CD-recensie

 

© Maarten Brandt, maart 2022

Bach: Matthäus-Passion BWV 244

Julian Prégardien (tenor – evangelist), Sabine Devieilhe (sopraan 1), Lucile Richardot (alt 1), Reinoud van Mechelen (tenor 1), Stéphane Degout (Christus, bas 1), Hana Blažiková (sopraan 2), Tim Mead (alt 2), Emiliano Gonzalez Toro (tenor 2), Christian Immler (bas 2), Maîtrise de Radio France & Pygmalion o.l.v. Raphaël Pichon
Harmonia Mundi HMM 902691.93 • 66' + 55' + 41' • (3 cd's)
Opname: april 2021, Salle Pierre Boulez, Philharmonie de Paris

   

Meerdere snelwegen zij er inmiddels te plaveien met het astronomische aantal uitvoeringen dat er van Bachs Matthäus-Passion is verschenen. En dit in alle denkbare uitvoeringspraktijken en formaties. Deze laatste variërende van massaal tot madurodamformaat, van in de geest laatromantisch tot barok-puristisch en van melodramatisch tot uiterst sober dan wel een mix van dat alles. Er is dus, kortom, voor elck wat wils. En om het even voor welke benadering er is gekozen, telkens opnieuw komt Bach als de onvolprezen winnaar uit de bus en blijkt dit grandioze Opus magnum zowel in de non-professionele als de professionele circuits even sterk tot de verbeelding te spreken en te ontroeren. Daarbij, of de luisteraar nu belijdend gelovige, agnost of verstokt atheïst, dat maakt allemaal niets uit; de Matthäus-Passion van de geniale Thomascantor valt met geen mogelijkheid uit onze cultuur weg te denken, niet als meesterlijk gerealiseerde compositie en al evenmin als een – althans zeker in ons land - jaarlijks terugkerend ritueel.

Wie zijn oog laat glijden over die talrijke uitvoeringen wordt om de zoveel tijd getroffen door vertolkingen waarvan men denkt “dit is dermate onovertroffen, hier is sprake van een verklanking die ondubbelzinnig het predicaat ‘definitief' verdient.” In de jaren zestig was dat bijvoorbeeld de lezing onder Karl Münchinger met zijn keurtroepen uit Stuttgart en geweldige coryfeeën als Elly Ameling, Peter Pears en Fritz Wunderlich. Ziehier een Decca-registratie van nog steeds ultiem hoog niveau om nog steeds in hoge mate te koesteren. Uit de historische geïnformeerde hoek staan de interpretaties van Philippe Herreweghe (met name zijn eerste op het Harmonia Mundi label uitgebrachte versie), Ton Koopman (vooral zijn eerste en op Erato uitgebrachte opname), Gustav Leonhardt (Deutsche Harmonia Mundi) en René Jacobs (Harmonia Mundi) diep in mijn geheugen gegrift.

Vraag
U zult merken dat ik Nikolaus Harnoncourt buiten beschouwing laat, wanneer het echt om de uitgaven voor het onbewoonde eiland gaat. Hoe dan ook, hij nam de Matthäus-Passion maar liefst driemaal voor Teldec op, waarvan die eerste uit de jaren zestig weliswaar in discografische zin de zogenaamde authentieke benadering van Bachs alom geliefde passie inluidde, maar wiens lezing men nu toch met de beste wil – met excuses voor het feit dat ik nu wellicht enkele haviken enigszins ontrief – niet meer met droge ogen kan aanhoren, vanwege de (om het volgens de in deze gebruikelijke zegswijze van mijn geboortestad Arnhem uit te drukken) de sopraanaria's die voor rekening kwamen van knapen die “zuiver vals” zongen. Overigens wil hier verder niets negatiefs over Harnoncourt worden beweerd, wiens aanpak de Bachreceptie onverschillig hoe men ook over diens musiceerwijze kan denken, geducht door elkaar schudde. Want zonder Harnoncourt geen Herreweghe (die ook met eerstgenoemde samenwerkte), Gardiner, Koopman, Van Veldhoven, Jacobs en wie al niet. Maar wat is er in die tussentijd veel veranderd! Het barokvirus is door de loop der jaren zo in het muzikale DNA gaan zitten, dat die ook en niet in de laatste plaats in de amateursector bespeurbaar is. Niet alleen wat de articulatie van het muzikale materiaal betreft, ook wat het gebruikte instrumentarium aangaat. Een Matthäus zonder blokfluiten en viola da gamba is immers al sedert jaar en dag niet meer voorstelbaar.

Naar aanleiding van het bovenstaande rijst wel de vraag of er nog iets nieuws valt te ontdekken ín en laat staan te zeggen: óver een dermate dikwijls door de diverse en sterk uiteenlopende benaderingen beproefd werk als onderhavige passiemuziek van Bach. Een stuk waarvan de noten voor om het even welke musici zodanig tot een tweede natuur zijn geworden dat onherroepelijk het gevaar van sleetsheid op de loer ligt. Dus van een erosie van het vermogen om de muziekliefhebber ruim twee-en-een-half uur (want dat is de lengte van een gemiddelde uitvoering tegenwoordig) op de punt van zijn of haar stoel te brengen. Naar aanleiding van de net heet van de naald verschenen registratie door Pygmalion onder supervisie van zijn artistiek leider, de dirigent Raphaël Pichon, moet het antwoord op die vraag onomwonden luiden: Jazeker en hoe!

Als oratorium vermomde opera
Ik heb met toenemende verbazing en verwondering naar deze opname geluisterd, en bepaalde onderdelen zelfs meer dan eens, teneinde me te kunnen overtuigen van de ongekende nuances die ik hoorde. Een ding staat voor mij al zo vast als een huis en dat is als er iemand is die klinkend heeft bewezen dat een werk als Bachs Matthäus-Passion een als oratorium vermomde opera is, dat het dan Pichon wel is (en zoals bekend mijdde de Leipziger clerus opera gelijk de duivel het wijwater; zie de geschiedenis van Bachs Johannes-Passion). Niet zelden ademt deze unieke weergave het karakter van een ‘grande opera' in de traditie van Rameau, zonder dat er ook maar een noot van Bach geweld wordt aangedaan of er van een verkeerd opgelegd pandoer sprake is. Want ‘Werktreue' is een uitgangspunt dat ook bij Pichon zeer hoog in het vaandel genoteerd staat en van effectbejag moet hij al helemaal niets hebben. Deze opname is dan ook niet het resultaat van een enkel concert; er zijn meerdere uitvoeringen aan vooraf gegaan alvorens Pichon het aandurfde er een opname van uit te brengen. En dat is aan alles af te horen, elke noot, frasering, cesuur en je kunt het zo gek niet bedenken is met een uiterste aan zorg afgewogen zonder dat daarbij de continuïteit en spontaniteit ook maar één seconde in het geding is gekomen. Daarbij heeft de dirigent een tot in het kleinste detail doordachte ‘typecasting' niet geschuwd, want de solisten voegen zich ideaal zowel naar de letter als de geest naar Pichons concept, solisten die zonder uitzondering tot de crème de la crème van de barokpraktijk behoren, maar voor een aanzienlijk deel ook daarbuiten hun onschatbare diensten bezitten. Een droombezetting dus. Op de evangelist na maken zij bovendien ook deel uit van de koren die goed zijn voor samen 33 vocalisten. Dit afgezien van de Maîtrise de Radio France die tekenen voor de soprani in ripieno in het beginkoor en het slotkoraal van het eerste deel en die 15 leden omvat, wat het geheel – dus op de evangelist na – maximaal op een aantal van 48 koorzangers brengt.

Kosmisch geaarde cadans
En over die koren gesproken, alleen al het ‘Kommt, ihr Töchter, helft mir klagen' komt onder de handen van Pichon als een waar wonder tot klinken. Wiegend, ‘dansant' en vloeiend (maar gelukkig niet à la de ‘Wiener Walz'- aanpak van Harnoncourt I!) en tegelijkertijd geworteld in wat onze landgenoot Reinbert de Leeuw niet onterecht ‘een oerritme' heeft genoemd of, zoals ik het zou willen omschrijven: een kosmisch geaarde cadans. Het gevolg is dat het op zich vlot genomen tempo toch vol grandeur steekt en je als het ware meteen het drama ingezogen wordt, want de spanning is van meet af aan om te snijden. Niet alleen de zangers, maar ook de leden van het orkest – alles perfect opgesplitst in coro 1 en 2 alsmede gevat in een ideaal stereobeeld – excelleren in een optimum aan differentiatie en kleurwerking, waarbij de continuogroepen met orgel, theorbe en (in coro 2) clavecimbel rijkelijk zijn bedeeld. De coninuogroepen, waarvan de instrumenten tevens tijdens het evangelieverhaal, de recitatieven en aria's veelal gecombineerd worden ingezet. Een praktijk die ook door bijvoorbeeld Van Veldhoven en vooral Jacobs wordt gehuldigd en waarmee tevens een brug wordt geslagen naar een verder verleden dan Bach, waarbij men bijvoorbeeld kan denken aan de muziekdramatische werken van Monteverdi.

Raffinement
In nogal wat historiserende uitvoeringen worden de koralen voor het merendeel nogal rechttoe rechtaan gezongen. Neem ‘Erkenne mich, mein Hüter' en het zich op een steenworp afstand daarvan bevindende ‘Ich will hier bei dir stehen'. Zoals bekend zijn beiden op dezelfde melodie gebaseerd, maar het raffinement van Pichon schuilt in het feit dat hij het eerstgenoemde koraal heel ingetogen laat zingen en net een fractie langzamer dan ‘Ich will hier bei dir stehen'. De tekst wettigt dit ook ten volle, want in het eerste geval betreft het een smeekbede, terwijl het in het tweede vooral om een wilsact gaat. Bovendien wordt dusdoende de onderhuidse spanning van de handeling die door deze koralen wordt onderbroken enorm geïntensiveerd. Andere imposante voorbeelden zijn ‘Bin ich gleich von dir gewichen' en het a capella gezongen ‘Wenn ich einmal soll scheiden' waaruit blijkt dat een consequent doordachte barokke aanpak en een – dit in de meest positieve zin van het woord overigens – haast schaamteloze romantische inslag elkaar bepaald niet perse hoeven uit te sluiten. In het laatste geval werkt daardoor het aansluitende recitatief “Und siehe da, der Vorhang in Tempel zerriss in zwei Stücke…” als een ongelooflijke schok. Over opera gesproken! In het dramatische slotkoor van het tweede deel – in een gaand maar zeker geen gejaagd overkomend tempo - gaat Pichon nergens over de schreef en zijn het met name de ingetogen ‘sotto voce' elementen die de aangrijpende inhoud extra luister bijzetten.

Droombezetting
Ik zei het al, Pichon beschikt over een droombezetting. Allemaal jonge zangers met als enige min of meer veteraan de bas Christian Immler, die juist die aria's voor zijn rekening neemt die de donkere zijde van de menselijke natuur belichamen - waaronder het ‘Gebt mir meinen Jesum wieder' - die met een uiterste aan souplesse worden gezongen. Opmerkelijk is dat de overige basaria's voor rekening komen van degene die men de protagonist van de passie zou kunnen noemen, namelijk hij aan wie de Christuspartij is toebedacht, Stéphane Degout. De teksten van Picander die hem in de ariosi en aria's toevallen hebben dan ook zonder uitzondering betrekking op de Christus-figuur, het lijden en de ellende die dat met zich meebrengt, totdat dit alles in ‘Am Abend da es kühle war' en het aansluitende ‘Mache dich mein Herze rein' culmineert in de eigenlijke (zij het verstilde) apotheose van het werk, met als thema's loslaten en berusting, waarbij die laatste basaria met recht tot de mooiste wiegenliederen ooit geschreven mag worden gerekend. Zijnde een feit waarvan men zich extra nadrukkelijk bewust wordt door de eminente wijze waarop Degout deze hemels fraaie noten voor het voetlicht brengt. Opeens zou dan zomaar het besef kunnen postvatten dat het passieverhaal eigenlijk een mythe is die zich ook in ons eigen innerlijk afspeelt en waarbij het feit of Christus nu werkelijk in historische zin heeft bestaan of niet van meer ondergeschikt belang is. Ook dat heeft met opera te maken, waarbij de feitelijke inhoud niet zelden als kapstok fungeert voor een boodschap die daar ver bovenuit stijgt. Wellicht dat hierin een van de diepste geheimen van de Matthäus-Passion schuilt!

Julian Prégardien doet zijn vader Christoph alle eer aan. Zonder hem ook maar bij benadering te imiteren is nu al duidelijk dat hij als evangelist een legendarische status geniet. Een pracht van een stem, maar ook begiftigd met het vermogen zich volledig met de inhoud van de tekst te vereenzelvigen, de cesuren op de juiste wijze te plaatsen, daarbij ook geholpen door een dirigent, die de episodes de ene keer snel op elkaar laat volgen en op andere plaatsen juist alle rust in acht neemt. Dit al naar gelang wanneer de lading van de beschreven gebeurtenissen zulks vordert.

Reliëfwerking en differentiatie
Hana Blažiková zingt slechts één sopraanaria, het ‘Blute nur', maar doet dat hoogst soeverein. Dat laatste geldt onverkort voor Sabine Devieilhe die dus het leeuwendeel van de aria's voor dit stemtype zingt en haar fabuleuze reputatie als sopraan opnieuw waarmaakt (wat een optimum aan doorleefdheid in ‘Aus Liebe will mein Heiland sterben'). Elders op deze site kunt u in bijdragen van collega Aart van der Wal meer over deze grandioze zangeres lezen. Voor mij een enorme ontdekking was de alt Lucile Richardot die het ‘Erbarme dich' op een veel navrantere manier zingt dan gebruikelijk, als gevolg waarvan niet zozeer het mededogen met Petrus wordt benadrukt, maar integendeel het gruwelijke van zijn verraad, de vreselijke gevolgen en de onomkeerbaarheid daarvan. Een geniale dramaturgische ‘tour de force' waarbij de invloed van Pichon, mede gezien zijn opera-achtige visie op het geheel, ongetwijfeld een rol zal hebben gespeeld. Niet minder dan naar de keel grijpend is Richardots pleidooi (haar stemtype reikt tot in de laagste regionen) voor ‘Sehet, Jesus hat die Hand…' waarbij ze wordt gesecondeerd door een rijkelijk vlot genomen tempo van Pichon cum suis (met prachtige klagende oboe d'amores!), zonder dat ook maar enige nuance aan het oor ontsnapt: wat een reliëfwerking en differentiatie. Ongelooflijk!

Eindeloos zou men nog kunnen uitwijden over de overige solistische bijdragen, de talrijke en schitterende instrumentale details. Maar met deze nieuwe Matthäus is het onmogelijke opnieuw geschied. Weer een dirigent en een ensemble die met dit overbekende werk (maar wat heet overbekend als er steeds maar weer onvermoede dimensies in een partituur zijn te ontdekken?) geschiedenis hebben geschreven. Dus ook als u al de nodige topuitvoeringen van Bachs meesterwerk in de kast hebt staan, is deze luisterrijke en van een voortreffelijke documentatie (inclusief een hoogst intrigerend interview met Pichon en Prégardien) voorziene productie een absolute must voor iedere rechtgeaarde Bach-bewonderaar en ik zou zeggen, wie is dat nu niet? Grijp uw kans!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links