CD-recensie

 

© Maarten Brandt, maart 2020

Bach: Matthäus-Passion BWV 244

Benjamin Bruns (Evangelist), Christian Immler (Christus)
Solisten coro 1: Carolyn Sampson (sopraan), Damien Guillon (altus), Makoto Sakurada (tenor) en Christian Immler (bas). Solisten coro 2: Aki Matsui (sopraan), Clint van der Linde (altus), Zachary Wilder (tenor) en Toru Kaku (bas)
Bach Collegium Japan o.l.v. Masaaki Suzuki
BIS-SACD-2500 • 2.43' • (2 sacd's)
Opname: april 2019, Saitama Arts Theatre Concert Hall, Tokio

   

Bij tal van dirigenten bestaat de onbedwingbare behoefte bepaalde composities meer dan eens voor het nageslacht op te tekenen. Masaaki Suzuki die samen met Philippe Herreweghe, Sir John Eliot Gardiner en zijn leermeester Ton Koopman tot de grootste Bachspecialisten van tegenwoordig mag worden gerekend, vormt op die regel geenszins een uitzondering. En het viel dus wel te verwachten dat hij vroeg of laat zijn licht opnieuw over de Matthäus-Passion zou laten schijnen, het Magnum Opus van de grote Thomascantor uit Leipzig dat hij voor het eerst – en eveneens voor het Bis-label – vereeuwigde in maart 1999. Dus tussen deze twee registraties gaapt een periode van twee decennia. In de tussentijd heeft Suzuki bepaald niet stilgezeten en onder meer het volledige cantatewerk van Bach vastgelegd. Dit laatste op een wijze waarover – en terecht! – superlatieven alom tekort schieten, zowel waar het om de interpretaties gaat als de voorbeeldig geslaagde weergavetechniek. Wie deze monumenten in zijn of haar discotheek heeft staan mag zich gerust de gelukkige bezitt(st)er noemen van opnames die – een gevaarlijk woord, ik weet het – bijna het predicaat ‘definitief' verdienen. Zelfs de integrale en imposante cantateodyssee van Koopman wist Suzuki nog te overtreffen. Geen wonder dat met zeer hoge verwachtingen werd uitgekeken naar Suzuki's hernieuwde confrontatie met Bachs meest bekende partituur, te meer ook daar die oudere opname de vergelijking met de beste opnames van de Matthäus met vlag en wimpel kon doorstaan. En dan hebben we het bijvoorbeeld over de eerste Herreweghe-registratie (Harmonia Mundi), Leonhardt (Deutsche Harmonia Mundi), de Eerste Koopman-vastlegging (Erato) en Jacobs (Harmonia Mundi), waarbij ik me realiseer dat deze lijst verre van compleet is, want het aantal uitvoeringen op cd is met geen mogelijkheid meer bij te houden.

Directere akoestiek
Het feit dat de nieuwe uitgave op slechts twee cd's is vastgelegd, terwijl de oudere drie disc's telde zegt niet echt veel, omdat de verschillen in tijdsduur tussen de beide vertolkingen marginaal zijn. Daarbij is Bis een van die labels die voorop loopt als het gaat om het produceren van cd's met een lengte van 80 minuten of meer, zonder dat trouwens er sprake is van onverschillig welk kwaliteitsverlies. Werd voor de oude opname naar de kapel van de Shoin Women's University in Kobe uitgeweken, die bekend staat om een schitterende akoestiek met een weldadige galm die toch niets verdoezelt en de Matthäus-Passion doet opklinken in een voorbeeldig ruimtelijke en warme sonoriteit, waarin de klank uiterst transparant en reliëfrijk is; voor de registratie van zijn tweede verklanking viel de keus op de Saitama Arts Theatre Concert Hall te Tokyo, die opvalt door een behoorlijk directer geluid, daarbij geholpen door een opnameteam dat het er onmiskenbaar duidelijk om te doen was dat we ons als luisteraar thuis dichter bij de tableau de la troupe zouden bevinden. Dat betekent weliswaar dat er aan helderheid niets te wensen overblijft en geen detail aan het oor ontsnapt, zij het dat het mij wel van het hart moet dat dit enigszins ten koste is gegaan van de mystieke atmosfeer die juist die oudere versie zozeer kenmerkte en een opus als deze passie tot zo een geweldige belevenis kan maken. Hoe dan ook, de meest relevante vraag is natuurlijk die naar het waarom van Suzuki's voornemen het werk opnieuw vast te leggen. Laten we hem zelf aan het woord en ik citeer hem uit het cd-boekje:

(...) what makes me especially grateful is that with this recording we were able to try something that was not possible before. This is the construction and use of a new organ for the basso continuo (...). The organ that J.S. Bach used for church music (...) would normally be a large church organ installed on the west gallery of the church, never a small positive organ such as is common in modern performances of baroque music. In the case of the St Matthew Passion such a large organ would have been used, at least for Orchestra 1, while Orchestra 2 may have included a small organ, or a harpsichord as shown in the manuscript for a later performance given in 1742.
In any case, in order to re-record this magnificent passion, I was convinced that I needed a new organ to get closer to the sound of the organ used by Bach, and decided several years ago to make this happen. In terms of the disposition, it goes without saying that this instrument should have Principals with open pipes to give the proper fundamental sound, as well as the appropriate mutation stops (overtone registers) to compose ‘Sesquialtera'* for the chorale melody appearing in movements 1 and 29 of the passion. Furthermore, like Bach's own organ, it also needed to have a 16- foot register, making it possible to play an octave lower than notated, forming a solid foundation and allowing the sound of the continuo bass to enfold the entire ensemble. Moreover, it had to be possible to adjust the tuning according to changes in temperature. We also needed an instrument that could be used both at ‘Chorton' pitch (a = ca '465) – as required in Bach's early cantatas – and ‘Kammerton' (a = ca. 415), as well as pitches in between the two, for use in music by for instance Haydn or Mozart. Moreover, like all modern musicians, we perform in different venues, so an instrument that cannot be assembled and disassembled within a few hours is of little use to us. In spite of these many, and almost unreasonable requests, the organ builder Marc Garnier accepted the challenge of building such an instrument. The result is an organ with a rich and deep sound (...)

‘Regelkamer'
Uiteraard maakte mij dit extra nieuwsgierig, te meer ook daar Suzuki bovenal in zijn cantate-opnames en daarmee deels ook in de voetsporen tredend – zij het op zijn onvervreemdbaar eigen wijze – van Ton Koopman, naar het resultaat. Want wat wil het geval? Om het even hoe men ook over de rol van de basso continuo denkt, en er zijn tal van opvattingen mogelijk (en dan hoef ik slechts te verwijzen naar de benaderingen van Jos van Veldhoven en René Jacobs), over een ding zal iedereen het eens zijn en dat is dat deze praktijk eerst en vooral tot oogmerk heeft de dramatisch inhoud van het verhaal – in dit geval het evangelie en al de afgeleiden daarvan (koren, koralen, recitatieven en aria's) – via kleuring reliëf te verlenen. Met andere woorden, het continuo is als het ware de dramaturgische ‘regelkamer' binnen het ensemble. Niet meer en vooral ook niet minder. Met alle respect voor Suzuki en zijn beweringen over het orgel in Bachs tijd en meer in het bijzonder de Thomaskirche waar de Matthäus-Passion ten doop is gehouden, hoewel er boeken over zijn en worden volgeschreven staat het zo vast als een huis dat niemand weet hoe die uitvoering precies heeft geklonken. Neem alleen al het simpele feit dat de bewust kerk nu grotendeel uit beton is opgebouwd en destijds uit hout bestond. Dat alleen al is een wereld van verschil. Suzuki heeft het over een orgel dat in zijn onderdelen transportabel moet zijn en bij elke gelegenheid opnieuw in elkaar moet worden gezet om nadien vervolgens weer te worden gedemonteerd. Dat is iets heel anders dan een instrument met een gefixeerde plaats in een sacrale ruimte. En dan ga ik er nog aan voorbij dat dit een heel ander orgel moet zijn geweest en dat de akoestische omstandigheden natuurlijk eveneens hemelsbreed zullen hebben verschild van die van de Saitama Arts Theatre Concert Hall. Natuurlijk zal Suzuki zich daarvan ook ten zeerste bewust zijn. Waar het echter om gaat is het klinkende resultaat. “The result is an organ with a full and rich sound”, aldus Suzuki in zijn statement. Een volle klank, daar ben ik het volledig mee eens. Speciaal in het openingskoor werkt de diepe en verzadigde sonoriteit van die 16-voets pedaalstemmen overtuigend. In hoge mate zelfs. Wat ons hier tegemoet klinkt is echt de zwaarte (in de goede en dramaturgische betekenis van het woord) waardoor op suggestieve wijze een voorschot wordt genomen op de kruisgang van de Christus-figuur.

Meditatie
Maar naarmate het werk vordert wordt dat typische 16-voetsgeluid te monochroom, te eendimensionaal. De nadruk ligt dan te veel op het volume en vaak ternauwernood op de geraffineerdheid van de klank die – ik kan het niet genoeg beklemtonen – immers een reflectie beoogt te zijn van de dramatische en agogische lading van het woord. En het overbrengen van het woord – niet onterecht wordt er binnen de lutheraanse traditie uit die tijd gesproken over het feit dat de muziek niet alleen dramatisch, maar ook contemplatief moest zijn, ja dat de hele liturgie rond een werk als de Matthäus-Passion de functie had van een gebedsoefening, om niet te zeggen een meditatie – daar was en is het toch om begonnen. Betekent dit nu dat het experiment met een groter orgel in plaats van het gangbare kleinschalige kistorgel uit den boze is? Allesbehalve. Het is verre van mij de historische Naardense uitvoering van de oude Nederlandsche Bach Vereeniging (ja de ouderwetse spelling wordt hier opzettelijk gebruikt) uit 1957 (Telefunken en later op Fidelio en Vanguard op cd uitgebracht maar niet meer verkrijgbaar), althans qua visie, naast deze heet van de naald verschenen tweede lezing onder Suzuki te leggen. Want dat is echt appels met peren (of zo u wilt bananen) vergelijken, behalve op één punt. Het gebruik van het orgel in die bewuste oude vertolking. Dat was geen ‘positiv', maar een weliswaar niet heel groot, maar toch echt heel mooi (en door wijlen Albert de Klerk schitterend bespeeld) Strümphler-orgel met een hoogste karakteristieke, gelaagde, in de goede zin des woords zowel scherpe als ronde klank, waartegen het geluid van het door Garnier gebouwde instrument uiterst monochroom afsteekt, gewoon ook omdat het pedaalregister dikwijls veel te overheersend is, juist ook op plaatsen waar dit niet gewenst is. Wat er ook van zij, Van der Horsts opvatting mag anno 2020 gedateerd aandoen, qua omgang met het continuo blijkt met terugwerkende kracht dat hij zijn tijd ver vooruit was en dat ook zijn tijdgenoten (zoals bijvoorbeeld Karl Richter) wat dit aspect aangaat daarin geducht het nakijken hadden.

Soevereine visie
Overeind blijft ondanks de hierboven genoemde bezwaren dat Suzuki een hoogst soevereine visie ten toon spreidt en elke noot van deze partituur als zijn vestzak kent. En daarbij beschikt hij met coryfeeën als Carolyn Sampsom, Damien Guillon, Christian Immler (die zowel de Christus-partij als de basrecitatieven en aria's van Coro I voor zijn rekening neemt, en hoe!) en niet te vergeten de tenor Makoto Dakurada over – om opnieuw een ouderwetse term te gebruiken – het ‘puik der zoete kelen'. Ook Benjamin Bruns' rol als evangelist mag er zijn, hoewel hij mij het uiterst wendbare en geëngageerde stemgeluid van Gerd Türk van die oudere opname moeilijk kan doen vergeten. En dat Suzuki met koor en orkest van ‘zijn' Bach Collegium kan lezen en schrijven als geen ander, ach dat wisten we uiteraard al heel lang. Opmerkelijk en veel dichter bij de waarheid (die we nooit geheel zullen kennen, want dan zouden we over een tijdsmachine moeten beschikken!) is dat de dirigent – in tegenstelling tot zijn eerste vastlegging – de cantus firmus niet voor rekening laat komen voor een jongenskoor, maar laat zingen door drie sopranen ‘in repieno'. Want laten we eerlijk zijn dat jongenskoor in het openings- en slotkoor van het eerste deel komt op weinig anders neer dan een moeilijk uitroeibare ‘folklore'. De formatie die wordt gebruikt, telt wat coro II betreft (zie het citaat van Suzuki) inderdaad een klavecimbel, dat wel in de Geduld-aria wordt gebruikt, maar weer niet bijvoorbeeld tijdens ‘Können Tränen meiner wangen' voor altus II (voor de volledigheid: het klavecimbel ontbreekt in Suzuki's eerste opname). Maar wat had ik graag een uitvoering à la Suzuki gehoord met een instrument dat qua dispositie en geluid in de buurt was gekomen van eerder genoemd Strümphler-orgel! Wie pakt die handschoen nog eens op?

______________
* Het register van het orgel dat de cantus-firmus-melodie – de koraal melodie – van het openings- en slotkoor van het eerste deel van de Matthäus-Passion door verdubbeling versterkt, te herkennen aan een hoge en schalmei-achtige klank. Een praktijk die in verschillende uitvoeringen Bachs onvolprezen meesterwerk wordt gehanteerd, ook in ons land.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links