CD-recensie

 

© Maarten Brandt, september 2021

Eugen Jochum - The Orchestral Recordings on Philips
Decca/Eloquence 4840600 (15 cd's)

Eugen Jochum - The Choral Recordings on Philips
Decca/Eloquence 4842000 (13 cd's)

Klik hier voor de inhoudsopgave

Noot: The Choral Recordings staan eveneens op o.a. Spotify, zij het verspreid over zes delen

   

Tijdens mijn jongste jeugdjaren was het niet zozeer Herbert von Karajan die een begrip voor me was (die kwam pas later in mijn vizier) wanneer het om het symfonische repertoire ging, maar Eugen Jochum (1902-1987). Dit naast Bruno Walter en Otto Klemperer. De eerste kennismaking, zij het alleen op papier, was via een prachtige catalogus van Deutsche Grammophon, waarin de naam van deze eminente musicus regelmatig voorkwam. Niet alleen bij componisten als Beethoven en Brahms bijvoorbeeld, ook bij de man voor wie hij zozeer een lans brak, Anton Bruckner. Niet dat ik diens werk toen kende, maar het feit dat zijn symfonieën soms maar liefst twee elpees vereisten, maakte mij wel heel nieuwsgierig. Volgens mijn ouders was die muziek echter een langdradige brei. En als zij dat vonden, dacht ik toen, dan zou dat wel zo zijn. Dus vergat ik Bruckner. Totdat de eerste confrontatie in klank met Jochum plaatsvond. Dit op een totaal onbewaakt moment. Namelijk gedurende een periode waarin de hormonen wegens een ongelukkige liefde door mijn keel gierden en ik extra bevattelijk was voor diepe emoties. Niets vermoedend deed ik op een avond de radio aan. Zonder te weten van wie de muziek was, viel ik in het Adagio uit Bruckners Negende symfonie in een opname van de Berliner Philharmoniker onder supervisie van Jochum. Om precies te zijn bij de plek vlak voor het aanbreken van die afgrondelijke climax, culminerend in dat bijna clusterakkoord, met daarna de oorverdovende stilte die de overgang naar de berustende coda markeert. Ik wist niet wat me overkwam en had de indruk dat ik in een andere dimensie was aanbeland, een domein waar ik nog niet mocht komen. Mijn bestaan was definitief veranderd. Er was een leven vóór het horen van Eugen Jochum in Bruckner en een daarna. Ik zou niet meer rusten voordat ik alle symfonieën van Bruckner had gehoord en uiteraard was Jochum een van mijn eerste leidsmannen in deze. Al het zakgeld ging er aan op, en ook alle verjaardagen en Sinterklaasfeesten werden dankbaar uitgebuit om mijn Jochum-collectie (niet alleen van Bruckner, ook van andere componisten) aan te vullen.

Bruckner in Ottobeuren
Ook herinner ik me nog dat de Vijfde van Bruckner die Jochum in de Benedictijnse Abdij van het Duitse plaatsje Ottobeuren live had vereeuwigd met het Concertgebouworkest zou worden uitgezonden. Ik mocht daar naar luisteren, op voorwaarde dat het geluidsvolume niet te hard stond. Opnieuw een onvergetelijke ervaring. Die gedenkwaardige uitvoering bleek ook op elpee beschikbaar, aangevuld met een kort orgelrecital door de organist titulaire Adalbert Meier van de abdij in kwestie en ingeleid door de dienstdoende prelaat. Twee vinylschijven gestoken in een schitterend ogend album. Overbodig te zeggen dat ik niet zou rusten alvorens die riante uitgave in mijn bezit te hebben. De weergavekwaliteit van die platen was ongelooflijk goed, dit ondanks het feit dat er heel wat gestoeid moest zijn om de zaak in verband met de live- en akoestische omstandigheden in goede banen te leiden. Maar dat kon men aan Jaap van Ginneken en zijn team met een gerust hart overlaten. Nu had ik al bij iemand de eerste commerciële opname voor DG van Bruckners Vijfde met Jochums eigen orkest, dat van de Bayerischen Rundfunk uit 1958, gehoord. Die werd in de pers hoger aangeslagen dan zijn remake uit Ottobeuren, maar met die opinie ben ik het tot op de dag van vandaag oneens (hoe fraai die oudere registratie ook vandaag de dag nog steeds is, maar dat is een ander verhaal). Wat nog eens wordt bevestigd door de heruitgave op cd die deel uitmaakt van de schitterend – en met de afbeeldingen van de oorspronkelijke platenhoezen – vormgegeven Jochum-editie van Decca/Eloquence die alle opnames omvat (inclusief een aantal dat nooit eerder op cd is uitgebracht) die deze dirigent voor het Philips-label heeft opgetekend.

Uiterste zorgvuldigheid
Zoals altijd bij Decca/Eloquence is men ook nu met een uiterste zorgvuldigheid te werk gegaan en is er naar gestreefd de kwaliteit van de oorspronkelijke banden zoveel mogelijk in ere te houden. Dit met als resultaat een klank die – zeker de tijd (1964) van de opname in kwestie in aanmerking genomen - diep, sonoor, warm en vooral optimaal natuurlijk en transparant uit de luidsprekers komt. En niet te vergeten met een fraai dynamisch spectrum. Net zoals dat het geval was met de oorspronkelijke langspeelplaten. Een klank, waartegen die van de DG-vastlegging het toch net aflegt. Mijn mening is niet veranderd. Ook anno 2021 behoort deze vertolking van Bruckners, mede ook in architectonisch opzicht meest fabuleuze symfonische schepping, tot de top-tien!*

De nodige jaren verstreken en mijn ouders namen een abonnement op het Concertgebouworkest, waar dus ook Eugen Jochum – aanvankelijk als gastdirigent en later als wijze nestor naast de piepjonge toenmalige nieuwe chef-dirigent Bernard Haitink benoemd – regelmatig de scepter zwaaide. En dit met een veelzijdig repertoire. Naast werk van grootmeesters als Bach, Bruckner en Beethoven dirigeerde hij ook nogal eens Nederlandse muziek, variërende van Badings, Koetsier en (Rudolf) Mengelberg tot en met Flothuis, Heppener en Kox. Dit vanzelfsprekend altijd op abonnementsconcerten en nooit in specialistische series. Dus gewoon zoals het moet, althans zou moeten, maar kom daar nu eens om…

Apollinische benadering
Enfin, bij een van die gelegenheden hoorde ik live de mooiste Pastorale van mijn leven tot nu toe, een uitvoering die in dezelfde periode plaatsvond als die waarin dit werk ook werd vastgelegd voor Philips in het kader van de eerste naoorlogse reeks complete Beethoven symfonieën door het Concertgebouworkest, die er nog steeds mag zijn. Dit is overigens zijn middelste cyclus, want in de jaren vijftig nam hij het negental op met de Berliner Philharmoniker en het Orchester des Bayerischen Rundfunks voor DG en later met het London Symphony Orchestra voor EMI. Wat me nog steeds treft, getuige de heruitgave van de lezingen met het Concertgebouworkest op Decca/Eloquence, is de boven partijen staande apollinische benadering die Jochum in deze muziek voorstaat. Luciditeit, een wijde panoramische blik, een weldadige adem zonder dat het verloop in slepende tempi ontaardt – geen moment zoekt Jochum het in extremen – en een riante klank, ziehier enkele kenmerken van deze uitvoeringen die ik nog steeds innig koester en dat niet alleen vanwege het jeugdsentiment. Want, hoewel niet historisch geïnformeerd, gedateerd kan Jochums aanpak hoe dan ook niet worden genoemd. Het beste trefwoord dat ik kan verzinnen is tijdloos. Dat is ook het gevoel dat ik bij die Pastorale had toen ik in de Grote zaal van de Amsterdamse muziektempel zat. Alsof de kloktijd stil stond en men in volmaakte ontspannenheid, beschenen door een aangenaam warme zon in een niet meer te achterhalen jeugd één was met de natuur. Zoveel is zeker, Jochums visie op de Pastorale is in menig opzicht een perfect sluitend klinkende belichaming van het‘Et in Arcadia ego'. De opname van dit werk is zonder meer te beschouwen als een van de belangrijkste uit de catalogus en daarbij ook nog eens door Van Ginneken en zijn kompanen in een voorbeeldig goudomrande en warmbloedige klank gestoken.

Suspense en momentum
Ook in de andere symfonieën speelt Jochum hoge troeven uit, niet in de laatste plaats in de Negende met een groots en meeslepend zingend Groot Omroepkoor en een kwartet van voortreffelijke solisten.

Toch dreigt men nog wel eens te vergeten dat de Grote zaal van het Concertgebouw een akoestiek – hoezeer geroemd ook en terecht - bezit die elk opname-team vroeg of laat voor beproevingen stelt. Niet voor niets nam het orkest voor de opnamesessies dikwijls niet op het podium, maar midden in de zaal plaats. Hoe schitterend de weergave van Jochums Beethoven-symfonieën ook tot ons komt, de Vierde symfonie (over de monumentale uitvoering past alleen maar de hoogste lof, daarover niet de geringste twijfel) is in zoverre problematisch dat de bas niet alleen te weinig reliëf heeft, maar bovendien door resonantie het klankbeeld te zeer overheerst om niet te zeggen soms zelfs vertroebelt. Een euvel dat gelukkig bij geen van de andere in deze box verzamelde opnamen optreedt en niet aan de remastering kan worden toegeschreven, aangezien dit effect ook op de oorspronkelijke cd-uitgave van Philips hoorbaar is.

De Vijfde symfonie is een apart verhaal, want deze set bevat niet alleen de Concertgebouwversie van dit opus, maar tevens een nooit eerder op cd uitgebrachte release met de Berliner Philharmoniker uit 1951 (en die dus al evenmin deel uitmaakt van de integrale DG-reeks met de Berliner Philharmoniker en het Orchester des Bayerischen Rundfunks). Wat me speciaal verraste is de, ondanks het feit dat het hier een mono-registratie betreft, de nog warmere sonoriteit dan in de stereo-remake voor Philips van 17 jaar later, ook al is de klank van de hoorns (scherzo) in het laatste geval van een intimiderende pracht. Het grote verschil in benadering tussen beide uitvoeringen zit hem vooral in het tweede deel, dat in 1951 nog meer suspense en momentum heeft dan in 1968. Dat kan mede aan het tempo liggen dat in die oude vertolking net een fractie breedademender is.

Perfecte symbiose
En wat een luxe is het om zo'n grote selectie van Beethovens ouvertures beschikbaar te hebben, en van Leonore 3 zelfs twee opnames (gemaakt in achtereenvolgens 1960 en 1969) die elkaar qua sublieme interpretatie geen haarbreed toegeven. Ook al is de recentere vastlegging een collectors item op zich vanwege de werkelijk exemplarische weergavekwaliteit, die nog eens ten overvloede onderstreept wat een ideale opname – in dit geval echt van demonstratiekwaliteit – is. Te weten een perfecte symbiose van wat er in de partituur staat en de ambiance waarin deze is vastgelegd, dus in onderhavig geval de Grote zaal van het Concertgebouw, die zowel qua warmte, weldadige scherpte als ruimtelijkheid (off stage trompet!) zodanig uit de luidsprekers komt dat men zich ondubbelzinnig ter plekke waant. Een effect waar geen surround-registratie van vandaag de dag tegen op kan. Dit bewijst eens te meer dan niet alleen Jochum, maar tevens van Ginneken een topkunstenaar in zijn vak was. Een man die elke partituur die hij als technicus onder handen nam tot in de verste uithoeken kende.

Over verschillende opnames gesproken, daar biedt ook de (Richard) Strauss-cd een imposant staaltje van, want Jochum ontfermde zich met het Concertgebouworkest tot tweemaal toe over Don Juan en Till Eulenspiegels lustige Streiche . De oudste opnames bezitten een zeldzame‘ bite' en ongereptheid die vrijwel automatisch de naam van de grote Strauss-interpreet van weleer Karl Böhm in herinnering roept, terwijl de latere lezingen de meer weelderige aspecten – in het bijzonder van Don Juan – aan de dag laten treden. Dat brengt ons bij de Walzerfolgen uit Der Rosenkavalier die het vooroordeel dat een noordelijk symfonieorkest deze muziek te aardgebonden zou vertolken volkomen loochenstraft. Want wie niet beter weet zal zonder ook maar de geringste twijfel menen dat hier niet het Concertgebouworkest maar de Wiener Philharmoniker op het toppunt van hun kunnen zitten te musiceren. En dit met een zwier en een glans van een ongekende allure, dit alles opnieuw op een wijze vastgelegd die ook elke geluidsfreak doet watertanden.

Jochums Mozart: Lyrisch en zangerig
Ik signaleerde al naar aanleiding van Jochums Beethoven-interpretaties dat die iets tijdloos en volkomen ongedateerds hebben. Niet anders is het gesteld met de vier grootse Mozart-symfonieën die in deze collectie zijn opgenomen. Jochum mag dan nog zo'n erflater van de in de goede zin des woords (ook buitenmuzikaal, want hij heeft zich nooit met de Nazi's geafficheerd, onkreukbaar als hij was) Duitse traditie zijn, van onverschillig welke zwaarte en laat staan Teutoons karakter zal men hier in de verste verte niets bespeuren. En, eerlijk is eerlijk, wie deze uitvoeringen vergelijkt met de eveneens voor Philips met het Concertgebouworkest onder leiding van Josef Krips vereeuwigde verklankingen van hetzelfde repertoire zal moeten toegeven dat die qua benadering soms aanzienlijk robuuster en zelfs ‘wuchtiger' zijn dan wat Jochum begin jaren zestig in Amsterdam liet horen. Wekte zijn aanpak in Strauss associaties met Böhm, die in Mozart bezit een dermate lyrische en zangerige inslag dat die me bij vlagen heel sterk deed denken aan de wijze waarop Bruno Walter deze fenomenale muziek tot leven wekte. De muziek stroomt onder de handen van Jochum op een volkomen natuurlijke wijze voort met als gevolg een parcours waarin alles met alles is verbonden en details nooit op een geforceerde manier zijn uitgelicht. Dit is organisch musiceren in optima forma en onderstreept voor mij bovendien nog eens ten overvloede hoe onterecht de uitspraak van Frans Brüggen was dat elke noot die het Concertgebouworkest van Mozart speelde “gelogen was”. Overigens stond Jochums affiniteit met de klassieken niet op zich, wat hij later nog eens klinkend zou bewijzen met een schitterende serie opnames van Haydn's Londense symfonieën met het London Philharmonic Orchestra voor Deutsche Grammophon.

Imponerende grandeur
We blijven nog even bij de klassieken. Want Jochum werkte bij nogal wat gelegenheden samen met zijn dochter, de fameuze pianiste Veronika Jochum von Moltke. Deze buitengewoon bijzondere vrouw is de weduwe van de bekende architect Willo von Moltke en bovendien de schoonzuster van Freya en Helmut James von Moltke die beiden in het verzet actief waren. Naast haar affiniteit met Mozart en Beethoven was Veronika Jochum die componisten zeer toegedaan welke het bij de Nazi's hebben moeten ontgelden. Zo brak zij op imposante wijze een lans voor de Pianosonate '27. April 1945' van Karl Amadeus Hartmann, dezelfde componist van wie haar vader in 1953 met het Sinfonieorchester des Bayerischen Rundfunks de Zesde symfonie ten doop hield. Ook met het Concertgebouworkest trad Veronika Jochum een aantal malen op. Dit zowel onder haar vader als Bernard Haitink in achtereenvolgens Stravinsky's Capriccio , Mozarts Pianoconcert nr. 14 in Es, KV 449 , Beethovens Derde en Mendessohns Tweede pianoconcert .

De in deze verzameling opgenomen registraties van Mozarts KV 449 en Beethovens Eerste pianoconcert met de Bamberger Symphoniker (waaraan Jochum vanaf 1968 als eerste dirigent was verbonden en tussen 1971 en 1973 als chef) onderstrepen niet alleen de perfect sluitende samenwerking tussen vader en dochter, maar maken tevens haarscherp duidelijk wat een grote musicienne Veronika Jochum is. Beide interpretaties, die bij deze voor het eerst op cd verschijnen, zijn uiterst markant en van een imponerende grandeur zonder dat van om het even welke overdrijving sprake is. De toekomstgerichte aspecten van deze werken krijgen het volle pond en mede daardoor wordt ook afgerekend met de soms nog wel eens opgeld doende gedachte dat Beethovens eerste concert voor het merendeel nog zou wortelen in de klassieke traditie zonder meer. Want de wijze waarop dit werk hier wordt verklankt laat er geen misverstand over bestaan: namelijk dat het qua diepgang, inventiviteit en vooral originaliteit geenszins onderdoet voor de overige vier van het vijftal, integendeel. En dat ook het orkest uit Bamberg toen al van een bijzonder hoog niveau was maken deze gebeiteld zittende uitvoeringen evenzeer duidelijk.

Eclatante affiniteit
Jochum behoorde tevens tot de eminente Wagner-dirigenten. Niet alleen maakte hij voor Deutsche Grammophon integrale opnamen van Lohengrin (Bayerische Rundfunk) en Die Meistersinger (Deutsche Oper Berlin), maar dirigeerde hij in Bayreuth schitterende voorstellingen van Lohengrin , Parsifal en Tristan und Isolde . Vooral de 1971 radio-uitzending van Parsifal (hiervan bestaat een cdversie op Golden Melodram) herinner ik me nog als de dag van gisteren. Die was van een grandeur die niet onderdeed voor wat Knappertsbusch voorheen op ‘De groene heuvel', en dat sinds jaar en dag, had laten horen. Maar we hadden het kunnen weten, gezien de nog steeds legendarische DG-opname uit 1958 met het Orchester des Bayerischen Rundfunks van het voorspel tot het eerste en de Karfreitagszauber uit het derde bedrijf van dit ‘Bühneweihefestspiel'. Ook door de Philips-opnamen van Wagner-ouvertures en -voorspelen wordt het beeld van Jochums eclatante affiniteit met deze muziek op niet mis te verstane wijze bevestigd. Zo heb ik het voorspel tot het derde bedrijf van Die Meistersinger nooit zo doorleefd en perfect uitgebalanceerd horen realiseren als in december 1957 toen de studio-registraties van dit materiaal werden vastgelegd. Ook Vorspiel und Liebestod uit Tristan maken een immense indruk, gehoord de gepassioneerde en bijkans furtwängerliaanse wijze waarop de noten gelijk een hoog vuur uit de partituur oplaaien en dit met bloedstollende climaxen die ook in mono buitengewoon suggestief overkomen. En het Orchester des Bayerischen Rundfunks kent die muziek als zijn vestzak, zonder dat ook maar één seconde de routine toeslaat. Neem alleen al de ouverture tot Der fliegende Holländer waarvan ik me afvraag of die – op die onder Klemperer (EMI) na – ooit geladener zal hebben geklonken.

Eb- en vloedbeweging
Over geladenheid gesproken, die schraagt tevens de overrompelende vertolking van Schuberts Unvollendete met het Concertgebouworkest (voor DG zou Jochum het later in Boston nog eens dunnetjes overdoen), die is gekoppeld aan de eerder gesignaleerde uitvoering van Beethovens Vijfde met de Berliner. In de doorwerking van het eerste deel bezit de spanning een naar de keel grijpende impact en zijn de verzadigd klinkende tremolo's van de bassen doordesemd van een haast archetypisch overkomende en soms verzengende kracht. Het ultiem tragische karakter van het geheel wordt hierdoor enorm aangescherpt. Zoveel is dan ook zeker, Schuberts Achtste (en in de moderne chronologie Zevende ) symfonie is zijn meest duistere en sombere orkestrale werk, en het is precies die wetenschap welke Jochum hier indringend overbrengt. De echte als zodanig bestempelde Tragische symfonie van Schubert, de Vierde , steekt hier als een zonnige compositie tegen af. Zeker ook omdat Jochum de lyrische en zangerige kant van dit opus in zijn ontspannen lezing met het Concertgebouworkest benadrukt, met als gevolg juist een uiterst aangenaam werkende onnadrukkelijkheid, een omstandigheid die nog eens duidelijk maakt dat het feit dat deze dirigent een erflater van de Duitse traditie was niet impliceert dat de daar deel van uitmakende muziek daarom zwaar op de hand zou moeten klinken. Allesbehalve zelfs. Het is dit beeld dat ook in doorslaggevende mate bepalend is voor de weergave van Schumanns Vierde symfonie , waarvan de spanningsbogen fraai hun beslag vinden en de manische wendingen – zeer talrijk in de hoekdelen en speciaal de finale – zijn geïntegreerd in een voorbeeldige en van een lyrische grondtoon voorziene eb- en vloedbeweging.

Solocantate
Een wat vreemde eend in de bijt is, althans wat de doos met ‘Orchestral recordings' betreft, het Magnificat van Rudolf Mengelberg voor alt en orkest, dat ook is opgenomen in de collectie met de ‘Choral recordings' en daar natuurlijk ook bij uitstek in thuishoort. Maar dit daargelaten is het puur genieten van de uitvoering door het Concertgebouworkest met de alt Annie Woud die er met Eduard van Beinum en hetzelfde gezelschap in 1942 de eerste uitvoering van gaf. Woud en ook Jochum geloven, gehoord het liefdevolle pleidooi voor dit stuk, met hart en ziel in deze muziek. En terecht. Waarbij het treffend is dat de inslag van deze solocantate, want zo mag dit Magnificat wel worden genoemd, absoluut niet Noord-Europees aandoet. Want, hoe vreemd het wellicht moge klinken, bij herhaling moest ik aan Respighi denken, in het bijzonder aan een werk als diens Il tramonto .

Een van de best bewaarde geheimen
En zo komen we dan te spreken over de verzameling grote koorwerken die zijn gebundeld in de box ‘The choral recordings'. Een van de best bewaarde geheimen van Jochum is - zoals Niek Nelissen die de voorbeeldig historisch gedateerde (en deels van nooit eerder gepubliceerde foto's voorziene) toelichtingen bij beiden boxen heeft vervaardigd, schrijft – dat hij een kolossale bewondering voor de Maria-Vespers van Monteverdi koesterde die hij ook heeft uitgevoerd. Hiervan bestaat een live-opname, gemaakt in 1957 met het Sinfonieorchester des Bayerischen Rundfunks die op Spotify, maar ook via YouTube is te beluisteren. Een vertolking tot stand gekomen in samenwerking met solisten met wie Jochum dikwijls optrad en van wie men de namen ook regelmatig in de Philips-verzameling met de grote koorwerken tegenkomt, zoals die van Hertha Töpper, Marga Höffgen en Walter Berry. 1957-1958, de jaren waarin Jochum ook al met Bruckner en met Bach in de weer was, en om het even hoe beide laatstgenoemde componisten ook van elkaar, maar ook van Monteverdi verschillen; ook werpen zij een licht op het katholicisme in het algemeen (het lutheranisme bevat vele elementen van de aloude romeinse liturgie; niet voor niets schreef Bach een hoogmis) en dat van Eugen Jochum in het bijzonder, wiens religieuze opvattingen – zoals Niek Nelissen in zijn essay vermeldt - sterk waren beïnvloed door Romano Guardini (1885-1968) en met wie Jochum zeer bevriend was.

Overgave, mystiek en contemplatie
Wie was Guardini? Het feit dat zijn ouders van Italiaanse komaf waren neemt niet weg dat hij zijn hele leven in Duitsland werkte. Met de Nazi's heeft hij nooit gesympathiseerd en hoewel Guardini in de jaren dertig als hoogleraar godsdienstfilosofie en katholieke wereldbeschouwing in Berlijn actief was, onderbrak hij zijn professoraat bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Het opvallende aan Guardini's theologie is dat die niet zozeer stoelt op de dogmatiek alswel op de praktijk van het leven in het hier en nu. Met andere woorden niet de leer, maar de praktische toepassing daarvan in een bestaan dat als gevolg van de Tweede Wereldoorlog fundamenteel was veranderd, de mens zowel letterlijk als figuurlijk had ontheemd, staat in Guardini's denken nadrukkelijk centraal, een denken dat mede is beïnvloed door het balanceren halverwege geloof en twijfel alsmede harmonie en verscheurdheid dat ook door zijn eigen, en in toenemende mate door depressies gekenmerkte leven is gekleurd. Binnen die visie zijn regelmatige terugkerende thema's die van mystiek en onderwerping. Onderwerping vooral op te vatten in termen van overgave aan de realiteit. Zowel aan de aardse als de bovenaardse realiteit, maar altijd bezien vanuit een door rationaliteit bepaald standpunt. Met andere woorden, het bereiken van een doorleefde religie, waarin het streven naar de eenheid van spiritualiteit en rede de alfa en omega vormt. Een streven waarin op zijn beurt het ritueel een belangrijk gegeven is.

Hiernumaals
Dit laatste niet als een in sacrale handelingen belichaamd totaal teneinde de dogma's er bij de geloofsgemeenschap te doen ingaan alswel met het doel de innerlijke beleving van hen die de liturgie bijwonen en ondergaan te stimuleren. Niet dat Guardini het hiernamaals perse uitsloot, maar het ging hem in de allereerste plaats om de heiliging van het hiernumaals en het zoveel mogelijk aandacht vragen voor de zorgen waarmee de ‘state conduite' van de mensheid is omgeven. God is daarin geen onaantastbare en boven elke discussie verheven zijnde waarheid, maar een dimensie waarmee de mens op zijn onvervreemdbaar eigen wijze door gebed en contemplatie in contact kan treden Vanuit deze visie geredeneerd krijgt de liturgie een bij uitstek universeel karakter en een lading die zowel kerkelijke als buitenkerkelijke mensen aanspreekt. Een omstandigheid die in niet onaanzienlijke mate nog wordt versterkt door de meest immateriële onder de kunsten: de muziek. Het is deze op de praktijk van het leven van alledag gerichte en niet vervreemdende maar bruggen slaande liturgie die bepalend is gebleken voor de wijze waarop Jochum gestalte heeft gegeven aan de grote passies en oratoria die in de collectie van de ‘Choral recordings' bijeen zijn gebracht.

Authentiek = oorspronkelijk
Vanzelfsprekend ademen deze monumentale interpretaties nog niet de invloed van de inzichten die al onderhuids aan het broeien waren en even later zouden leiden tot de zogenaamde authentieke uitvoeringspraktijk, hoewel het woord ‘authentiek' natuurlijk misleidend is omdat daarmee door de haviken ‘het zo en niet anders' werd geclaimd, terwijl dit woord niet meer en vooral ook niet minder betekent dan ‘oorspronkelijk'. En oorspronkelijk, dat zijn deze vertolkingen zonder uitzondering. Sterker nog, ze zijn met niets en niemand vergelijkbaar. Ook niet met Jochums mede-kompanen op dit gebied, waarbij te denken valt aan de beide ‘Karls', namelijk Münchinger en Richter. Münchinger was toen de meest – althans vanuit de normen van die tijd, de jaren zestig beschouwd – ‘moderne' interpreet, die met zijn koortroepen uit Stuttgart alleen van mannen en jongensstemmen gebruik maakte, in de passionen afzag van het klavecimbel en dus in de terecht dikwijls geroemde Decca-opname van de Matthäus-Passion twee orgels gebruikte, iets waarin Anthon van der Horst en de toenmalige Nederlandsche Bach Vereeniging (Fidelio/Vanguard) hem al waren voorgegaan. Over Münchinger en Richter gesproken, hun uitvoeringen van het Weihnachtsoratorium golden geruime tijd als de referentieopnames en verschenen vrijwel in dezelfde periode als die onder Eugen Jochum die ook in deze doos zit. Drie topuitvoeringen, waarbij naar mijn mening die van Richter toch enigszins verbleekt tegen Münchinger en Jochum. Qua tempi liggen de vertolkingen van Richter en zijn Beierse collega niet ver uit elkaar, maar de benadering van eerstgenoemde komt me nu toch wel erg statisch en soms zelfs te ingekaderd voor. Het verloop stroomt niet, de klank is bij vlagen te weinig transparant.

Record
Bij Jochum is dat anders, zijn omgang met frasering en dynamiek is aanmerkelijk soepeler. De koralen bijvoorbeeld komen weliswaar monumentaal tot leven, maar de klank vertoont een uiterste aan verfijning, waardoor beide aspecten, te weten die van het via muziek overbrengen van geborgenheid en een milde weemoed schitterend tot hun recht komen. Daarbij beschikt Jochum over een uitmuntende solistenschare met een van de mooiste sopranen die ook van de partij is in de Münchinger-opname, Elly Ameling. De destijds nog jonge Nederlandse sopraan die de chef-dirigent van het Stuttgarter Kammerorchester in een door de radio uitgezonden vertolking van de Matthäus-Passion onder Van der Horst hoorde en meteen engageerde voor zijn vastlegging van dit werk.

Van de Hohe Messe maakte Jochum twee opnamen die beide tot stand zijn gekomen met het Sinfonieorchester en Chor des Bayerischen Rundfunks, deze hier gedodumenteerde live-registratie van 1957 en de studio-opname voor EMI uit 1980. Tussen beide opnames bestaan nauwelijks verschillen en zowel in het ene als het andere geval vallen de extreem brede tempi in het ‘Et incarnatus est' en het ‘Crucificus' op, waarbij Nelissen niet verzuimt te vermelden dat zelfs Celibidache in zijn live-opname uit 1990 er in het eerste stuk zelfs een halve minuut minder lang over doet. Jochum vestigt dus was dit aangaat een absoluut record!

‘Oerritme'
Jochums magistrale visie op de Matthäus-Passion ademt in alle opzichten het karakter van de grootse Amsterdamse en door Willem Mengelberg geïnaugureerde Palmzondag-traditie. Werd dit Opus Magnum door laatstgenoemde steevast met tal van coupures ten gehore gebracht, zijn opvolger Eduard van Beinum brak met deze traditie, die op imposante wijze door Jochum werd voortgezet. We horen hier geen live-opname maar een registratie die onder studio-omstandigheden is gerealiseerd, maar waarbinnen het totaal voor wie niet beter weet, mede dankzij de spontaneïteit van Jochum s musiceren en dat van alle betrokkenen, het resultaat ook anno 2021 zo springlevend overkomt dat men meent zich in de Grote Zaal te bevinden. Hoe breed de zaken ook in de steigers worden gezet, in tegenstelling tot de stasis van Richter in zijn opnamen van Bachs bekendste passie, wordt de aanpak van Jochum getypeerd door een doorgaande en vol exquise wendingen stekende beweging. Een beweging als het ware geschraagd door wat wijlen Reinbert de Leeuw treffend een ‘oerritme' heeft genoemd.

Boven partijen staande actualiteit
Ernst Haeflicher en Walter Berry, om slechts enkele namen uit de voortreffelijke cast te noemen, verbeelden het lijdensverhaal met een optimum aan nuances en een uitmuntend gevoel voor dictie. Dit mede door het plaatsen van perfect getimede cesuren. Tel daarbij een magistraal zingend Groot Omroepkoor bij op en de vele ‘open doekjes' dankzij het solistische aandeel van de voortreffelijke musici van het Concertgebouworkest en alle mitsen en maren die men tegen een romantische benadering zou kunnen inbrengen – en romantisch is het wat we hier horen – verdwijnen als sneeuw voor de zon. Dit met als uitkomst een visie die ook vandaag de dag niets aan een boven partijen staande actualiteit heeft ingeboet. Uiteindelijk zijn het toch de aan- of afwezigheid van kwaliteit en spiritualiteit die maken waarom een bepaalde uitvoering overtuigt of niet. Een uitvoeringspraktijk op zich zegt namelijk wat dat betreft nog niets. En het feit dat Harnoncourt, Brüggen en Herreweghe even later met behulp van hun inzichten tot spraakmakende interpretaties zouden komen maakt de duidingen van coryfeeën als Van der Horst, Jochum en Münchinger niet opeens irrelevant, want zoveel is evident: de tijd is de eerlijkste rechter. Toegegeven een Johannes-Passion met een immense koorbezetting is voor de moderne Bach-liefhebber wel even wennen. Maar de dramatische vervoering die Jochums benadering van A tot Z kenmerkt vertoont geen knik. Opnieuw kon hij bogen op zijn favoriete zangers, in welk verband ik ook Frans Crass wil noemen die voor de bas-aria's tekent en een aantal kleine partijen, zoals die van Pilatus. Opnieuw wordt men getroffen door de koralen, die soms heel breedademend tot leven komen en door Jochum duidelijk worden gezien als de onontbeerlijke momenten van contemplatie en bezinning (iets wat overigens helemaal in lijn is met de filosofie van Guardini).

Symfonische aanpak
Het is echter niet alleen Bach wat de klok slaat. We worden namelijk ook nog getrakteerd op Jochums ongekend grootse visies op Haynds Die Schöpfung en Beethovens Missa Solemnis met respectievelijk de keurtroepen uit Beieren en Amsterdam die, wat deze superieure verklankingen betreft, volkomen aan elkaar zijn gewaagd en zonder enige reserve tot de beste uit de – om het even ook hoe rijke – catalogus behoren. Dit zijn absoluut referentie-opnamen die iedereen gehoord moet hebben die zich op deze of gene wijze met deze composities gaat bezighouden. Daar doet het feit dat Jochum een toentertijd vrij gangbare coupure maakte in het duet van Adam en Eva (uitmuntend gezongen door Agnes Giebel en Gottlob Frick) ‘Holde Gattin, dir zur Seite…” vlak voor het slot van het derde en laatste deel van Die Schöpfung geen afbreuk aan, al mist men wel node de prachtige en tot tweemaal toe herhaalde vocaliserende cadens van de sopraan tegen het einde van dit onderdeel.

De grote kracht van deze lezing schuilt vooral in de symfonische aanpak die Jochum over de gehele linie huldigt en waarbinnen alles voorbeeldig op zijn plaats valt. Daarbij zet het tot de nok toe geladen voorspel meteen de toon, want ik ken weinig uitvoeringen waarin dit enerverende brok muziek – waarin Berlioz, Wagner en Mahler al worden aangekondigd – zo dwingend tot ons komt. Dat Jochum een enorme autoriteit was (wat iets anders is dan autoritair, want als hij iets niet was dan was het dat wel) blijkt eens te meer uit deze Schöpfung -vastlegging.

Opperste soevereiniteit
En niet te vergeten die van de Missa Solemnis die wat ultieme compositorische rijkdom in combinatie met een ongenaakbare universaliteit betreft een even markante plaats in het oeuvre van Beethoven inneemt als de Hohe Messe in dat van Bach. Deze mis is een van die stukken waar een dirigent zich doorgaans laat in zijn carrière aan waagt, getuige bijvoorbeeld de uitvoering onder Haitink, vastgelegd op BR Classics, die tot zijn laatste opnamen behoort. Men moet inderdaad van zeer goeden huize komen om een werk als de Missa Solemnis niet in een uitputtingsslag te laten ontaarden. Welnu, daar hoeft men bij Jochum niet bang voor te zijn. Spanningsbogen worden moeiteloos doorgetrokken en ongeacht de dikwijls enorme krachtsontplooiingen die aan de orde zijn, altijd bezitten koor en orkest voldoende reserve en wel omdat geen moment over de top wordt gegaan. Ook de ingetogen instrumentale passages – met een uiterst subtiel en doorleefd aandeel van concertmeester Herman Krebbers in het Benedictus – krijgen volop aandacht en het viel me deze keer sterker dan bij andere gelegenheden op hoe Beethoven in dit werk soms al op Wagner anticipeert in passages die soms al een verwantschap met Parsifal vertonen. De noemer waaronder deze vertolking zich laat scharen is: opperste soevereiniteit. Is het artistieke gehalte van deze twee uiterst begerenswaardige cd-verzamelingen al van een onbetwist zeer hoog niveau, dit geldt – zeker de tijd van het ontstaan van deze opnamen in aanmerking genomen - onverkort voor de geluidsweergave en, zoals reeds gememoreerd, voor de doorwrochte documentatie van Niek Nelissen. Dit alles maakt het geheel tot een buitengewoon belangwekkend historisch document.  

________________
*Voor de volledigheid: het korte orgelrecital, dat oorspronkelijk op de vierde plaatkant stond, is weliswaar ook door Decca/Eloquence uitgebracht, zij het dat de welkomstwoorden van de prelaat ontbreken.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links