CD-recensie

 

© Maarten Brandt, september 2018

 

Bruckner: Symfonie nr. 8 in c (versie 1890, Nowak)

Royal Danish Orchestra o.l.v. Hartmut Haenchen

GENUIN Classics GEN 18622 • 69'29" •
Live-opname: 27 mei 2017, Royal Danish Opera House, Kopenhagen

www.genuin.de
www.bertus.com (distributie)

   

Wie naar de speelduur van deze cd kijkt, in dit speciale geval staat die compleet met het aantal seconden vermeld, zal wel even met de ogen moeten knipperen. Klopt dit wel?Want het gaat hier geenszins om een apocriefe, lees: gemutileerde of gecoupeerde editie van een van Bruckners goedbedoelende vrienden, maar van A tot Z om de laatste wil van de componist: zijn uit 1890 daterende revisie van zijn langste symfonie, de Achtste, in de door Leopold Nowak uitgegeven tweede tekstkritische editie en waarin bij deze vertolking geen noot ontbreekt. Van die versie is deze onder Hartmut Haenchen op enige afstand de snelste uitvoering uit de catalogus, hoewel we het ook niet moeten overdrijven. Want de marginaal een fractie minder voortvarende verklankingen onder Eduard van Beinum (Philips), Volkmar Andrea (Music & Arts) en Carl Schuricht (die met de Wiener Philharmoniker op EMI, zijn speelduur van het adagio is vrijwel exact even snel als die van Haenchen!), om slechts enkele voorbeelden te noemen, komen qua tijdsduur aardig in de buurt. En goed, Eugen Jochum mag dan het adagio aanzienlijk breder in de steigers zetten, zijn tweede commerciële vastlegging van deze symfonie - met de Berliner Philharmoniker (DG) - wijkt wat de tempi van de overige delen betreft niet noemenswaardig af van wat Haenchen hier laat horen. In een uitvoerig essay met tal van technische en interessante details gaat Haenchen in op zijn beweegredenen (klik hier) bij de totstandkoming van zijn Bruckner-interpretaties in algemene zin, maar die ook voor de Achtste gelden, waarvan deze opname overigens het begin van een complete cyclus markeert.

Klassieke en vroegromantische traditie
Een van de dingen waar Haenchen mee afrekent is de nadruk die er nogal eens wordt gelegd op het feit dat Bruckner tot de zogenaamde ‘neu-Deutsche' richting zou behoren, waarbij hij terecht opmerkt dat de meester uit Ansfelden weinig tot niets ophad met het fenomeen muziekdrama (ook al heeft hij wel eens met de gedachte gespeeld er een te componeren, maar daarvan is niets uit de verf gekomen) en met het genre symfonisch gedicht al evenmin. Wie goed door de regels heen leest beseft dat Bruckner in verhouding veel dichter staat bij Beethoven, Schubert en Brahms dan bij de door hem hevig verafgoodde Wagner, aan wie hij immers de eerste versie van zijn Derde symfonie opdroeg. Daarbij verzuimt Haenchen overigens niet om te vermelden dat Bruckner in weerwil van zijn verknochtheid aan de klassieke en vroeg-romantische traditie Wagner bij vlagen qua harmonische grensverleggendheid soms mijlenver vooruit was, in welk verband hij een link legt tussen een plek in de Derde symfonie waar zelfs al op Parsifal wordt geanticipeerd. Zoals bekend, en ook Haenchen gaat daar in zijn doorwrochte essay op in, hadden Bruckners vrienden (en deels ook studenten) het beste met hem voor om het werk van hun bevriende leermeester uitgevoerd te krijgen, wat onder meer leidde tot die eerder genoemde apocriefe versies, waarbij het geheel qua omgang met instrumentatie en dramatische effecten in substantiële mate werd ‘ver-Wagnerd'.

Karakter en tempokeuze
Over de door Bruckner gewenste tempi bestaat veel onduidelijkheid, ook al omdat hij niet erg scheutig was met aanwijzingen in de partituur, maar speciaal omdat de praktijk te zien heeft gegeven dat de componist tijdens gesprekken en repetities dienaangaande nogal eens tegenstrijdige opmerkingen maakte. Een punt van speciale aandacht is dat voordracht- en tempo-aanwijzingen niet als synoniemen dienen te worden opgevat, integendeel. Met andere woorden, een omschrijving als ‘Feierlich, misterioso' bezit niet dezelfde status als ‘langsam' en laat staan die van een metronoomaanduiding. Sterker nog, een karakteraanduiding staat daar vrijwel los van. Wie bijvoorbeeld luistert naar het begin van de Negende Bruckner in de diverse uitvoeringen onder Jochum, waarbij de dirigent heel constant is met een tijdsduur van 22 en maximaal bijna 23 minuten – terwijl vandaag de dag 25 a 27 minuten en zelfs nog meer geen exceptie zijn! – kan niet ontkennen dat het ‘misterioso'-karakter daar tot in de kern is getroffen. Dat zit namelijk in de klank ingebakken en staat als zodanig grotendeels los van de door een dirigent voorgestane tempokeuze.

Een ander minstens even belangwekkend punt is dat vanaf de 19de eeuw het accent van de componist als interpreet, zoals Haenchen terecht opmerkt, steeds meer kwam te liggen op dat van de dirigent. En dirigenten zijn, enkele belangrijke uitzonderingen daargelaten, geen componist. Een gevolg was het sluipenderwijs steeds meer ontstaan van artistieke vrijheiden, die niet zelden ook de omgang met het tempo betroffen. Een van de voorbeelden die in deze stellig vermelding verdient en door Haenchen expliciet wordt genoemd is het verschil tussen ritenuto en ritardando. In het eerste geval is er sprake van een verlangzaming die, eenmaal gerealiseerd, gelijkmatig verloopt, terwijl het bij een ritardando gaat om een verlangzaming die juist ongelijkmatig haar beslag vindt en waarbij er steeds opnieuw wordt vertraagd. Haenchens kritiek op de huidige (Bruckner-) uitvoeringspraktijk is dat dit fenomeen allengs dermate sterk gemeengoed is geworden dat de meeste dirigenten het onderscheid tussen ritenuto en ritardando niet of nauwelijks meer maken.

Verhoudingen
Maar nu terug naar Haenchens Achtste Bruckner uit Denemarken. Wie eenmaal gewend is aan de strakke relatie tussen puls en tempo die de dirigent onafgebroken huldigt, staat een spannende en koortsachtige uitvoering te wachten waaruit om het even welke franje en opgelegd pandoer met strikte hand zijn geweerd. Onverschillig welke ‘longueur' zal men hier vergeefs zoeken. Toch maakt het geheel in de verste verte geen gejaagde en laat staan: opgejaagde indruk. Net als bijvoorbeeld Van Beinum verkeert alles binnen de juiste verhoudingen en dan vallen alle puzzelstukjes volledig op hun plaats. Heeft men zich, om met Anton Webern te spreken ‘eimal eingehört' dan ben je als luisteraar volledig bij de les en dringt zich sterker dan bij enige andere uitvoering van dit werk de indruk op dat Bruckner inderdaad de grootste symfonicus was naast Beethoven, want die was hoe dan ook een van zijn grootste voorbeelden, wat niet alleen blijkt uit het mistige en mysterieuze begin van het openingsdeel van de Derde, maar niet minder ook dat uit de Achtste symfonie. Niet qua noten maar wel qua sfeer moest ik tijdens het beluisteren van het openingsdeel dan ook bij herhaling aan dat uit Beethovens Negende symfonie denken. Zo ongenaakbaar, natuurlijk, maar ook dwingend komt de muziek tot uiting en zo organisch vinden de immense climaxen hun beslag. De enorme vaart, die vervolgens het scherzo schraagt, sluit hier voorbeeldig op aan.

Greep
En dan het gekke: opeens komt het adagio, met in deze lezing een lengte van ruim 21 minuten, helemaal niet zo snel meer op de toehoorder over. Waarom? Welnu, omdat alles proportioneel met elkaar in overeenstemming in het licht van het voorafgaande verkeert, want een symfonie, en al helemaal niet een symfonie van Bruckner, is geen verzameling losse eindjes. Het geheim van een Bruckner-interpretatie schuilt juist in het uitoefenen van een greep, en liefst een zo ferm mogelijke greep, op het totaal. Dat begrijpen Haitink (Philips, Profil, BR Klassik), Wand (Sony, RCA en Profil) en Celibidache (DG en EMI) op hun onvervreemdbaar eigen wijze en bij Haenchen is dat bepaald niet anders. Over één ding ben ik enigszins verbaasd en dat is het enorme accelerando tussen maat 200 en 211 in de finale, waarvoor ik geen, althans directe, aanwijzing in de partituur heb kunnen vinden, maar ik sluit niet uit dat het gedegen bronnenonderzoek van Haenchen hier een rol zou kunnen hebben gespeeld.

Hoe dan ook een fascinerende Achtste, die niet het laatste woord is. Maar bij de uitvoeringspraktijk van grote meesterwerken, en deze symfonie behoort daar ondubbelzinnig toe, zal dat – Gode zij dank – nooit worden gesproken. Rest nog te melden dat het feit dat het om een live-registratie gaat het gevoel van het erbij zijn (het slotapplaus is weggesneden) in niet onaanzienlijke mate versterkt en absoluut niet ten nadele van de doorzichtig- en helderheid heeft gewerkt. Daarbij bezit het opnamegeluid een aangenaam breed spectrum. Ergo: zeker een uitvoering waar de Brucknerliefhebber door dik en dun niet om heen kan!

_____________________
Hartmut Haenchen: Kraftvolle Musik (pdf)


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links