, woonde en die zei “zo je hebt nu wel Bach en Beethoven leren kennen, maar luister hier maar eens naar.” Wat er klonk was een muziek opwellend uit de diepste en zwartste catacomben die ik me maar voor de geest kon halen en waarbij gaandeweg de spanning naar het bijkans ondraaglijke werd opgevoerd. Een geheel doortrokken van climaxen die je letterlijk de adem benamen. Er speelde een orkest van absolute topklasse, geleid door een dirigent die zich geen enkele reserve oplegde, maar het geheel tegelijkertijd met een ongekend ferme om niet te zeggen ijzeren greep in zijn hand hield. Naarmate het stuk vorderde en met een derde deel waar de vonken van afspatten, volgde een finale die me door die ongenaakbare aanpak nog meer verbijsterde dan alles wat daaraan vooraf was gegaan. Een muziek zonder ook maar een sprankje hoop en toch van een schoonheid die toen nog helemaal vreemd voor me was. Het bleek om de Zesde symfonie, de befaamde ‘Pathétique', van Tsjaikovski te gaan in een uitvoering door het Concertgebouworkest onder leiding van een tot op dat moment volstrekt onbekende dirigent voor mij: Paul van Kempen (1893-1955).

Nu is het met jeugdherinneringen altijd uitkijken geblazen. Immers, voordat men het goed en wel in de gaten heeft ligt het gevaar van idealiseren op de loer. Na die gedenkwaardige avond heb ik tientallen en nog eens tientallen ‘Pathétiques' gehoord: Mravinski (DG), Haitink (Philips), Karajan (DG en EMI; vooral die van de symfonieën 4-6 op EMI uit de jaren zeventig zijn niet te versmaden!), Jansons (Chandos), Bernstein (DG) en zo voorts, en zo voorts, want de lijst kan eindeloos worden uitgebreid. Toen bovenstaande Van Kempen-editie uitkwam, met tal van opnamen die nu voor het eerst op cd verschijnen, ben ik natuurlijk eerst naar die Tsjaikovski-uitvoering gaan luisteren om na te gaan of ik daar anno 2020 nog steeds zo van onder de indruk zou zijn als destijds in het huis van mijn grootvader. En wat wil het geval? Nog onverminderd blijkt die vertolking uit 1951 niets aan kracht en verzengde gloed te hebben ingeboet. Sterker nog: dankzij de sublieme remastering door Chris Bernauer klinkt het geheel op deze Decca Eloquence-uitgave nog verpletterender dan toen. Het zijn grote woorden, ik weet het, maar zelfs de met recht legendarisch te noemen Mravinsky en zijn toenmalige Leningraders (DG), hoe indrukwekkend ook, hebben hier toch het nakijken. De orkestrale uitbarstingen komen in geen enkele van de mij bekende uitvoeringen zo bloeddoorlopen en witheet over als onder Van Kempen, terwijl de afgrondelijke tragiek van het laatste deel elke hoop in de kiem smoort. Kortom, hier is sprake van authenticiteit in de singuliere zin van dat begip. Alleen al daarom werd Paul van Kempen voor mij een naam om nooit meer te vergeten en heb ik reikhalzend uitgezien naar deze gerust als definitief te bestempelen verzameling opnames van deze Nederlandse en nadien (nog voor de Tweede Wereldoorlog) tot Duitser genaturaliseerde dirigent.

“Geen misdaad om geen held te zijn”
Wie was deze man? Men zou zeggen, een wereldberoemd dirigent. Maar de werkelijkheid ligt toch net even anders. Als Van Kempen namelijk nog bij de gemiddelde muziekliefhebber bekend is dan door de lastercampagne die in Amsterdam tegen hem op touw werd gezet vanwege een vermeend Nazi-verleden. Een actie die eind januari 1951 uiteindelijk zou culmineren in dat beruchte schandaal, compleet met stinkbommen, tijdens uitvoeringen van Verdi's Requiem met het Concertgebouworkest, waarvan de tweede op zondag 28 januari van genoemd jaar niet eens kon beginnen omdat er opnieuw amok dreigde uit te breken. Zeker Van Kempen was werkzaam in Duitsland. Waarom? Welnu, omdat deze als violist in het Concertgebouworkest onder Willem Mengelberg begonnen musicus graag dirigent wilde worden en hij in ons land wat dat betreft geen poot aan de grond kon krijgen (een situatie die voor uit ons land geboortige dirigenten overigens ook tegenwoordig nog heel actueel is. Wat heet! Nederland is, enkele uitzonderingen daargelaten, kampioen in het onderschatten van eigen talent). Daarom accepteerde hij in 1932 een chefdirigentschap in Oberhausen, dirigeerde vervolgens de Dresdner Philharmoniker – die hij tot een evenknie van de bekendere Dresdner Staatskapelle wist te maken en dat was geen geringe opgave! - en volgde Herbert Von Karajan op bij het Sinfonieorchester Aachen dat hij twee jaar lang leidde totdat de oorlogsomstandigheden zulks onmogelijk maakten. Maar was Van Kempen alleen daarom een Nazi? Dat te beweren gaat echt te ver, want dat zou dan ook onverminderd opgaan voor al die andere Duitsers. En niet te vergeten de nodige Nederlanders! Er zijn wat dat betreft klinkende namen te noemen van hen die tijdens de oorlog tevens omwille van hun loopbaan zijn blijven doorwerken. Beter ware het dan ook om hier Marius Flothuis (1914-2001), oud artistiek leider van het Concertgebouworkest, aan te halen wiens uitlating “het is geen misdaad om geen held te zijn” de zaak tot in de kern treft. En dan hebben we het over een honderd procent onkreukbaar mens, die – evenals zovelen – was getekend door het leed van de oorlog en totdat hij zijn laatste adem uitblies concessieloos principieel bleef.

Prestatie
De historicus en muziekkenner Niek Nelissen, die van de producer van Eloquence Cyrus Meher-Homji ‘carte blanche' heeft gekregen om voor deze productie in de archieven te duiken, was in hoge mate verantwoordelijk voor de samenstelling van deze fenomenale collectie. Daarnaast schreef hij ook het voortreffelijke boekje, waarin hij niet zonder reden de fel anti-Duits gezinde Nederlandse componist, muziekcriticus en essayist Matthijs Vermeulen (1888-1967) noemt. Het mag namelijk aan de balk dat zelfs hij zijn medelijden met Van Kempen, die op een gegeven moment door God en iedereen verlaten op het podium stond, nadat de uitvoering van Verdi's dodenmis door de actievoerders was verhinderd, niet kon onderdrukken. Het is trouwens een boekje dat allereerst opvalt door een op en top voorbeeldig gedocumenteerde tekst. Want het mag als een immense prestatie worden gezien in een dergelijk kort bestek zo'n volledig beeld van een dirigent te geven. Niet alleen historisch, ook in muzikaal opzicht! Kortom, Nelissens essay in combinatie met de samengebrachte opnamen geeft een aanzienlijk adequatere afspiegeling dan wat een gemiddelde biografie vermag. Dat is nog niet alles, want de auteur is er door zijn fanatieke speurwerk in geslaagd maar liefst zes nooit eerder gepubliceerde foto's te vinden die in de tekst zijn opgenomen en deze set alleen al daarom tot een hoogst begerenswaardig collectors-item maken die het zonder meer verdient om geducht in de prijzen te vallen.

Melancholie
Om nog even bij Tsjaikovski te blijven, na de Zesde was ik uiteraard extra nieuwsgierig geworden naar de Vijfde die weliswaar een controversiëlere indruk achterlaat dan Van Kempens lezing van de ‘Pathétique'. Niet alleen omdat hij diezelfde enorme coupure vlak voor de apotheose van de finale maakt als Mengelberg (wellicht dat Van Kempen om die reden een ‘Mengelberg in zakformaat' werd genoemd!) ook omwille van de wetenschap dat hij het nodig achtte twee bekkenslagen in de coda van datzelfde deel toe te voegen. Maar verder is het een zeldzaam meeslepende en oogverblindende uitvoering, doortrokken van en enorm temperament en heilig vuur. Dit met opnieuw climaxen die door roeien en ruiten gaan. Ook is er kleingoed van de grote Russische componist in deze verzameling te vinden, getuige bijvoorbeeld een spetterende verklanking met het Concertgebouworkest van ‘Capriccio italien', ooit een repertoirestuk maar nu een partituur die gek genoeg niet dikwijls meer op de lessenaars ligt. Met het Orchestre Lamoureux ontfermde Van Kempen zich over Tsjaikovski's Serenade voor strijkers en dit in een breed-ademende aanpak die volop recht doet aan niet alleen de zwier, maar bovenal ook de melancholie waarvan dit werk is doordesemd.

‘Puik van zoete kelen'
Vanwege dat al genoemde zogenaamde Nazi-verleden was Van Kempens benoeming bij het Radio Filharmonisch Orkest niet onomstreden. Niettemin wees nader onderzoek uit dat Van Kempens blazoen onbesmet was en zo kon het gebeuren dat hij van 1949 tot zijn dood het orkest met verve zou leiden. Zeker, als een echte in de goede zin des woords Kapelmeister en met straffe hand. Maar de resultaten waren er dan ook naar en zo kon het gebeuren dat het RFO ook destijds al tot de beste orkesten in den lande ging behoren. Ergo; het is Van Kempen geweest die het orkest in kwestie dergelijke hoogten heeft doen bereiken en daarmee de basis heeft gelegd voor het enorme niveau dat het RFO tot op de dag van vandaag bezit. We horen het ensemble en Van Kempen hier niet zozeer in het pure symfonische repertoire - tenzij men een aantal ouverture's tot en intermezzi van opera's daartoe zou willen rekenen - maar grotendeels als begeleiders (en wat voor!) van de beste Nederlandse stemmen uit die tijd: de sopranen Gré Brouwenstijn en Erna Spoorenberg alsmede de tenor Frans Vroons en de bariton Theo Baylé. Vocalisten die absoluut van internationaal topniveau waren. Zo zong Spoorenberg niet voor niets onder andere een schitterende Mélisande in de tweede Decca-opname van Debussy's onsterfelijke ‘drame lyrique' onder Ernest Ansermet en Brouwenstijn een al even onvergetelijke Sieglinde in een van de beste vastleggingen voor hetzelfde label van Wagners ‘Die Walküre' onder Erich Leinsdorf. Kortom we hebben hier te maken met het ‘puik van zoete kelen' van weleer in een uiterst gevarieerd repertoire dat varieert van Verdi en Puccini tot en met Offenbach, Von Suppé en Johann Strauss II. Ook van de ouvertures is het puur genieten met onder meer een uiterst fijnzinnige prelude tot Von Webers sprookjesopera ‘Oberon', een tot de nok geladen voorspel tot Verdi's ‘La forza del destino' plus een aantal ‘Lohengrin'-fragmenten die er al evenmin om liegen (schitterend, die strijkersklank in het vlot maar zeker niet gehaast genomen voorspel tot het eerste bedrijf!). Hieruit blijkt eens te meer dat Van Kempen enorm veelzijdig was en nergens zijn hand voor omdraaide. En dus uitstekend met het vocale repertoire overweg kon. Hij was duidelijk zowel een symfonicus als een theaterman in hart en nieren.

Demonie
Nog even over ouvertures gesproken, deze editie bevat twee verschillende vertolkingen van de ouverture tot Rossini's ‘Guillaume Tell'. Te weten een met de Berliner Philharmoniker en een met het Orchestre Lamoureux. Beide zijn meesterlijk en Van Kempen vat het werk niet onterecht als een kort symfonisch gedicht op, want met een speelduur van ruim 12 minuten behoort ‘Guillaume Tell' tot de langste operavoorspelen van de Italiaanse meester. Die met het Orchestre Lamoureux bevat net nog een sprankje meer demonie dan die met de Berliner, ook al ontbreekt ook in het laatste geval om het even welke teutoonse zwaarte. De solo van de fluitist uit het Lamoureux orkest – als het Jean-Pierre Rampal was, zou het me absoluut niet verbazen – verdient overigens een open doekje. Hoe dan ook, een klank om te zoenen! Fenomenaal, mede door de grandioze opname en dito remastering, is ook de ouverture tot Donizetti's ‘La Fille du régiment' die me helemaal heeft bekeerd tot het raffinement van deze muziek. En mono of niet (alle opnames in deze box zijn uiteraard mono), het slagwerk (kleine trom) heeft een présence die maakt alsof er in de huiskamer wordt gemusiceerd. Wat een helderheid! En wat hadden ook de oorspronkelijk verantwoordelijke technici bijkans volmaakte oren aan hun hoofd om dit zo formidabel voor het nageslacht op te tekenen! Het is werkelijk ongelooflijk wat we hier horen. Ook in termen van geluidskwaliteit “the top of the bill” van die tijd dus.

‘Wuchtige' accenten
Hoe fraai dit alles ook moge zijn, wat Van Kempen in Beethovens Derde, Zevende en Achtste symfonie presteert slaat niet alleen alles met vele paardenlengtes, maar maakt hem zonder ook maar de geringste terughoudendheid tot een waardige evenknie van Furtwängler, Klemperer, Karajan en (Carlos) Kleiber. Ook nu nog, dus in 2020, behoort Van Kempens met de Berliner vastgelegde registratie van de ‘Eroïca' nog onverminderd tot de beste uitvoeringen die men op één hand kan tellen, wat weer niet wil zeggen dat er onder de verklankingen die men op meer dan één hand kan tellen geen goede tot zeer goede te vinden zijn, maar dat is weer een ander verhaal. Van Kempen een ‘Mengelberg in zakformaat', dat zou ik toch niet automatisch op grond van deze overweldigende visie op Beethovens wellicht meest revolutionaire symfonie willen beweren. Want om het even hoe enorm dramatisch het opus in kwestie ook in klinkende munt is omgesmeed, van enig vals sentiment – waar vooral de late Mengelberg niet altijd van vrij is te pleiten – valt hier in de verste verte niets te bespeuren. Daarbij komt nog dat de structuur op een al even onverbiddelijke wijze voor het voetlicht wordt gebracht als de dramatische inhoud. Met de Zevende en de Achtste symfonie is het niet anders, waarbij Van Kempen niet schroomt in laatstgenoemd geval niet zozeer de neoklassieke laag van dit stuk aan te boren, maar veeleer te verduidelijken dat de Achtste als een logisch vervolg op de Zevende dient te worden beschouwd. Vandaar ook dat hij in het openingsdeel bewust ‘wuchtige' accenten aanbrengt, als gevolg waarvan eerder de toekomstgerichte impact van de symfonie wordt onderstreept dan die momenten gedurende welke wordt teruggeblikt op het verleden. Opnieuw wordt men, de tijd van opname in aanmerking genomen, eenvoudigweg verbijsterd door de weergavetechniek. En wel zodanig dat ik bij vlagen amper kon geloven dat het mono-vastleggingen betreft, omdat het geluid soms ronduit een stereo-achtige uitstraling vertoont. Waarbij zij aangetekend dat de voor dit uitmuntende resultaat verantwoordelijken zich verre hebben gehouden van die kunstgrepen waar helaas vele van hun collega's zich keer op keer aan bezondigen. Nee, respect en nog eens respect voor de mastertapes is het onmiskenbare credo van de cd-producers van deze riante box.

Ironie
Het grootschalige vocale werk ontbreekt geenszins. Zo bevat deze collectie twee oratoria, namelijk ‘Isaïe le prophète' van de van Poolse afkomst zijnde componist Alexandre Tansman (1897-1986 die het grootste deel van zijn leven in Frankrijk sleet) en het onvolprezen Requiem van Verdi. Eerstgenoemd werk is geïnspireerd door de Shoah en de oprichting van de staat Israël. De stijl balanceert halverwege Honegger, (Henri) Sauguet en de vroege Dutilleux en neigt soms naar het neoklassieke idioom uit de eerste helft van de 20 e eeuw. Vooral in harmonisch opzicht bevat het stuk schitterende passages, ook al zijn de snellere episodes soms niet geheel van de toenmalige clichés ontbloot. De, voortreffelijk opererende, tenor Cornelis Kalkman is de enige solist in het totaal dat verder voor koor en orkest is geschreven en waarvoor het Groot Omroepkoor en het Radio Filharmonisch Orkest onder Van Kempen het best denkbare pleidooi houden, met daarbij een benadering die allesbehalve gedateerd overkomt. Een hoogst interessante fonografische cd-primeur en geweldig dat Nelissen ook dit boven water heeft weten te krijgen! Ironisch genoeg werd de opname (gemaakt in Rome) van het Requiem van Verdi, waarover in Amsterdam zoveel te doen was, in april 1955 vereeuwigd, dus in het jaar van Van Kempens overlijden. De dirigent etaleert een zeer monumentale visie op dit altijd weer grandioze, aangrijpende en zich halverwege kerkmuziek en opera ophoudende opus. Door de behoorlijk uitgebalanceerde tempi, langzamer dan gemiddeld zij het net iets minder breed van opvatting dan de imposante verklanking onder Fritz Reiner met de Wiener Philharmoniker (Decca Legends), behoort deze uitvoering tot de langste uit de catalogus. Aan niets valt te merken dat de relatie van Van Kempen met dit werk met een trauma is beladen. Daarom aarzel ik dan ook niet om ook deze vertolking die staat als een huis en met opnieuw een werkelijk superieur aandeel van Brouwenstijn in het topklassement te plaatsen. Alleen zal misschien de bariton Oscar Czerwenka, wiens zangtrant soms iets naar het larmoyante tendeert wellicht niet een ieders ‘cup of tea' zijn. Dit doet echter geen enkele afbreuk aan de magistrale aanpak die Van Kempen cum suis onafgebroken ten toon spreiden.

Ritmische veerkracht
Veel, heel veel zou er nog te zeggen zijn over deze formidabele collectie opnamen. Zoals bijvoorbeeld een als gegoten zittende - en oorspronkelijk door Deutsche Grammophon uitgebrachte – uitvoering van Regers Hiller-variaties met de Berliner Philharmoniker met als kroon op het werk een fuga van een halsbrekende allure. Of de ouvertures tot Wagners ‘Tannhäuser' en ‘Der Fliegende Holländer' met het orkest van de Milanese Scala, dan wel een ouverture tot Berlioz' ‘Benvenuto Cellini' - met opnieuw de Berliner Philharmoniker - waar de vonken van afvliegen. Opvallend in de Wagner-voorspelen is de lichte toets en ritmische veerkracht, vooral in de ‘Tannhäuser'-ouverture. Maar overtuig u zelf en u zult van de ene verbazing in de andere vallen. En over verbazing gesproken, op basis van het hier gebodene zou men verwachten dat Van Kempen om de haverklap voor ensembles als bijvoorbeeld het Concertgebouworkest en de Berliner Philharmoniker heeft gestaan. Maar niets is minder waar. Vreemd genoeg gasteerde hij slechts uiterst sporadisch bij deze gezelschappen tijdens de abonnementsconcerten. In feite was Van Kempen een gedurende zijn leven sterk ondergewaardeerde dirigent, terwijl deze registraties ondubbelzinnig bewijzen dat hij tot de eregalerij der waarlijk groten behoort. Minstens zo groot als Mengelberg en wat mij betreft groter. Rest nog te melden dat deze uitgave ook de afbeeldingen van de oorspronkelijk lp-hoezen bevat. Een uitgave van eminent belang derhalve en mijns inziens dé historische uitgave van dit jaar, omdat hiermee zowel in woord beeld en geluid hoogst luisterrijke geschiedenis is geschreven. Om het in één woord samen te vatten: Chapeau! En dit onverkort voor alle betrokkenen


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links